Lèzwazoo

Een placemat uit Frankrijk, gekregen van familie die daar op vakantie was. Een napperon. Met foto’s van zestien veelvoorkomende vogels, getooid met die prachtige barokke namen waar de Fransen patent op hebben. Elke vogelnaam bestaat uit minstens twee woorden; een Franse soortnaam plus een toevoeging over de verschijning of het leefgebied van het vogeltje.

Het sijsje is niet zomaar een sijsje maar een tarin des aulnes; een sijsje van de elzen. In die boom vertoeft hij dan ook bij voorkeur, druk keuvelend met soortgenoten en ondertussen de zaadjes uit de elzenproppen peuterend. De goudvink, met zijn volle, pioenrode borst en zijn lichtelijk melancholieke zang, heet bouvreuil pivoine, de pioenroos-goudvink.

De cincle plongeur, waterspreeuw, is inderdaad een duiker die in kleine stroompjes onder water op insecten jaagt. De ijsvogel duikt ook naar zijn prooi, maar heet martin-pêcheur. Hij komt namelijk boven met een visje.

Een groene specht heet heel kernachtig pic vert  en de vurige boomklever, die met zijn vervaarlijke dolksnavel stevig in boomschors kan beitelen, heet sitelle-torchepot. Het vrolijke, pretentieloze zangertje van het struikgewas, de zwartkop, luistert naar de naam fauvette à tête noire.

Soms drukken de Fransen hun waardering voor het vogeltje uit in een bijvoeglijk naamwoord. De putter of distelvink, in mijn ogen geen uitgesproken gracieus vogeltje, heet chardonneret élégant. Misschien is men in la douce France gecharmeerd van de uitgesproken maquillage van de putter: een koraalrood snoetje met een forse zwarte eyeliner, de wang en de slaap stralend wit en dat weer omzoomd met een brede zwarte streep.

Het kwikzilverige winterkoninkje heeft een Neanderthaler-achtige soortnaam, troglodyte, maar die wordt verzacht door de toevoeging mignon. Een lief troglodietje. Het steenuiltje, vinnig, maar wel een schatje, heet chouette chevêche. Ik herinner me van mijn vakanties in Frankrijk in de zeventiger jaren dat “sjwette” een modewoord was in de trant van “leuk” of “tof”. Het kan trouwens nog schattiger; het ook in Frankrijk zeldzame dwerguiltje heet chouette chevêchette.

De geheimzinnigste vogel van de placemat is de hypolaïs polyglotte. Een vogel die veel talen spreekt. Wij noemen hem de spotvogel, omdat hij in zijn zang voortdurend andere vogels nabootst. De hypolaïs polyglotte is niet de gewone spotvogel, die in Nederland veel gespot wordt, maar de orpheusspotvogel. En die komt évidemment meer in Frankrijk voor.

Maar de allerleukste vogel van deze napperon is de gros-bec casse noyaux, de appelvink. Met zijn formidabele snavel en ijzersterke snavelspieren kan deze macho zelfs de pitten kraken van fruits à noyaux zoals kersen. Zo te zien heeft deze gros-bec zijn onverstoorbare wandeling door de takken even onderbroken om ons met een scheef hoofd aan te kijken. Roestbruine kop, zwart ringbaardje rond de loodgrijze snavel en “handen in de zakken” van zijn geraffineerd versierde leren jack. ‘Coule’, zouden de Fransen zeggen. Wij zeggen Cool.

P.S. Alle vogels zijn onder hun Nederlandse naam te vinden op Vogelbescherming.nl, onder ‘Ontdek vogels’

No comment yet, add your voice below!


Add a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.