De grenzeloze ruimte

Van alle verhalen van Bruno Schulz is er een mij bijzonder dierbaar en dat is het verhaal ‘De storm’ uit de bundel ‘De kaneelwinkels’. Dit verhaal heb ik drieëndertig jaar geleden bewerkt voor theater en samengevoegd met het toneelstuk ‘De storm’ van Shakespeare. Ik volgde in die tijd de regie-opleiding aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten en als stage in mijn tweede jaar deed ik een regie aan het A. Roland Holst College in Hilversum.

Op deze school had ik na audities vijftien leerlingen geselecteerd met wie ik de voorstelling maakte voor het jaarlijkse evenement ‘De Grote Avond’. Alle spelers hadden dubbelrollen; één personage in Schulz’ ‘Storm’ en één personage in Shakespeares ‘Storm’. De prachtige kostuums werden ontworpen door Maria van der Woude.

Kostuumontwerpen van Maria van der Woude voor ‘De Grote Avond 1987’

Ik had natuurlijk voor alleen Shakespeares versie van ‘De storm’ kunnen kiezen; een beproefde theatertekst die op zich al genoeg mogelijkheden biedt om als jonge regisseur mijn tanden in te zetten. Maar mijn uitgangspunt was het verhaal van Schulz. In dit verhaal  – dat u hier kunt beluisteren op mijn Man van Taal-kanaal – wordt beschreven hoe een zware storm drie dagen en drie nachten om het huis van de verteller raast.

Illustratie uit ‘Sanatorium Clepsydra’, Bruno Schulz, 1937

In zijn prachtige, bloemrijke taal schetst Schulz de onmetelijkheid van de storm: ‘De nacht brak aan. De storm nam in kracht en onstuimigheid toe, groeide mateloos en omvatte het gehele uitspansel.’ De verteller, een kind wiens vader nog niet thuis is, vraagt zich af of de stad er nog wel is. ‘Misschien waren de stad en het marktplein er echt niet meer en omringden de storm en de nacht alleen ons huis met zwarte coulissen vol geloei, gefluit en gejammer.’

Binnen is het licht en helder. ‘Adela stampte kaneel in een welluidende vijzel.’ Het lijkt een veilige haven, maar tante Perazja, die door de storm heen op bezoek is gekomen, krijgt een plotselinge woedeaanval die zo heftig is dat ze er letterlijk aan opbrandt. Ze rent scheldend en vloekend rond ‘…om ten slotte, alsmaar krimpend, ergens in een hoek zwart te worden, als rimpelig, verschroeid papier om te krullen, tot een asvlok weg te smeulen, tot stof en niets te verpulveren.’

In mijn regie van ‘De Grote Avond 1987’ had ik Schulz’ verhaal als een raamvertelling om ‘De storm’ van Shakespeare heen gelegd. Ik had voor de voorstelling de beschikking over het enorme toneel van het Gooiland Theater in Hilversum. Het enige decorstuk was een bed (op wieltjes) van het meisje Miranda. Die grote, lege ruimte van het toneel werd helemaal gevuld en bezield met de energie van de vijftien jonge acteurs die de sterren van de hemel speelden.

Het stuk opende met de Schulzpersonages, inclusief tante Perazja, die één voor één opkomen terwijl Miranda in bed ligt. Buiten stormt het. De gasten komen voor vaders verjaardag, maar hij is er nog niet. Als de gasten in hun koffiekopjes roeren (13 klingelende koffiekopjes op het toneel), valt Miranda in slaap. Nu komen we terecht in Shakespeares ‘Storm’, met Miranda en haar vader, de tovenaar Prospero.

Prospero laat een storm razen en een schip vergaan, de schipbreukelingen spoelen aan op zijn eiland. Onder hen is de jongeling Ferdinand, die het hart van Miranda zal stelen. Prospero heeft voor zijn toverkunsten de beschikking over geesten, aangevoerd door de hoofdgeest Ariël. Deze negen geesten – onzichtbaar voor de andere personages, maar wel zichtbaar voor het publiek – waren in mijn regie voortdurend aanwezig op het toneel. Ze spraken bijna niet, maar gaven met hun gedrag (komisch) commentaar op de gebeurtenissen.

Scene uit ‘De Grote Avond 1987’, Prospero en de geesten
Scene uit ‘De Grote Avond 1987’, de geesten bespelen de schurk als een marionet

De geesten doen van alles: ze maken de storm met potten en pannen en een fiets die aanloopt. Wanneer Miranda haar vader troost, die vertelt over zijn verbanning naar het eiland, snellen alle geesten toe en vormen een grote knuffelberg met Miranda en Prospero. Om de opstandige en bijgelovige knecht Calibaan (een reïncarnatie van tante Perazja) angst aan te jagen, scheren ze op snelle skateboards over het toneel als hij zijn scheldtirades tegen Prospero houdt.

Bij de eerste ontmoeting tussen Miranda en Ferdinand kijken de geesten, als een mooi uitgelijnd corps de ballet, op de achtergrond toe. En in de apotheose – een typisch Shakespeareaans toneelstuk ín het toneelstuk – laten zij Calibaan en zijn kompanen bewegen als marionetten in een poppenspel.

Ik vermoed dat als ik Schulz niet had gebruikt als inspiratie voor deze voorstelling, ik nooit een enscenering had gemaakt die zo vrij en vol beweging was. Ik benutte alle mogelijkheden die ik had om de grote ruimte van het toneel te “vullen” met deze jonge, energieke cast. Ze buitelden over het toneel, vormden kluwens, waaierden weer uiteen en gaven met hun aanwezigheid een grotere betekenis aan de scènes. Kortom, ze vergrootten de magie van het theater.

De woorden van Schulz scheppen een grenzeloze ruimte. De grenzeloosheid van de verbeelding was terug te zien in mijn enscenering van ‘De storm’.

In de maand april plaats ik elke woensdag een voorgelezen verhaal van Bruno Schulz op het Man van Taal-kanaal, mijn eigen Youtube-kanaal. Het meest recente verhaal is ‘De storm’.

No comment yet, add your voice below!


Add a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.