
In 1912 waagt Jan Mankes zich voor het eerst aan een landschap. Tot dan toe had hij intieme stillevens en zelfportretten geschilderd. In een brief van 22 februari 1912 schrijft hij aan zijn vriend en mecenas Aloysius Pauwels: ‘Zoo heb ik het reeds jaren beraamde en u bekende plan uitgevoerd de “woudsterweg” te schilderen. … D’r heb je ’t al, landschap, Amice.’
Net zoals hij voor zijn stillevens dichtbij huis bleef – hij schilderde simpele gebruiksvoorwerpen als een olieflesje of een gemberpot – is het onderwerp van zijn eerste landschapsschilderij de weg die vlak voor zijn huis begon en waar hij dagelijks overheen wandelde: de Woudsterweg. Deze met bomen omzoomde weg liep vanaf zijn woonhuis zuidwaarts naar Oranjewoud, het landgoed van de Nassaus.

Het schilderij Woudsterweg bij Oranjewoud is een gevoelig en dromerig landschap met vloeiende kleuren en zachte, genuanceerde overgangen. We staan met de rug naar Oranjewoud en kijken in noordelijke richting, aan de horizon ligt De Knijpe waar het woonhuis van Jan Mankes stond. Aan het begin van de weg rijzen twee ijle, hoge bomen op. Ze vormen als het ware de toegangspoort tot de weg. De wandelaar die we zien (Jan Mankes zelf?) is net door die toegangspoort gegaan en betreedt de laan met bomen.
De weidsheid van de landerijen, de stilte en de rijkdom van de natuur waren een grote inspiratiebron voor Jan Mankes. Hij beschrijft zelfs een bijna mystiek gevoel wanneer hij op een van zijn wandelingen aan het eind van een modderig paadje over de velden uitkijkt. Als hij in de verte het dorp ziet waar zijn atelier is, ervaart hij een gevoel van vrijheid en voelt de nabijheid van God. Hij schrijft over dit moment: ‘De wereld, de menschen, mijn werk ik meen ze in juister proporties te zien, onooglijk klein vergeleken bij God en mij.’
Later, als hij hevig verliefd is op Annie Zernike, komt deze ervaring terug in een (proeve van een) gedicht dat hij voor haar schrijft:
Weet je, we zullen samen gaan
gindsch tot naar ‘t einde van het wegje
Waar het lompe plompe hek bij het sprietend spichtig hegje
’t paadje en ook ons, brengt tot staan.Achter ’t hek daar licht de wereld
Heel de wijdte van de ziel
In 1912 schilderde Mankes in dezelfde dromerige sfeer een ander landschap uit zijn directe omgeving: Waterlandschap. Kort daarvoor had hij dit landschap met plassen ten noordwesten van zijn woonhuis ontdekt. Hij schrijft enthousiast aan Pauwels: ‘En raadt nu eens wat ik ontdekt heb? ’t Eenigste wat Knijpe ontbrak… plassen, niets minder dan heerlijke uitgestrekte plassen, nog geen half uur van huis. Hun verborgenheid tot nog toe lag aan het afgelegene, dus Amice, als u nu weer komt gaan we ook eens naar de kavelstrook, zo heet de vaart waaraan ze liggen.’

Ook het Waterlandschap heeft weer die ijle, verstilde sfeer. Twee wandelaars lopen door de ‘toegangspoort’ die wordt gevormd door twee ranke, hoge bomen. Aan de horizon ligt een boerderij en daarnaast een bomenrij die lijkt te zweven. Op het water drijft een driehoekig, helder wit zeiltje en een witte schittering licht op aan de oevers van het meer. Mankes schildert hier weer een landschap waarin je ‘heel de wijdte van de ziel’ ervaart.
Op woensdag 4 juni geef ik mijn lezing Jan Mankes dichtbij in Den Haag. Informatie en reserveren, zie Agenda
4 reacties
Wat een verfijnde verstilde, haast meditatieve schilderijen liet je ons/mij zien. Daar word ik stil van. Dankjewel Hans voor het delen.
Dankjewel Jeannette. Fijn dat de landschappen van Jan Mankes je raken.
Wat een liefdevol gedicht . Een aanvulling op de sfeer in de geschilderde landschappen landschappen. Dank
Dankjewel Karin.