Égalité van de dood

Parijs heeft naast de meest bekende begraafplaats, de cimetière du Père-Lachaise, nog een kerkhof waar veel beroemdheden begraven liggen; de cimetière du Montparnasse. Deze begraafplaats ligt min of meer aan de voet van la Tour Montparnasse, die als een enorme zwarte grafsteen oprijst uit de lichtvoetige bebouwing van het uitgaanswijkje rond de Rue de la Gaîté. Vorige week bracht ik een bezoek aan de begraafplaats.

La Naissance des Formes, Ossip Zadkine, 1958

Met de plattegrond van de nécropole in de hand ging ik op zoek naar de graven van verschillende beroemde zonen en dochters van Frankrijk. De eerste die ik zocht was beeldhouwer Ossip Zadkine. Buiten, pal naast het kerkhof, had ik een dag eerder het beeld ‘La Naissance des Formes’ bezichtigd, een bronzen sculptuur in de kenmerkende beeldtaal van Zadkine.

Verrassend genoeg bestond zijn graf uit een simpele platte steen van roze graniet, met alleen maar de inscriptie ‘Ossip Zadkine, 1890-1967’. Geen versierselen, geen grillige sculpturen, alleen een kleine kring steentjes, door bewonderaars op de steen gelegd. De man die in zijn beeldhouwwerken de vormen voortdurend liet verspringen, hoekig, onwillig bijna om een doorlopende lijn te maken, lag hier onder een egale platte steen.

Nog verrassender was het graf van Tristan Tzara. Deze dichter en performancekunstenaar richtte in 1917 samen met onder andere Hans Arp de Dada-beweging op, een rebelse en speelse kunststroming die zich afzette tegen de gevestigde cultuur. Het graf van Tzara was zo onopvallend dat ik er in eerste instantie overheen keek. In een rommelig perkje met wat verpieterde plantjes lag een groezelige marmeren grafsteen, met daarin de inscriptie ‘Tristan Tzara, poète, 1896-1963’. Op de steen stonden, het toppunt van conventionaliteit, twee keramieken tuiltjes bloemen. Arme hemelbestormer Tzara, begraven onder een vuile steen en dertien-in-een-dozijn roosjes en vergeet-me-nietjes.

De laatste rustplaats van Serge Gainsbourg, zanger van onder meer het hijgnummer ‘Je t’aime, moi non plus’, was makkelijk te vinden. Op de iets verhoogde grafsteen van de familie Ginsburg lagen talloze metrokaartjes van fans die hierheen gereisd waren om de zanger de laatste eer te bewijzen. Er lag een briefje met het opschrift ‘Je suis venue te dire que je m’en vais’, een andere hit van de zanger. Er lagen sigarettenpakjes, een groene kool met een zonnebril op en een sigaret “in zijn mond” en op het naamplaatje stonden rond de vermelding ‘Serge Gainsbourg, 1922-1971’ hartjes en rode zoenlipjes.

Die eer was ook Jean-Paul Sartre te beurt gevallen, die met Simone de Beauvoir in een graf ligt. Ook hun zerk was bedekt met honderden metrokaartjes en de staande steen was bespikkeld met rode zoenlippen. Dichter Charles Baudelaire (1821-1867) ligt in het familiegraf van zijn door hem gehate stiefvader. Op de conventionele negentiende-eeuwse grafsteen (‘Priez pour eux’) worden vooral de verdiensten van de stiefvader breed uitgemeten, maar de bescheiden vermelding van Baudelaires naam is rood gemarkeerd door wellustig gestifte lippen. Overigens werd de grote Franse dichter postuum alsnog geëerd met een Rodin-achtig standbeeld elders op de begraafplaats, een initiatief van zijn kunstzinnige vrienden.

Een graf dat mij ontroerde was dat van de Iers/Franse (toneel)schrijver en dichter Samuel Beckett (1906-1989). De man oefende zijn leven lang met dood en onthechting in zijn ‘kale’ theaterstukken en romans: ‘De meeste schrijvers verspillen andermans tijd met te lange werken. Ik probeer alles zoveel mogelijk te beperken. Mijn laatste werk zal ooit een wit vel papier zijn.’ (dixit Beckett).

Ooit had ik in een droom een heel mooi beeld van sterven. Ik droomde dat ik dood was. Ik bevond me in het gezelschap van andere overledenen. We spraken erover dat het sterven wel was meegevallen; het was als een wit laken dat je uitwerpt en dat langzaam neerzijgt op een bed. Dat beeld heb ik zeker aan Samuel Beckett te danken. Hier, op de cimetière du Montparnasse, plukte ik wat madeliefjes en legde ze op de simpele grijze steen waaronder hij zijn laatste rustplaats heeft.

2 Comments

  1. Prachtig geschreven en beschreven ! Mooi Hans !
    Het lied je ‘t’aime moi non plus’ deed mij terug denken aan mij jongere jaren waar ik mijn fantasie los kon laten op het leven zelf. Nu weet ik meer van het leven en de dood die zo dicht bij elkaar staan in deze aardse ervaring. Uit licht gekomen en in licht weer terug gegaan een transformatie van leven en dood.
    Dank je wel Hans voor het delen van jouw reis.

    • Dankjewel Peter.
      Mooi dat je zoveel herkent in dit blog.


Add a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.