Promenade

Wandelingen, zo noem ik mijn lezingen graag. Als ik een lezing geef, wandel ik met mijn gehoor door het leven van een kunstenaar en ontdek hoe in verschillende periodes bepaalde kunstwerken ontstaan. Zo ontrolt zich in mijn lezing het verhaal van een kunstenaar.

Mijn nieuwste lezing Mee naar huis heeft een ander uitgangspunt. Dit keer gaat het niet om één kunstenaar, maar om 76 kunstwerken die samen de expositie EIGEN+BEELD vormen. In mijn lezing pik ik er vijftien uit. Bij elk van die kunstwerken vertel ik wat meer over het leven en werk van de kunstenaar. Vaak citeer ik wat hij of zij zelf over de kunst of over zichzelf heeft gezegd.

Expositie EIGEN+BEELD, museum Beelden aan Zee

Het principe van de wandeling is er in de lezing Mee naar huis nog steeds; ik wandel nu van het ene kunstwerk naar de andere en neem bij ieder kunstwerk een zijpad naar het leven van de kunstenaar. Dan keren we weer terug en gaat de promenade verder, naar het volgende kunstwerk. De promenade wordt steeds meer gekleurd door de voorgaande kunstwerken.

Dat is wat de Russische componist Modest Moessorgski doet in zijn muziekstuk De schilderijententoonstelling uit 1874. In deze oorspronkelijk voor piano geschreven compositie horen we hoe een bezoeker, c.q. Moessorgski zelf, door een schilderijententoonstelling loopt. De bezoeker heeft een eigen muzikaal thema, de Promenade, dat telkens onderbroken wordt door de thema’s van de diverse schilderijen. Als de bezoeker daarna verder loopt is het Promenade-thema van karakter veranderd.

Portret van Modest Moessorgski, Ilja Repin, 1881

Moessorgski baseerde het stuk op een bezoek dat hij bracht aan een expositie gewijd aan zijn kort daarvoor plotseling overleden vriend Viktor Hartman, schilder en decor- en kostuumontwerper voor opera en ballet. In de uitvoering door pianist Jevgeni Kissin komt de bezoeker opgewekt, een beetje haastig en nieuwsgierig de expositie binnen, zoals te horen is in Promenade I. Na het eerste kunstwerk – een houten notenkraker in de vorm van een Gnoom – klinkt Promenade II droevig. Is de componist plotseling getroffen door het overlijden van zijn vriend?

Als hij het prachtige, zware, in kadans schommelende schilderij De Ossenwagen heeft bekeken, loopt de bezoeker lichtvoetig, bijna zwevend verder. Na het schilderij De Romeinse catacomben klinkt de Promenade vervormd, alsof de bezoeker huiverend verder loopt ‘met de doden in een dode taal’, zoals Moessorgski zelf in de kantlijn van dit deel noteerde.

Het laatste kunstwerk van de schilderijententoonstelling is een apotheose, door pianist Kissin weergaloos gespeeld. De grote poort van Kiev heet dit kunstwerk. Het was een triomfboog voor Czaar Alexander II die een moordaanslag had overleefd. Kissin laat de poort oprijzen in machtig, breed klavierleeuwspel. De poort welft zich over de bezoeker heen, een devote processie klinkt en enorme klokken gaan luiden. In het klokgelui hoor je de Promenade. De bezoeker en het kunstwerk zijn één geworden, de bezoeker gaat op in het verhaal van het kunstwerk.

Het hoeft misschien niet zo romantisch als bij Moessorgski, maar als ik u met mijn lezing kan meenemen op een wandeling door de kunst, waarbij de promenade gaandeweg van karakter verandert en zelf een kunstwerk wordt, ben ik heel gelukkig. Dat kunstwerk neemt u mee naar huis.

De eerste lezing Mee naar huis is op zondag 25 oktober in de bibliotheek van museum Beelden aan Zee. Informatie en reserveren: zie Agenda.

Woud van verhalen

De nieuwe expositie in museum Beelden aan Zee heet voluit EIGEN+BEELD, Moderne sculptuur museaal en particulier verzameld. Min of meer noodgedwongen door de coronabeperkingen dook het museum in zijn eigen depot en heeft daar de mooiste werken uit opgediept die nu in een prachtige opstelling een woud van verhalen vormen.

Veel van de kunstwerken zijn aan het museum geschonken door particuliere verzamelaars en de expositie is dan ook een ode aan deze ruimhartige kunstliefhebbers. Om te beginnen natuurlijk aan Theo en Lida Scholten, de stichters van museum Beelden aan Zee, die hun collectie hier in 1994 onderbrachten. Veel particuliere verzamelaars volgden hun voorbeeld en schonken werk aan het museum, waardoor het ‘gewone’ publiek kennis kan maken met de kunst en de verhalen die erin schuilgaan.

Expositie EIGEN+BEELD, museum Beelden aan Zee

In de mooie, lichte zaal van het museum staan ruim zeventig kunstwerken van evenzovele kunstenaars in een opstelling die op mij de indruk maakt van een bos. In clusters dicht bij elkaar, of juist verspreid in de ruimte, staan beelden van allerlei materialen en afmetingen. Veel beelden staan op hoge sokkels, waardoor het gevoel versterkt wordt van een woud waar je doorheen kunt dwalen.

Expositie EIGEN+BEELD in museum Beelden aan Zee

De expositie bestrijkt grofweg vijf cultuurperioden uit de recente Nederlandse geschiedenis, maar in de catalogus wordt de bezoeker uitgenodigd zelf aan het rubriceren te slaan. De opstelling is vrij en associatief; wandel door het bos en maak je eigen verhaal, lijkt de expositie te zeggen.

De vormgeving van de expositie – vormgeving die bepaalt welk gevoel je krijgt als je er rondloopt – is van Bart van den Tooren, die ook mijn boek Tot de verbeelding heeft vormgegeven. Op de tentoonstelling voel je de vrijheid om te kijken en je eigen verhalen te maken en die vrijheid zit ook in mijn boek. Ik zag zelfs dezelfde kleurschikking in de expositie; het geel van de sokkels en de panelen, geraffineerd door het grijs van de ruimte gestrooid, komt in mijn boek terug. Ik had het gevoel op de expositie in mijn boek te wandelen.

Boek Tot de verbeelding

Voor Tot de verbeelding heb ik ook de mooiste blogs uit mijn ‘depot’ opgediept en samengebracht in een bloemlezing waar je doorheen kunt dwalen. Ik schrijf over heel verschillende onderwerpen; van de bevrijdende Nana’s van Niki de Saint Phalle tot Rembrandts Handen en van de Sehnsucht van bloeiende linden tot een brutaal schrijvertje dat plat Haags spreekt. Ik hoop dat de lezer zelf zijn of haar verhalen maakt naar aanleiding van de onderwerpen die ik aandraag.

Over de expositie EIGEN+BEELD geef ik deze winter weer een lezing in museum Beelden aan Zee. De titel is Mee naar huis en de lezing gaat over de kunstwerken die je ‘mee naar huis neemt’ als je door het woud van verhalen hebt gedwaald. Door de coronabeperkingen zal de lezing onder andere omstandigheden plaatsvinden; ik zal spreken voor kleinere groepen en soms op andere locaties en tijden (zie Agenda). Maar de verhalen gaan door.

Mijn boek Tot de verbeelding is te koop via de pagina Boek van deze website en in de museumwinkel van Beelden aan Zee.

De verbeelding aan de macht

Mijn boek Tot de verbeelding is er! Ik ben apetrots. Vanaf vandaag is het boek te verkrijgen via de pagina ‘Boek’ op deze website. Ook via de museumshop van Beelden aan Zee en na afloop van mijn lezingen kunt u het boek kopen. Het boek is een bloemlezing van mijn mooiste blogs van de afgelopen zeven jaar. Blogs die tot de verbeelding spreken. Ik heb deze Man-van-Taalpareltjes opgedoken uit de zee van online teksten; de verbeelding aan de macht!

In januari ben ik begonnen met het maken van dit boek en van het begin af aan heb ik het gevoel gehad dat er een zegen op rustte. Iedereen die ik benaderde om eraan mee te werken reageerde enthousiast en zette zich met liefde en toewijding in voor het boek. Zo kreeg Tot de verbeelding zijn glans. Ik ben ze allen heel dankbaar.

Allereerst was daar Louise Bos, uitgever in hart en nieren. Ik vroeg haar mij te adviseren over het maken van een boek en met groot enthousiasme nam ze de rol van uitgever op zich. Ze was mijn belangrijkste sparring partner over de keuze, de redactie en de opmaak van de teksten. Ze maakte de planning, benaderde mensen uit haar netwerk, hield de begroting in de gaten en zag toe op de optimale uitvoering van het drukwerk. Ik voelde mij schipper naast God, met dien verstande dat we heel vrolijke en ontspannen overleggen voerden.

Over het hartverwarmende contact dat ik had met de Spaanse kunstenaar Juan Ripollés en zijn vrouw Pilar heb ik al eerder geschreven. Hun genereuze toestemming om Ripollés kunstwerk Guerrero te gebruiken voor de cover van mijn boek was ontroerend. Ik koester het certificaat dat Pilar mij stuurde met de beverige, maar speelse handtekening van de 88-jarige kunstenaar.

Illustratie van Peter Oosterhout bij het hoofdstuk ‘Hans Arp’

Illustrator Peter Oosterhout was mij aangeraden door een vriendin. Ik had zijn website bekeken en zocht hem vlak voor corona op in zijn woning in Amsterdam. De hele middag hebben we zitten praten. Ik vertelde over Ripollés’ ‘mannetje’ en over de kunstenaars die in mijn blogs aan de orde komen. Over de vogels uit mijn natuurblogs en over de onderwerpen uit het taal-hoofdstuk. Hij luisterde intens en maakte een mooie proeftekening.

Twee maanden later waren de tekeningen klaar. Ik was verrukt! De fijnzinnige tekeningen van Peter Oosterhout geven een prachtige extra lading geven aan de onderwerpen in het boek. Ze gunnen je een blik in de mysterieuze wereld van de kunst, de natuur en de taal; werelden waarin het ‘mannetje van taal’ zijn ontdekkingsreizen onderneemt.

Louise had ontwerper Bart van den Tooren benaderd om het boekontwerp voor zijn rekening te nemen. Heel eervol voor mij dat de man die de catalogi van museum Beelden aan Zee ontwerpt nu ook mijn boekje wilde maken. En wat is het mooi geworden; de kleurkeuze, het lettertype, de lay-out, het boek straalt!

Op de cover staat Ripollés’ mannetje heel mooi in reliëf in het dikke, bobbelige papier van het originele kunstwerk, dat boven mijn bank hangt. De textuur van het coverbeeld is perfect in de foto gevangen door mijn buurvrouw Marijke Aveling, die met haar subtiele foto’s het woord gevoelige plaat alle eer aan doet.

En dan was er nog de welwillendheid van museum Beelden aan Zee. Tot over hun oren zaten ze in de corona-sores toen Louise het plan indiende om het boek uit te geven als museumboek. Ze gingen er mee akkoord! De bloemlezing van mijn blogs gaat de geschiedenis in als een uitgave van museum Beelden aan Zee.

Dankzij deze crew is het boek geworden tot wat het nu is; een stralende oproep tot de verbeelding. Bestel het via de pagina ‘Boek’.

¿Guerror? ¡No: Guerrero!

Op het omslag van mijn boek – dat zeer binnenkort verschijnt – staat een kunstwerk waar ik erg aan ben gehecht. Het is een materie-ets (grabado matérico) van de Spaanse kunstenaar Juan Ripollés. In 1998 kocht ik dit kunstwerk in een galerie in Amsterdam. Ik had in de etalage een andere materie-ets van Ripollés gezien, maar toen ik dit mannetje zag met zijn gouden schild en zijn onbevangen optimisme, was ik verkocht.

De galeriehoudster zei dat de titel Guerror was en zo heb ik hem altijd genoemd. Ik koesterde mijn guerror en gaf hem een ereplaatsje boven de bank. Toen ik in 2015 begon als Man van Taal wist ik meteen: dit mannetje moet mijn beeldmerk worden. Hij is ondernemend, hij praat met een vurige tong en draagt de zon op zijn hoofd. En hoewel hij vervaarlijk met een mes zwaait, straalt hij toch eerder enthousiasme uit dan agressie.

De ‘Guerrero’ boven mijn bank. Foto: Berend van Dooren

Het lichaam van de Guerror is gemaakt van oud roest, heel sympathiek, en zijn beentjes zijn een hoefijzer. Hij is afgedrukt in door Ripollés zelfgemaakt dik papier met een bobbelige, oneffen textuur. Er zit beweging in het papier en daardoor komt het mannetje in zijn omgeving tot leven.

Om dit beeld als cover voor mijn boek te kunnen gebruiken heb ik in februari dit jaar contact gezocht met Juan Ripollés. De kunstenaar, geboren in 1932, is nog steeds actief, getuige de prachtige filmpjes die te zien zijn op zijn website ripolles.es. Als een oude hippie (hij draagt bloemen in zijn warrige grijze baard en een zelfgefabriceerd hoofddeksel met twee ‘antennes’) staat hij daar vrijwel naakt tegenover het lege doek om te voelen wat er ontstaat.

Op mijn verzoek om de ets te mogen gebruiken voor mijn boek kwam een ontroerend warmhartige reactie van Juan Ripollés en zijn vrouw Pilar Gimeno. Ze gaven me toestemming om het beeld gratis te gebruiken. Over die toestemming heb ik eerder geschreven in het blog Mijn Boek. Maar door het contact met Ripollés kreeg ik nog een cadeau, want nu pas hoorde ik hoe de kunstenaar zelf zijn mannetje noemde: Guerrero.

Als Man van Taal heb ik een verbazend slecht gevoel voor de Spaanse taal en aanvankelijk dacht ik dat guerrero misschien hetzelfde betekende als guerror maar dan in dialect. Maar wat bleek toen ik de vertaling opzocht: het mannetje is niet een guerror, een krijger, maar een guerrero, een stríjder. Een hemelsbreed verschil en gevoelsmatig voor mij ook veel meer kloppend met het onbevangen optimisme dat het figuurtje uitstraalt.

Het is geen bloeddorstige krijger, die zich gewapenderhand een weg door het leven baant, nee, het is een strijder, een mannetje dat ergens vóór strijdt. Deze guerrero strijdt voor de verbeelding. ‘Tot de verbeelding’ is zijn strijdkreet: gebruik je verbeelding, vertrouw op je verbeelding, ga het leven aan met verbeelding.

Een toepasselijker beeld had ik mij niet kunnen wensen als cover voor mijn boek. Over 10 dagen komt het boek ‘Tot de verbeelding’ uit. U krijgt van mij bericht!

De tweede Arpgolf

Naar het zich laat aanzien komt er een tweede golf gedichten en beelden van Hans Arp. Ik heb contact gelegd met het Diamanttheater uit Mariahoeve om deze zomer in de open lucht, bij het standbeeld Scrutant l’horizon (Turen naar de horizon), een aantal van Arps gedichten voor te dragen. Wie weet komt daar een mogelijkheid uit voort mijn lezing opnieuw te geven als de coronamaatregelen voor het theater worden versoepeld.

Bovendien ben ik gevraagd om in januari 2021 de opening van een expositie in Pulchri op te luisteren met een aantal gedichten van Hans Arp. Heel graag rakel ik mijn oude liefde voor Arp weer op. Ik ben in zijn omvangrijke poëtische oeuvre gedoken en hij weet me opnieuw te raken met zijn dromen, beelden en gedichten.

Arp gebruikt het begrip ‘Arpeiron’, een grappige verbastering van het filosofische ‘A-peiron’, het On-bepaalde, het On-gevormde, het On-begrensde. Het is een bron van oer-energie waar alles wat er is uit voortkomt en na het vergaan weer naar terugkeert. Volgens Arp kan de kunstenaar al dromend uit deze bron putten en zijn kunstwerken laten ‘groeien’.

In het museum van de Fondation Arp: Coupe chimérique, gips, 1947.

Het mooie is dat Arp die gedachte van Arpeiron ook doortrekt tot ‘de andere kant’ van kunst; die van de toeschouwer. Bij de oprichting in 1964 van de Fondation Arp, de stichting die het artistieke werk van Arp beheert, werd door Arp zelf de regel geformuleerd dat het publiek de kunst niet moet bekijken door ‘het filter van de cultuur’, maar onbevangen als een kind. Het On-bepaalde, het On-gevormde, het On-begrensde, kortom het Arpeiron, is dus niet alleen een bron van waaruit je schept, maar ook een bron van waaruit je waarneemt.

Met andere woorden; ook als toeschouwer draag je die oer-energie in je. Het waarnemen van kunst, of het waarnemen in het algemeen, is geen passief, consumptief proces. Het is een scheppende kracht. Dat is wat ik zo mooi vind aan het werk van Arp. Het doet een appèl op de scheppende kracht in de kunstenaar én in de kunstbeschouwer. Hoe kan ik niet verliefd worden op zo’n man?

Als er één ding is dat ik wil met al mijn lezingen en al mijn blogs, dan is het onbevangen naar kunst kijken, zo formuleer ik mijn ‘missie’ in mijn Arplezing. Ik nodig mijn gehoor uit hun waakverstand op een laag pitje te zetten en hun droomverstand wijd open. Dan kom je het dichtst bij de oer-energie; het Arpeiron.

Mijn boek Tot de verbeelding opent met drie blogs die ik over Arp schreef in de tijd dat ik werkte aan de lezing Hans Jean Arp – dromen, beelden, gedichten. Het is toeval dat dit de eerste blogs van het boek zijn – de onderwerpen zijn gerangschikt op alfabet – maar het is wel een mooi toeval dat Arp de toon voor mijn boek zet.

Illustratie van Peter Oosterhout voor het hoofdstuk ‘Arp’ in het boek ‘Tot de verbeelding’

Illustrator Peter Oosterhout heeft heel treffend mijn liefde en bewondering voor Arp in beeld gebracht. Met als uitgangspunt Arps bekende zelfportret, de foto ‘Hans Arp met navelmonocle’ uit 1927, zweeft daar het hoofd van Arp met vloeiende en natuurlijke vormen. Een muis, een vis met poten, een pauw (?) en nog een vogel zijn te ontdekken in het hoofd van Arp.

Met een groot, dromerig oog kijkt Arp ons aan, het andere oog gaat schuil achter de navelmonocle. Het ‘mannetje van Taal’ staat voor het hoofd in zijn Tot-de-verbeelding!-houding. Hij kijkt bewonderend op naar Arp. Het ronde schild in de hand van het mannetje vormt een mooi beeldrijm met de navelmonocle.

De tweede Arpgolf; hij komt eraan. Houd de agenda in de gaten!

 

 

Verbeelding, aan Zee

Het boek dat ik aan het maken ben, de bloemlezing van mijn blogs, krijgt de titel Tot de verbeelding. Het ‘titelverhaal’ is het blog Tot de verbeelding dat ik in 2018 schreef in de aanloop naar mijn lezing Hans Jean Arp – dromen, beelden, gedichten.

Hans Arp met navelmonocle, 1926

In dat blog stel ik dat Arp schrijft ‘tot de verbeelding’; zijn poëzie brengt een onophoudelijke stroom beelden op gang. Als in een droom vloeien de beelden uit elkaar voort. Arps poëzie is heel goed te volgen met je ‘droomverstand’ – dus níet met je analytische waakverstand. In mijn lezing nodig ik het publiek uit hun waakverstand op een laag pitje te zetten (de ‘waakvlam’) en hun droomverstand wijd open.

Arp jaagt als het ware je verbeelding aan met zijn prachtige, naïeve, vloeiende beelden. Ik streef ernaar om net als hij de verbeelding aan te wakkeren met de verhalen die ik vertel in mijn blogs en lezingen. Net als Arp spreek en schrijf ik tot de verbeelding.

Als voorbeeld van Arps tot de verbeelding geschreven poëzie citeer ik in het blog gedeeltes uit zijn gedicht Gislebertus d’Autun. Dit gedicht uit 1962 is een hommage van Arp aan de twaalfde-eeuwse beeldhouwer Gislebertus die de kathedraal van Autun in Frankrijk voorzag van schitterende beeldengroepen. Met zijn kenmerkende mix van humor, verwondering en spiritualiteit beschrijft Arp de wereldberoemde beelden die de kerk van binnen en van buiten sieren.

Een van de bekendste beelden van Gislebertus is de Eva. Dit beeld geldt als het mooiste romaanse beeld van een vrouwelijk naakt. Eva ligt op haar rechterzij, ze ondersteunt haar hoofd met haar rechterhand. Haar prachtige gezicht heeft een uitdrukking die het midden houdt tussen verleidelijkheid en onschuld. Haar ragfijn uitgekamde haar vergroot de bekoring die er van haar uitgaat. Bijna ongemerkt, ‘achter haar rug’, plukt ze de appel van een takje dat de slang haar met zijn klauw aanbiedt.

Eva, Gislebertus, rond 1130

Deze Eva, die ik ‘in levende lijve’ heb gezien toen ik in 2006 Autun bezocht, zag ik later terug in museum Beelden aan Zee. In de Zeezaal, de mooiste zaal van het museum, werd ik getroffen door de Sluimerende Venus van Jan Meefout. Het beeld ligt op een ereplaats de rustende godin waardig; achter haar opent zich het duin en zie je de eeuwig ruisende zee.

Sluimerende Venus, Jan Meefout, 1984

De gelijkenissen tussen Gislebertus’ Eva en Meefouts Venus zijn frappant. Ook Venus ligt bevallig op haar rechterzij, en net als bij Eva is haar bovenlijf een kwart slag gedraaid ten opzichte van haar benen. Venus heeft zich nog iets behaaglijker uitgestrekt, ze ligt plat op haar rug en heeft haar heupen naar ons toe gedraaid. Eva ligt op haar zij met haar borsten naar ons toegedraaid, terwijl haar benen (haar schaamstreek gaat schuil achter gebladerte) naar beneden zijn gedraaid.

En hoewel Venus haar ogen gesloten houdt, heeft ze toch een verleidelijk onschuldige bekoring. Haar haar is weelderig gedrapeerd over haar rechterarm die ze onder haar hoofd houdt. Opvallend is dat zij haar linkerhand niet op haar heup of in haar schoot laat rusten, maar achter haar rug houdt. Net als Eva!

Publiekslieveling Venus is zo populair dat ze het zelfs tot beeldmerk van het museum heeft geschopt; Meefouts Venus aan Zee heeft jarenlang de plastic tassen van de museumshop en de dienblaadjes van het museumcafé gesierd.

Venus ligt op een sokkel met zeezand, waar speelse vingers vaak verleidelijke kringen in tekenen. Geboren uit zonnegloren is ze, en een zucht van de ziedende zee. Ze droomt, Venus, ze droomt van de tijd dat wij weer terug zullen zijn in het museum om ons weer over te geven aan de Verbeelding, aan Zee.

Mijn Boek

Al zeven jaar schrijf ik blogs, drie keer per maand. Ik vind het heerlijk om in kort bestek een verhaal te vertellen over een onderwerp dat me op dat moment bezighoudt. Met mijn woorden schep ik een versie van dat onderwerp, een ‘werkelijkheid’ om met Bruno Schulz te spreken.

De eerste blogs publiceerde ik op mijn website GUT Taalgevoel. De onderwerpen waren toen meestal ‘talig’; het ging over manieren waarop mensen zich uitdrukken, in het dagelijkse taalgebruik en in de literatuur. Ook schreef ik over wetenschappelijk onderzoek naar taal dat mij verbaasde, bijvoorbeeld over het onderzoek naar de Jahai-sprekers, die woorden hebben voor geuren (mijn blog Het ruikt LTPIT van 1 maart 2014).

flyers en studiemateriaal van mijn lezingen

Sinds 2015 ben ik meer over kunst en over de natuur gaan schrijven. Die blogs publiceerde ik op mijn huidige website manvantaal.com. Vanaf die tijd ging ik ook lezingen en excursies organiseren, die een rijke bron vormen voor mijn blogs. In de periode dat ik een lezing voorbereid en gedurende de tijd dat de lezing loopt, put ik altijd veel inspiratie uit het leven en het werk van de betreffende kunstenaar.

Drie blogs per maand in een periode van zeven jaar; dat levert meer dan 250 blogs op. Ik heb besloten een bloemlezing van die blogs te gaan samenstellen. Van elke kunstenaar over wie ik een lezing heb gegeven kies ik de drie mooiste blogs uit. Plus nog drie blogs over taal en drie over natuur. Die 21 blogs worden gebundeld in mijn boek dat de titel krijgt: Tot de verbeelding.

Op de cover komt het beeld dat al jaren mijn beeldmerk vormt; de materie-ets Guerror van de Spaanse kunstenaar Juan Ripollés. Dit ‘mannetje’ hangt bij mij boven de bank en is voor mij de belichaming van Man van Taal. Met een naïeve levenslust en een grappig optimisme trekt hij de wereld in, terwijl hij de strijdkreet slaakt ‘Tot de verbeelding!’

Voor het aanvragen van de rechten op het gebruik van deze materie-ets had ik in februari een bijzondere correspondentie met Ripollés via zijn partner Pilar Gimeno. In hartverwarmende Spaanse mails gaf zij me namens de inmiddels 88-jarige Ripollés toestemming zijn beeld te gebruiken. Ik kreeg een officieel certificaat met een prachtige handtekening van de oude meester.

(l) ‘Guerror’, materie-ets van Juan Ripollés en (r) certificaat met de handtekening van Ripollés

Juan Ripollés is een kunstenaar van de generatie van Niki de Saint Phalle. Hij werd geboren in 1932 en is door en door Spaans én een onvervalste hippie. Een van mijn eerste blogs als Man van Taal is gewijd aan de materie-etsen van deze bijzondere kunstenaar, die met zijn naïeve Guerror al vanaf 1998 mijn hart had veroverd (het blog Ripollés van 10 april 2015)

Op de eigen website van Ripollés is een mooi filmpje te zien waarin hij, slechts gekleed in een tanga-slip en met zijn typische hoofdbedekking met de twee ‘hoorntjes’, voor het grote, lege doek staat in de brandende Spaanse zon. Hij ‘voelt’ het schilderij en gaat dan aan het werk waarbij de pigmenten letterlijk door de lucht vliegen. Wolken blauw, geel en groen waaruit het schilderij opbloeit.

Ik was ontroerd door de generositeit en ongekunsteldheid waarmee Ripollés en Pilar mij het gebruik van zijn Guerror schonken. De warmte van zijn werk sprak door in dit gebaar. Met de zegen van Ripollés moet mijn boek wel een succes worden. De komende maanden ga ik er aan werken. Ik verwacht dat het aan het eind van de zomer klaar is. Ik houd u op de hoogte.

Het geniale tijdperk

Zelfportret, Bruno Schulz, 1919

Op zaterdag 25 april verscheen in Trouw voor de laatste keer een Klein Verslag van columnist Wim Boevink. De auteur ging met pensioen. Ik heb zijn stukjes altijd met veel belangstelling gelezen. Of meer dan dat; zijn ‘kroniek’ zoals hij het zelf noemde, vormde een grote inspiratiebron voor mij. De observerende, bespiegelende stijl waarmee hij alledaagse dingen beschreef, waren vaak een oase in de woestijn van heftige en opiniërende artikelen van het dagelijkse nieuws.

Wim Boevink, foto: Werry Crone

Uit het Klein Verslag van 12 mei 2016 haalde ik het motto voor mijn eigen blogs en lezingen: ‘Niet de gebeurtenis zelf is belangrijk maar de ervaring ervan, de poëzie’. In dit Klein Verslag, dat de titel heeft Dit is geen column, analyseert Boevink zijn eigen rubriek, die toen nog bijna dagelijks op pagina twee van de krant stond, ‘aan de achterzijde van het Grote Nieuws’.

In zijn prachtige stijl beschrijft hij wat zijn kroniek doet:

‘Hier wordt geschetst met een zacht potlood, maar niet zonder contour, zoekend naar een rake lijn, één precies beeld, een ogenblik van waarheid, of de illusie ervan. Dat je een seconde lang denkt: ja, zo is het. Maar niets is zeker. Niet de gebeurtenis zelf is belangrijk – die herhaalt zich maar in het alledaagse – maar de ervaring ervan, de poëzie.’

In de krant van 25 april 2020 gaf Boevink een afscheidsinterview waarin hij zijn eigen werkwijze uiteenzet:

‘Verslaggeven is in de kern: kijken en opschrijven. Heel goed kijken en vooral ook heel goed opschrijven. Dat laatste, die descriptie, mis ik vaak in gewone nieuwsgaring. Goed beschrijven wat je ziet, zonder daar enig oordeel aan te hangen, dat probeer ik te doen.’

Heel aangrijpend waren de Kleine Verslagen die Wim Boevink schreef in de zomer van 2017 rond het overlijden van zijn moeder. In nauwkeurige observaties van zijn eigen gedrag en van dat van de mensen die bij deze gebeurtenis betrokken waren, geeft hij een indringend beeld van dit grote menselijke gebeuren. Ik was er enorm van onder de indruk en heb er een blog aan gewijd: Schoonheid en de dood.

Dat nauwkeurige observeren en dan een rake lijn schetsen – dat je een seconde lang denk: ja, zo is het – dát is wat me zo inspireert in de kronieken van Wim Boevink. Het sluit wonderwel aan bij wat mij aanspreekt in het werk van Bruno Schulz. Ook hij ziet in alledaagse gebeurtenissen een afspiegeling van een grotere poëzie.

Bruno Schulz, 1934

Schulz stelt in zijn essay De mythisering van de werkelijkheid dat als woorden niet meer zakelijk worden gebruikt (zoals in het ‘Grote Nieuws’ zou je kunnen zeggen) ze dan weer naar hun oorsprong willen terugkeren.

‘… dat streven van het woord naar de oorsprong, zijn terugverlangen naar het oervaderland van het woord noemen we poëzie.’

En ook Schulz ziet in kleine, alledaagse gebeurtenissen, die hij op een onbegrensde manier tot leven laat komen, kiemen van wat hij noemt ‘het geniale tijdperk’. Dit is het tijdperk van de onbevangenheid, de openheid voor het mythische aspect van de werkelijkheid. Het geniale tijdperk ligt in de gewone gebeurtenissen besloten.

Schulz formuleert het aldus:

‘Hoewel klein en arm, kan een gebeurtenis, onder de loep genomen, in zijn binnenste toch een oneindig en stralend perspectief openen. We zullen die toespelingen en aardse benaderingen, die stations en etappes op de wegen van ons leven bijgevolg bijeenzoeken als de scherven van een verbrijzelde spiegel. Stukje voor stukje zullen we dat wat één en ondeelbaar is bijeenzoeken – ons grote tijdperk, het geniale tijdperk van ons leven.’

Het tijdperk Klein Verslag is afgesloten, maar zoeken naar de scherven van de verbrijzelde spiegel kunnen we blijven doen. Niet de gebeurtenis zelf is belangrijk – maar de ervaring ervan, de poëzie.
Dank, Wim Boevink. Dank, Bruno Schulz.

Het laatste Bruno Schulz-verhaal dat ik voorlees is een gedeelte van het hoofdstuk ‘Het geniale tijdperk’ uit de bundel ‘Sanatorium Clepsydra.’ Te beluisteren – met 5 andere verhalen van Bruno Schulz – op het Man van Taal-kanaal.

Tijdens het lezen

In het verhaal ‘Het Boek’ van Bruno Schulz zit een zin die ik erg mooi vind en die waarschijnlijk cruciaal is voor het werk van Bruno Schulz: ‘het Geschrift […] ontwikkelt zich tijdens het lezen, zijn grenzen staan naar alle kanten open voor fluctuaties en passages.’

In dit verhaal uit de bundel ‘Sanatorium Clepsydra’ beschrijft Schulz in zijn barokke stijl hoe hij als klein kind met zijn vader meekeek in een boek, waar zijn vader tijdens het lezen prachtige kleuren uit liet ontstaan. Het Boek raakt verloren, maar de verteller meent het terug te vinden als hij een restant van een boek aantreft. De meeste bladzijden zijn er uit gescheurd: ‘Helaas was er amper een dozijn bladzijden over. Geen enkele pagina van de eigenlijke tekst, uitsluitend advertenties en annonces.’

Het zijn annonces en advertenties voor typische producten uit huis-aan-huis bladen van het begin van de twintigste eeuw: een haargroeimiddel, een wonderelixer tegen allerlei kwalen, draaiorgeltjes, ‘echte Kanaries uit de Harz’ en methodes om ‘principes en karakter’ op te bouwen of juist om die te breken: ‘… ene mevrouw Magda Wang […] verkondigde vanuit haar strakke decolleté dat zij gespecialiseerd was in het breken van de sterkste karakters’.

In elk van die annonces, die de verteller leest in de overtuiging dat dit het verloren gegane Boek is, roept Schulz een fantastische en eindeloos uitdijende wereld op. Het haargroeimiddel bijvoorbeeld, wordt aangeprezen door een vrouw genaamd Anna Csillag. ‘Door een beschikking van de Voorzienigheid was Anna Csillag getroffen door een zwakke haargroei.’ Maar door het haargroeimiddel, dat zij zelf bereid heeft, groeit haar haar weer en hangt tot op de grond. ‘Anna Csillag werd de apostel van de harigheid. […] ze vroeg, verzocht, smeekte iedereen om voor zijn verlossing dit godsgeschenk aan te nemen, dit wondermedicijn waarvan alleen zij het geheim kende.’

illustratie uit het verhaal ‘Het Boek’, Bruno Schulz, 1937

Ook de andere annonces komen tot leven in groteske figuren en poëtische beschrijvingen. De draaiorgeltjes, die door ‘onooglijke grijsaards’ worden bediend, ‘begonnen aan hun melodie, niet bij het begin, maar daar waar ze gisteren waren opgehouden, en speelden: “Daisy, Daisy, antwoord mij toch…”[…] en de gedachten en banale zorgen van de haastige voorbijgangers liepen op haar maat.’

De verteller is er zeker van: ‘Dit was het heilige Origineel, de authentieke tekst…’ Gewone boeken zijn volgens hem slechts meteoren die in hun vlucht verbranden en uitdoven. Nu volgt de crux van de redenering van de verteller: ‘De exegeten van het Boek stellen dat alle boeken naar het Origineel streven. Ze leven slechts een geleend leven dat op het moment van de vlucht naar zijn oude bron terugkeert. Dit betekent dat er boeken verloren gaan, terwijl het Origineel groeit.’

Vervolgens geeft Schulz op een ingenieuze en buitengewoon geestige manier een voorbeeld van hoe deze redenering uitwerkt. ‘Wat volgt hieruit? Welnu, wanneer we ons geschrift de volgende keer openslaan, wie weet waar Anna Csillag en haar getrouwen zich dan zullen bevinden!’. Het verhaal heeft een heel nieuwe wending genomen. Anna Csillag, ‘de langharige bedevaartgangster’, trekt door het land om haar wondermiddel aan de man te brengen. De ‘eerzame baardmannen uit haar stad’ gaan op zoek naar haar. ‘Wie weet, misschien kopen ze allemaal een echt orgeltje uit het Zwarte Woud en trekken daarmee de wereld in, hun apostel achterna, om haar in het land te zoeken, onderwijl overal ‘Daisy, Daisy’ spelend…’

Zij laten hun stad onbeheerd achter, waardoor die ten prooi valt aan ‘twijfel en afvalligheid en haar poorten zou openen – voor wie – ach, voor de cynische en perverse Magda Wang […] die er een school voor het dresseren en breken van karakters sticht.’

Zo laat Schulz het verhaal zich zelf ontwikkelen. ‘Het Origineel leeft en groeit’ iedere keer als hij het geschrift openslaat. ‘En hier wijzen we op een bijzonder kenmerk van het Geschrift, dat de lezer nu al begrijpt: het ontwikkelt zich tijdens het lezen, zijn grenzen staan naar alle kanten open voor fluctuaties en passages.’

Ik ken geen schrijver die zo meesterlijk en met zoveel humor het verhaal zich laat ontwikkelen ‘tijdens het lezen’. Ik lees het u voor en het leeft en groeit.

De grenzeloze ruimte

Van alle verhalen van Bruno Schulz is er een mij bijzonder dierbaar en dat is het verhaal ‘De storm’ uit de bundel ‘De kaneelwinkels’. Dit verhaal heb ik drieëndertig jaar geleden bewerkt voor theater en samengevoegd met het toneelstuk ‘De storm’ van Shakespeare. Ik volgde in die tijd de regie-opleiding aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten en als stage in mijn tweede jaar deed ik een regie aan het A. Roland Holst College in Hilversum.

Op deze school had ik na audities vijftien leerlingen geselecteerd met wie ik de voorstelling maakte voor het jaarlijkse evenement ‘De Grote Avond’. Alle spelers hadden dubbelrollen; één personage in Schulz’ ‘Storm’ en één personage in Shakespeares ‘Storm’. De prachtige kostuums werden ontworpen door Maria van der Woude.

Kostuumontwerpen van Maria van der Woude voor ‘De Grote Avond 1987’

Ik had natuurlijk voor alleen Shakespeares versie van ‘De storm’ kunnen kiezen; een beproefde theatertekst die op zich al genoeg mogelijkheden biedt om als jonge regisseur mijn tanden in te zetten. Maar mijn uitgangspunt was het verhaal van Schulz. In dit verhaal  – dat u hier kunt beluisteren op mijn Man van Taal-kanaal – wordt beschreven hoe een zware storm drie dagen en drie nachten om het huis van de verteller raast.

Illustratie uit ‘Sanatorium Clepsydra’, Bruno Schulz, 1937

In zijn prachtige, bloemrijke taal schetst Schulz de onmetelijkheid van de storm: ‘De nacht brak aan. De storm nam in kracht en onstuimigheid toe, groeide mateloos en omvatte het gehele uitspansel.’ De verteller, een kind wiens vader nog niet thuis is, vraagt zich af of de stad er nog wel is. ‘Misschien waren de stad en het marktplein er echt niet meer en omringden de storm en de nacht alleen ons huis met zwarte coulissen vol geloei, gefluit en gejammer.’

Binnen is het licht en helder. ‘Adela stampte kaneel in een welluidende vijzel.’ Het lijkt een veilige haven, maar tante Perazja, die door de storm heen op bezoek is gekomen, krijgt een plotselinge woedeaanval die zo heftig is dat ze er letterlijk aan opbrandt. Ze rent scheldend en vloekend rond ‘…om ten slotte, alsmaar krimpend, ergens in een hoek zwart te worden, als rimpelig, verschroeid papier om te krullen, tot een asvlok weg te smeulen, tot stof en niets te verpulveren.’

In mijn regie van ‘De Grote Avond 1987’ had ik Schulz’ verhaal als een raamvertelling om ‘De storm’ van Shakespeare heen gelegd. Ik had voor de voorstelling de beschikking over het enorme toneel van het Gooiland Theater in Hilversum. Het enige decorstuk was een bed (op wieltjes) van het meisje Miranda. Die grote, lege ruimte van het toneel werd helemaal gevuld en bezield met de energie van de vijftien jonge acteurs die de sterren van de hemel speelden.

Het stuk opende met de Schulzpersonages, inclusief tante Perazja, die één voor één opkomen terwijl Miranda in bed ligt. Buiten stormt het. De gasten komen voor vaders verjaardag, maar hij is er nog niet. Als de gasten in hun koffiekopjes roeren (13 klingelende koffiekopjes op het toneel), valt Miranda in slaap. Nu komen we terecht in Shakespeares ‘Storm’, met Miranda en haar vader, de tovenaar Prospero.

Prospero laat een storm razen en een schip vergaan, de schipbreukelingen spoelen aan op zijn eiland. Onder hen is de jongeling Ferdinand, die het hart van Miranda zal stelen. Prospero heeft voor zijn toverkunsten de beschikking over geesten, aangevoerd door de hoofdgeest Ariël. Deze negen geesten – onzichtbaar voor de andere personages, maar wel zichtbaar voor het publiek – waren in mijn regie voortdurend aanwezig op het toneel. Ze spraken bijna niet, maar gaven met hun gedrag (komisch) commentaar op de gebeurtenissen.

Scene uit ‘De Grote Avond 1987’, Prospero en de geesten
Scene uit ‘De Grote Avond 1987’, de geesten bespelen de schurk als een marionet

De geesten doen van alles: ze maken de storm met potten en pannen en een fiets die aanloopt. Wanneer Miranda haar vader troost, die vertelt over zijn verbanning naar het eiland, snellen alle geesten toe en vormen een grote knuffelberg met Miranda en Prospero. Om de opstandige en bijgelovige knecht Calibaan (een reïncarnatie van tante Perazja) angst aan te jagen, scheren ze op snelle skateboards over het toneel als hij zijn scheldtirades tegen Prospero houdt.

Bij de eerste ontmoeting tussen Miranda en Ferdinand kijken de geesten, als een mooi uitgelijnd corps de ballet, op de achtergrond toe. En in de apotheose – een typisch Shakespeareaans toneelstuk ín het toneelstuk – laten zij Calibaan en zijn kompanen bewegen als marionetten in een poppenspel.

Ik vermoed dat als ik Schulz niet had gebruikt als inspiratie voor deze voorstelling, ik nooit een enscenering had gemaakt die zo vrij en vol beweging was. Ik benutte alle mogelijkheden die ik had om de grote ruimte van het toneel te “vullen” met deze jonge, energieke cast. Ze buitelden over het toneel, vormden kluwens, waaierden weer uiteen en gaven met hun aanwezigheid een grotere betekenis aan de scènes. Kortom, ze vergrootten de magie van het theater.

De woorden van Schulz scheppen een grenzeloze ruimte. De grenzeloosheid van de verbeelding was terug te zien in mijn enscenering van ‘De storm’.

In de maand april plaats ik elke woensdag een voorgelezen verhaal van Bruno Schulz op het Man van Taal-kanaal, mijn eigen Youtube-kanaal. Het meest recente verhaal is ‘De storm’.