Vertakte verhalen

Bij de eerste Frisse-Blik-Wandeling op dinsdag 9 februari richtten we de blik op de bomen van het Haagse Bos. Veel van die bomen zijn babyboomers (spreek uit ‘boemers’); ze zijn geplant na de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog. Als boom zijn ze nu in de kracht van hun leven.

Es, eik en beuk rijzen hoog en krachtig boven ons op als we het bos inwandelen; de beuk bijna ongenaakbaar met zijn gladde bast, de es die – net als wij – na veertig jaar de eerste groeven in zijn bast begint te vertonen en de eik, ach de eik, altijd in de hoek waar de klappen vallen. Zijn bast is al vroeg gegroefd en gelooid, zijn takken kronkelen getourmenteerd  (maar wel fraai) de ruimte in en zijn kroon is getekend door sporen van blikseminslag.

Aan de waterkant staan bomen met een soepeler naam; elzen. De takken ontspringen laag aan de stam en reiken over het water. Bungelende katjes en parmantige elzenproppen geven de boom een lieflijk profiel. En dan is het ook nog eens de favoriete boom van de sijsjes, die druk babbelend door de takken dartelen en de zaden uit de proppen pikken. Onder de onderste takken vinden smienten, slobeenden, wilde eenden, meerkoeten en waterhoentjes een beschutte rustplek.

In weerwil van hun lieflijke uiterlijk hebben elzen in de volksmond een slechte naam. Omdat ze vooral gedijen in natte, moerassige gebieden gaat het verhaal dat in hun takken de zielen van ongedoopte kinderen huizen. Die zouden als dwaallichtjes de onschuldige reiziger het moeras in willen lokken. Schubert heeft dit volksgeloof prachtig weergegeven in zijn bloedstollende lied ‘Erlkönig’ (de Elzenkoning).

De andere door Schubert bezongen boom, Der Lindenbaum, staat aan de ‘lijzijde’ (de zonnige noordkant) van de vijvers. Hier zijn op de glooiende oever zonneweiden aangelegd met her en der een solitaire linde. Aan de kale twijgen zijn nu alleen nog maar de karmozijnrode bladknoppen zichtbaar, maar in juni kun je onder de groene linden baden in de weldadige lindengeur, die  ontroerende, weemoedig stemmende Lindenduft.

Hier en daar vind je in het bos nog grote bomen van voor de oorlog. Zoals de indrukwekkende platanen die onderaan de duinwal langs het fietspad staan. Wat een kracht en monumentaliteit staat daar! Scheef hangen ze, de massieve takken krachtdadig de ruimte in slingerend. De lichtbruine, grillig schilferende bast bedekt de knoestige, woeste stam. In de takken hangt nog een enkel frivool zaadbolletje. Als het gesneeuwd heeft zijn die getooid met witte puntmutsjes. De humor van de plataan.

En dan zijn er nog de monumentale populieren. De bomen van de ijlte, groot en kwetsbaar. In de herfst, als bijna al het blad is gevallen, schetsen de resterende bladeren gezamenlijk nog de contouren van de kroon. Alsof de boomkruin is gearceerd, niet helemaal ingevuld . Dit is mogelijk wat Marsman bedoelde toen hij ‘Denkend aan Holland … ’  ‘… rijen ondenkbaar ijle populieren als hooge pluimen aan den einder’ zag staan.

’s Zomers zijn populieren de meest uitbundig ruisende bomen. Het blad van de ratelpopulier, de esp,  trilt al bij het kleinste zuchtje wind. Leg een espenblad onder je tong en je wordt een begenadigd spreker. Of een ratelpopulier natuurlijk.

 

Afbeeldingen: Platanen in het Haagse Bos

No comment yet, add your voice below!


Add a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.