Verbeeldingskracht

‘Wij maken ons bestaan door onze verbeeldingskracht.’ Deze prikkelende zin kwam uit de mond van Bas Heijne in het gesprek in de Haagse Duinzichtkerk op 10 oktober. De verbeelding maakt het leven, volgens Heijne, dat moet je niet overlaten aan de algoritmen en de managers. Ik zat in het publiek bij dit Duinzichtgesprek en Heijnes pleidooi voor de verbeelding was mij uit het hart gegrepen. Mijn boek Tot de verbeelding, dat vorig jaar verscheen, is een statement over de kracht van de verbeelding. Op de cover staat een mannetje dat roept: ‘Tot de verbeelding!’ Á l’art in plaats van á l’arme!

Net in de week van het gesprek met Bas Heijne was de inlijsting voltooid van de oorspronkelijke illustraties uit het boek Tot de verbeelding. De zeven originele tekeningen van Peter Oosterhout zijn in kleine eikenhouten lijstjes gevat, die in een losse reeks opgesteld staan op een elegant balkje. Zo vormen ze één geheel en zijn ze toch vrij in de ruimte. De levendigheid en de subtiliteit van de tekeningen komen nu volledig tot hun recht.

De zeven illustraties van Peter Oosterhout voor het boek ‘Tot de verbeelding’

Voordat het boek in 2020 verscheen, hadden de illustrator en ik uitgebreid gesproken over de beelden bij de hoofdstukken. In elk van de zeven hoofdstukken gaat het om de verhouding van het ‘mannetje van taal’ op de cover met het thema van het betreffende hoofdstuk (de kunstenaars Arp, Rembrandt, Zadkine, Niki de Saint Phalle en Picasso en de onderwerpen Natuur en Taal).

In zeven schitterende, fijnzinnige tekeningen heeft Peter Oosterhout die vervlechting weergegeven; het mannetje gaat, in verschillende gedaantes, op in de wereld van de kunstenaar. Daarbij is telkens één aspect uit de kunst uitgelicht, een aspect dat het meest tot de verbeelding spreekt. Bij Rembrandt zijn dat de handen, bij Niki de betoverende mozaïeken, bij Zadkine de muziek, enzovoort.

Peter Oosterhout is ook met een mooi werk vertegenwoordigd op de groepsexpositie Het gewicht van woorden, die tot 12 december in de Oranjekerk in Amsterdam is te zien. Tien kunstenaars hebben het gedachtengoed van filosofe Hannah Arendt (1906-1975) verbeeld. Van Peter Oosterhout hangt er een digitale collage met de titel Bij Hannah Arendt aan tafel.

Bij Hannah Arendt aan tafel, digitale collage van Peter Oosterhout

In een fraai uitgelicht decor zit Hannah Arendt als een soort talkshowhost aan een grote ronde tafel. Haar gasten zijn de in een lichtgeel kostuum gestoken wiskundige Alan Turing (1912-1954), de man die de enigma-code kon ontrafelen, en een luid kwakende figuur, een zekere Donald. In de rook van Arendts sigaret staat een van haar beroemdste citaten over de banaliteit van het kwaad. Zoals altijd heeft Oosterhout allerlei elementen en figuren toegevoegd die een rijke wereld vol beelden en associaties oproepen.

Ook Hannah Arendt onderkende de kracht van de verbeelding. Zij stelde vast dat het ontbreken van verbeelding dodelijk is; SS’er Eichmann, wiens proces zij in 1961 volgde, was een onbeduidend mannetje, een boekhouder ‘zonder verbeelding’ die alleen maar regeltjes uitvoerde. Verbeelding is de kracht die we nodig hebben om te leven.

De zeven illustraties uit het boek ‘Tot de verbeelding’

Nu de avonden weer lengen en de feestdagen eraan komen is Tot de verbeelding een heerlijk boek om te lezen, c.q. cadeau te geven. Bestellen gaat eenvoudig via de pagina Boek van mijn website. In december geef ik mijn lezing over Panamarenko, de kunstenaar die ons verlangen om te vliegen verbeeldt. Zie Agenda.

Gevleugeld

Morgen, op 1 oktober, geef ik mijn lezing Rembrandts Handen in Utrecht. Hiermee introduceer ik mijzelf bij Helikon, het instituut dat lezingen houdt over kunst, cultuur en religie. Het thema van Helikon voor 2021/2022 is Vleugels krijgen!, waarin ‘de gevleugelde mens, engelen en ander kunst- en vliegwerk’ centraal staan. Later dit jaar zal ik voor Helikon mijn Panamarenkolezing houden, die ik in opdracht van het instituut heb gemaakt.

Vanwege het thema Vleugels krijgen! heb ik aan mijn Rembrandtlezing twee engelenafbeeldingen toegevoegd. Eén is het schilderij Jakob worstelt met de engel uit 1659 en één is de tekening De aankondiging aan Maria uit 1635. Die tekening kende ik niet, maar ik werd erop gewezen door Heleen Rippen, directeur en programmeur van Helikon.

De aankondiging aan Maria, tekening met pen en inkt, ca. 1635

De tekening is een buitengewoon dynamisch en op het eerste gezicht raadselachtig geheel. Maria lijkt ineen te zijgen in een wolk van plooien van haar gewaad. Of wendt ze zich af van de engel die met zijn brede vleugels over haar heen gebogen staat?  De handen zijn in deze tekening niet heel duidelijk, maar de gezichten wel. Maria heeft de ogen neergeslagen, of zelfs dicht, maar haar gezicht drukt geen angst uit. De engel kijkt met een intense, maar zachtaardige blik naar Maria.

Het afwerende gebaar dat je zou kunnen zien in de houding van Maria deed mij denken aan Rembrandts ets Christus in de hof van Gethsemane. Op deze ets uit 1652 zien we Christus geknield in de hof van Gethsemane. Hij verkeert in grote nood en bidt om niet te worden gekruisigd. Een engel knielt bij Christus, maar net als in de tekening De aankondiging aan Maria lijkt het of Christus Zijn hoofd van de engel afwendt.

Christus in de hof van Gethsemane, ets, 1652

In beide scènes staan de figuren (Maria en Christus) voor een ingrijpend moment in hun leven en geeft Rembrandt weer hoe ze worstelen met dit moment. Het verschil is dat de engel in de hof van Gethsemane geen boodschapper is. Christus weet al dat Hij zal sterven. De engel is hier een ondersteunende en liefdevolle figuur die Hem de kracht geeft om Zijn lot te dragen. Rembrandt geeft dat letterlijk weer in het been van de engel dat stevig op de grond geplant staat, waardoor hij Christus overeind kan helpen.

In de tekening De aankondiging aan Maria zien we hoe de engel Maria overvleugelt. Zijn boodschap overweldigt haar, ze lijkt uit haar stoel op de grond te zijn gezakt. Er liggen ook een paar slippers en een hondje (?) dat met de kop op de gekruiste voorpoten rustig doorslaapt. Geen paniek dus, maar wel een ontzagwekkend moment, dat Maria op zich moet laten inwerken.

Rembrandt is – en dat laat ik in mijn lezing ook zien – de kunstenaar die de grote momenten uit de Bijbel weet te plaatsen in een gewone, menselijke omgeving. Hij brengt de religieuze verhalen terug tot menselijke proporties, waardoor we ons er meer mee kunnen verbinden.

De lezing Rembrandts Handen, de taal van de handen in Rembrandts werk morgen, 1 oktober, bij Helikon in Utrecht. Zie Agenda.

Montaignes probeersels

Op 1 juni geef ik tussen de beelden van de expositie EIGEN+BEELD in museum Beelden aan Zee nog één keer mijn lezing MEE NAAR HUIS. Die lezing is besloten, maar er wordt een opname van gemaakt. Na 1 juni zal ik de link van die opname bekendmaken, zodat iedereen de lezing online kan bekijken. Voor deze digitale versie van de lezing moest ik hem wat inkorten. Ik heb het verhaal over Montaigne, het grappige én diepzinnige kunstwerk van Eveline van Duyl, uit de lezing gehaald. Maar gelukkig kan ik in dit blog het verhaal alsnog vertellen.

Montaigne, Eveline van Duyl, 2010

Op de expositie kijkt de patchwork-kop van de zestiende-eeuwse Franse filosoof Montaigne je als een soort spitting image al van verre aan. Deze kop uit 2010 is een van de 26 bustes van bekende filosofen die Eveline van Duyl maakte. Van Erasmus tot Wittgenstein, van Maimonides tot Hannah Arendt, alle grote denkers uit de wereldgeschiedenis werden door haar geportretteerd.

Bij elke filosoof koos Eveline van Duyl het materiaal dat ze vond passen bij het gedachtegoed en de persoonlijkheid van de betreffende denker. Heidegger kreeg een loden kop, Sartre een kop van plastisch schuimrubber en bij Montaigne koos ze voor een lappendeken van bontgekleurde stukjes stof die met grove steken aan elkaar zijn gezet.

De Franse humanistische filosoof Michel de Montaigne leefde van 1533 tot 1592. Hij was de eerste filosoof die zijn eigen ervaringen en ideeën als uitgangspunt nam voor filosofie. Montaigne noteerde al zijn observaties in kortere of langere opstellen die hij Essais (Probeersels) noemde. Daarmee was hij de uitvinder van het literaire genre van het essay; een persoonlijk betoog met diepgang. Een literair genre waar ik me erg mee verwant voel.

Montaignes observaties bestreken een breed vlak. Hij schreef over vriendschap, over de boeren die hij op het land zag werken, over zijn nierstenen, over nederigheid; alles gebaseerd op zijn eigen ervaringen en waarnemingen. Volgens Montaigne kan je door zelfonderzoek inzicht krijgen hoe te handelen volgens je eigen aard. Que sçay-je? (Wat weet ik?) was zijn motto en de vorsende blik die Van Duyl aan haar Montaigne heeft gegeven, roept ook op tot streng zelfonderzoek.

Beeld uit een animatiefilmpje over Montaigne in het HUMAN-programma ‘Durf te Denken’ door Sverre Fredriksen en Leander Huizinga

Montaigne bleef zijn leven lang werken aan zijn Essais en ook dat zien we terug in de patchwork-kop van Eveline van Duyl. De bontgekleurde stukken stof zijn met losse steken bijna provisorisch aan elkaar gezet. De Probeersels van Montaigne (het zelfonderzoek) vormen een beweeglijke lappendeken, die almaar wordt herschikt en waar eindeloos op kan worden voortgeborduurd.

Opvallend is dat Eveline van Duyl haar filosofenbustes op strijkplanken heeft gezet. ‘Ik wilde de koppen zo veel mogelijk laten zweven. Het zijn hoofden gevuld met zware gedachtes, maar tegelijk hebben de gedachtes geen soortelijk gewicht. Een idee weegt niks.’ Bovendien, zegt Van Duyl, zijn gedachtes erg vluchtig: ‘Een gedachte is er, en ze is zo weer weg. Eigenlijk net als een strijkplank, die je inklapt en weg zet’.

Eveline van Duyl in haar atelier. Beeld uit documentaire ‘Denkeiland’ van Itamar Kool

Montaigne, de bedenker van de veelkleurige probeersels, komt niet terug in mijn digitale lezing MEE NAAR HUIS. Maar in dit blog kunt u nu wel het mooie filmpje bekijken over de filosofenkoppen van Eveline van Duyl, in 2011 gemaakt naar aanleiding van de expositie Denkeiland in museum Beelden aan Zee.

Mijn lezing MEE NAAR HUIS is vanaf 1 juni online te zien. Ik stuur u binnenkort de link naar de video in een extra editie van de Man-van-Taal-Nieuwsbrief.

Wakker gekust

Er was eens, in een duinpan hier niet zo heel ver vandaan, een verhalenbos; een mooie tentoonstelling die EIGEN+BEELD heette. Je kon er als in een bos ronddwalen tussen de mooiste beelden uit het depot van museum Beelden aan Zee. De tentoonstelling werd in september 2020 geopend, maar door de tweede lockdown die in het najaar over het land uitwaaierde raakte ze in een diepe slaap. Het verhalenbos viel stil.

Ik heb als verteller een lezing gemaakt over de tentoonstelling. MEE NAAR HUIS heet deze lezing, waarin ik op zoek ga naar de verhalen die schuilgaan in de kunstwerken. Verhalen die je mee naar huis neemt als je door het bos hebt gedwaald. Binnenkort geef ik nog één keer mijn lezing en – ook al is het niet voor een live publiek – het verhalenbos zal weer tot leven komen. De gebeurtenis wordt met een camera vastgelegd. De expositie EIGEN+BEELD, een expositie die me na aan het hart ligt, wordt door mij wakker gekust. 

Expositie EIGEN+BEELD met links op de voorgrond: Tête héroïque, 1922, Ossip Zadkine, en rechtsachter: Revolution Kid, 2012, het vosje van Yinka Shonibare

Ik zal weer het verhaal vertellen van Keesje, het diakenhuismannetje, die door Jan Bronner zo treffend is weergegeven op het Hildebrandmonument. En als we verder het verhalenbos binnengaan zal ik opnieuw vertellen waarom de Tête héroïque van Zadkine mij bijna knock-out slaat. En ook het revolutionaire vosje van Yinka Shonibare, die verhalen uit de hele wereld in zich herbergt, komt weer voorbij.

Aan de rand van de open plek midden in het bos zal weer voelbaar zijn hoe naoorlogse kunstenaars als Eugène Dodeigne en Marino Marini in hun werk een geschonden mensbeeld lieten zien. ‘Het werd gebouwd, het ging stuk, een desolaat gezang blijft op de wereld’, zo omschrijft Marini de toestand van de mensheid na de Tweede Wereldoorlog. Maar als we verder lopen in de tijd en in het bos zien we hoe uit de brokstukken weer iets nieuws ontstaat. Nieuwe kunst die klinkt als muziek, zoals bij André Volten en bij de swingende kubussen van Erik van Spronsen.

We zullen nog één keer de filosofische zijpaden betreden in het bos, bijvoorbeeld bij de Zusjes van Karin Arink. Met haar rauwe en poëtische beelden en gedichten onderzoekt zij de vraag: Wat is een lichaam, wat ben ik?

Montaigne, 2010, Eveline van Duyl

De kop van de zestiende-eeuwse filosoof Michel de Montaigne staart je in dit bos al van verre aan. Zijn vorsende blik is een oproep tot een streng zelfonderzoek: Que sçay-je? (Wat weet ik?) was zijn motto. Toch maakt dit patchworkhoofd het je niet al te zwaar; de kunstenaar – Eveline van Duyl – heeft de filosofenkop op een strijkplank gezet, want, zo zegt zij, ‘Ideeën, ook al zijn het zware gedachten, wegen niets en ze zijn vluchtig; je klapt ze in en zet ze weg.’

Aan de rand van het bos, als de verhalen zich weer verwijden, staan de kleurigste kunstwerken. De Gele Berg van Klaas Kloosterboer is oogverblindend, maar wat moet je daar nou van maken? Dat is precies de vraag die de kunstenaar aan de orde wil stellen. Aan het eind van de wandeling door het verhalenbos waag ik mij aan een suggestie; maak een Victory Boogie Woogie. Moderne kunst als muziek. Hoor maar!

Ik kus de expositie EIGEN+BEELD, sluimerend in die prachtige ruimte van Wim Quist, nog één keer wakker. Op 1 juni wordt een opname gemaakt van mijn lezing MEE NAAR HUIS in de Grote Zaal van museum Beelden aan Zee. De lezing is niet toegankelijk voor publiek, maar de opname zal daarna via een link online te zien zijn. Zodra de link van deze videoregistratie beschikbaar is hoort u dat van mij.

Elkaar bijstaan

Al bijna een jaar is ongewild de mens de mens een wolf. Ieder van ons kan drager zijn van het coronavirus, ieder van ons kan de ander besmetten. We bewegen ons behoedzaam in de openbare ruimte, zigzaggend om andere mensen heen. Bospaden dijen uit in de breedte, omdat mensen elkaar op anderhalve meter afstand willen passeren.

Onze mimiek gaat schuil achter mondkapjes en beslagen brillenglazen. Kuchschermen scheiden ons van elkaar. We ontsmetten de winkelwagentjes. We volgen pijlen op de vloer, houden halt bij 1,5-meter-stickers en zitten in wachtruimtes met één stoel tussen ons en de ander.

We stellen onszelf voor met een afstandelijk knikje en begroeten elkaar met een wuivend handgebaar. Geen knuffels, niet even een vriendschappelijke aanraking, geen zakelijke handdrukken, geen arm voor de steun en geen zoen voor de troost. In tegenstelling tot de officiële slogan ‘Alleen samen krijgen we corona onder controle’, werpt deze pandemie je heel erg terug op jezelf. De mens is de mens een wolf. Al bijna een jaar leven we in het boze sprookje van Mondkapje en de Wolf.

Alruinmannetje, uit ‘Hortus sanitatis’, 1491

Ik vond bij Hans Arp een prachtig sprookje dat tegenwicht biedt aan deze desolate wereld. Het sprookje heet Elkaar bijstaan. Het is een poëtisch verhaaltje over een verschoppeling, ein Wurzelgeburt aus dem Walde, door mij vertaald als ‘een wortelgedrocht uit het woud’. Hij deed mij denken aan het alruinmannetje, een klein, plantaardig mannetje waaraan in de middeleeuwen kwaadaardige krachten werden toegeschreven. Het wortelgedrocht wil graag gezien worden door de mensen, hij wil zijn plek in de gemeenschap innemen, maar niemand slaat acht op hem.

Op een dag kruist der schneeweiße Kopf, het sneeuwwitte hoofd, het pad van het wortelgedrocht. Het sneeuwwitte hoofd lijkt een onbereikbare figuur, maar het is iemand met een grote sensitiviteit. Hans Arp beschrijft in zijn meesterlijke stijl hoe het sneeuwwitte hoofd begaan is met het kleine. Hij weet ijle, broze figuren naderbij te lokken (ik zag meteen de fragiele Steltkluut voor me) en heeft oor voor het zachte gescharrel van verlegen draken.

Het sneeuwwitte hoofd richt zich de laatste tijd steeds meer op het kleine Einmaleins. Wat een prachtig woord kiest Arp daar! Das kleine Einmaleins is een rekenmodel waarmee Duitse kinderen op school leren vermenigvuldigen van 1 tot 10. Een beetje zoals wij leerden vermenigvuldigen met de tafels van 1 tot 10. Tegelijk speelt Arp met de associatieve klank van het woord; Einmaleins klinkt als iets onooglijks. Én als iets dat helemaal op zichzelf staat, dat helemaal alleen is.

In een even geestige als evocatieve slotzin schetst Arp hoe de twee tegenpolen; het wortelgedrocht uit het woud en het sneeuwwitte hoofd, toch iets voor elkaar kunnen betekenen, gewoon door welwillendheid. Een hartverwarmend happy end in deze tijd van sociale distantiëring.

Elkaar bijstaan

Aan de mensen die gewichtig voorbij schrijden zou hij graag kleine, benen belletjes hangen. Maar het ontbreekt hem aan moed. Hij is namelijk een wortelgedrocht uit het woud, dat met de nek wordt aangekeken, en daarom waagt hij het niet ook maar iemand zijn benen tranen aan te reiken. Een beetje welwillendheid zou hem, weliswaar onhandig, maar toch huizenhoog doen opspringen. Maar wie heeft er een boodschap aan dat hij huizenhoog springt.

Steltkluut

Dan komt het sneeuwwitte hoofd, stralend als een porseleinen ster, langs het wortelgedrocht. Het wortelgedrocht uit het woud voelt zich als een nietige onderdaan voor het sneeuwwitte hoofd, die nog nooit zijn hoge hoed heeft afgenomen en hem ook niet voor de woudbewoner afneemt. Maar het sneeuwwitte hoofd is ook een ongewone, uitzonderlijke persoon. Hij kan het doorzichtig klinkende, op zijn lichte en fijne stelten, naderbij lokken en in verspiegelde kussen veranderen. En met één oor hoort hij het gescharrel van timide draken onder het zwartgevlekte vel van een cipres of van een geschilde echo dat plotseling over hen heen valt, terwijl normale mensen daar minstens een dozijn oren voor nodig hebben.

De laatste tijd echter legt het sneeuwwitte hoofd zich meer en meer toe op de tafel van één en begint hij opnieuw vriendelijke wolken, die de smart verzachten, te vereren. Schrijver dezes houdt het voor goed mogelijk dat binnen afzienbare tijd het sneeuwwitte hoofd het wortelgedrocht uit het woud gelegenheid geeft om, weliswaar onhandig, maar toch huizenhoog te springen en dat op die manier deze twee elkaar bijstaan.

Uit: ‘Auch das ist nur eine Wolke’, Hans Arp, 1951

Foto boven dit blog: Hans Arp in zijn atelier, 1958. Fotograaf onbekend.

Putteke winter

De Belgische weerman Frank Deboosere, die zijn tv-weerbericht altijd afsluit met een aimabele glimlach, legde deze week uit dat de periode tussen 10 en 20 januari van oudsher ‘het putteke van de winter’ wordt genoemd. De aimabele glimlach en het lieflijke ‘putteke’ ten spijt voelt voor mij deze grijze periode ook als een put.

Ik zie online artiesten optreden voor lege zalen, musea kunnen alleen maar virtuele rondleidingen geven en uitgevers stellen publicaties van boeken uit omdat de boekhandels dicht zijn. Kunst, een intermenselijke aangelegenheid, zit in een winterput; een koude, droge, grijze put.

Silencieux, Hans Arp, 1942

In deze verlengde lockdown dwaal ik door het Arp-landschap om me voor te bereiden op mijn lezing Arps Fluïdum. Een lezing die door de coronamaatregelen zomaar weer uitgesteld kan worden. Ik voel me nu vooral aangesproken door de sombere gedichten die Arp schreef tijdens de Tweede Wereldoorlog.

In 1940, toen de Duitsers Parijs binnenvielen, moest Hans Arp zijn atelier bij Parijs, zijn Schuilplaats van dromen (een van de gedichten uit mijn lezing) ontvluchten. Hier had hij gewoond, gewerkt en vrienden ontvangen; geestverwanten die samen met hem een kunstvorm ontwikkelden die mensen de vrijheid bood om te dromen.

Hoewel hij in zijn ballingschap af en toe woedend inhakte op het gips en een razend gedicht schreef over een gek die alles vernielt, zijn de beelden die hij in deze periode maakte vooral verstild en in zichzelf gekeerd, zoals Silencieux uit 1942. De gedichten uit deze tijd staan nog steeds vol fantasierijke, absurdistische droombeelden, maar nu droomt hij een sombere droom.

Zoals het gedicht IN HET HOPELOZE

Gestalten als verjaarde echo’s gaan langs me heen.
Gelatineuze weefsels bedekken een grote pop die op een eenzame plaats is opgesteld.
Er klinkt gekreun in het hopeloze.
De duistere schaduwkroon die op de wereld drukt wil niet oplichten.
Waar zijn de viooltjesblauwe hemelse weiden?
Die hebben zaligen lang geleden in hun ogen meegenomen.
Mijn dromen gaan kapot in kwade stenige bedden.
Tevergeefs heb ik duizend wegen bewandeld.
Telkens dreigden de torens in te storten waarop ik van het uitzicht had willen genieten.
Aan eindeloze ashemels loeren kwade grauwe spinnen.
Hun hart gilt vals.
Ze zijn net als ik vervloekt.
Ik ben de sporen van het licht kwijt.
Ik kan niet ontsnappen uit mijn grijze vaderland.
Wat heb ik aan liederen die zich van de ene zij op de andere draaien.
Het zijn dodelijk vermoeide berggidsen.
Ze geven hetzelfde antwoord uit hun verwelkte harten:
Edelblauw is ook maar droomschittering.
Wie spiegelende handen heeft moet goed oppassen dat ze door de adem niet beslaan…

Uit de bundel ‘Die ungewissene Welt’, 1939-1945

Het helpt me, zo’n somber gedicht in deze put van de winter. Ik vind er weerklank voor mijn gevoel. Toch biedt dit gedicht ook een uitweg. Die uitweg zit in het beeld van de laatste zin, een zin die ook nog eens open eindigt met drie puntjes. Het is een waarschuwing, een aansporing: Pas op dat je spiegelende handen niet beslaan door je adem. Of de adem van de tijd. Houd oog voor de poëzie.

Ik heb het zelf in de hand. Ik moet mijn spiegelende handen niet laten beslaan. ‘Niet de gebeurtenis zelf is belangrijk, maar de ervaring ervan, de poëzie’, schreef de door mij bewonderde columnist Wim Boevink ooit in zijn mooie kroniek Klein Verslag. Ik heb het tot mijn motto gemaakt: Zie de poëzie. De poëzie van ‘putteke’. Van de glimlach van Frank Deboosere. Laat dan putje winter maar komen!

Mijn besloten lezing Arps Fluïdum is verplaatst naar 14 februari. Hopelijk komt er daarna een openbare lezing. Houd de Agenda in de gaten.

Na Driekoningen

Driekoningen is een speciale dag in het nieuwe jaar. Tot die tijd ‘mag’ je elkaar nog volmondig een gelukkig nieuwjaar wensen. Tot die tijd blijft ook de kerstboom in vol ornaat in de kamer staan. Maar dan wordt de boom afgetuigd en in de versnipperaar gestopt. De dagen zijn nu weer gewoon grijs, zonder de belofte van een feest aan het eind van de rit.

Een van de aandoenlijkste afbeeldingen van de drie koningen is te zien in de kathedraal van Autun in Frankrijk. De koningen, de wijzen uit het oosten, kwamen op geleide van een ster naar Bethlehem om eer te bewijzen aan de pasgeboren Jezus, de ‘Koning der Joden’ volgens deze zieners. Op het beeld in Autun zijn de drie koningen te zien die na hun eerbetoon liggen te slapen. Met hun kronen nog op liggen ze lepeltje-lepeltje met z’n drieën op een bedbank onder een deken, die in prachtige ronde plooien over hen heen is gedrapeerd.

Kapiteel ‘Slaap van de drie koningen’, Gislebertus, 1130-1135

De achterste koning heeft zijn hand op de deken gelegd. Een engel raakt voorzichtig zijn hand aan, waardoor de koning zijn ogen wijd open doet. Met de andere hand wijst de engel naar een ster. Die ster zal de koningen weer de weg naar huis terug wijzen en zo kunnen ze vermijden dat ze eerst bij de wrede koning Herodes langs moeten, die snode plannen heeft om de pasgeboren ‘Koning der Joden’ te vermoorden.

Dit beeld, afkomstig van een kapiteel (bovenstuk) van een zuil in het hart van de kathedraal van Autun, is van een grote schoonheid. Het is prachtig gedetailleerd en het is naïef, zelfs grappig als een kindertekening, en vertederend in de doeltreffende uitbeelding van een episode uit het Kerstverhaal. Het is een van de vele topstukken van Romaanse beeldhouwkunst die de kathedraal rijk is. De naam van de beeldhouwer is bekend: Gislebertus. Hij liet zijn naam achter in een ander topstuk: Het Laatste Oordeel, boven de hoofdingang van de kerk.

‘Gislebertus hoc fecit’, inscriptie boven de ingang van de kathedraal van Autun

Hans Arp, de dichter en beeldhouwer in wiens werk ik me weer helemaal heb ondergedompeld voor mijn eerstvolgende lezing, schreef in 1962 het prachtige gedicht Gislebertus d’Autun over de beelden van de kathedraal van Autun. Het gedicht is een hommage aan Gislebertus en aan de kathedraal zelf, die voor Arp een tegenwicht vormt tegen de materialistische, destructieve kant van de mens.

In het titelverhaal van mijn boek Tot de verbeelding citeer ik al rijkelijk uit dit heerlijke gedicht, waarin Arp met een kinderlijke blik naar de kunst kijkt en met een scherpe tong de materialistische ‘supermens’ op zijn plaats zet. Hier volgen nog een paar citaten:

Kapiteel ‘Gevecht tussen mens en vogel’, Gislebertus, 1130-1135

De supermens wankelt
omdat hij zich realiseert
dat Gislebertus van Autun
dit gebouw van wonderen
heeft geschapen om hem te tarten.
Hij voelt zich eigenlijk niet super op zijn gemak,
die supermens, die plompverloren
voor de kathedraal van Autun staat.

Reuzenvogels die minuscule mensjes oppeuzelen
vlammen die adellijke dames verteren
ontelbare demonen gekroond met vlammen
duivels die met wijd open muil jodelen
hoofden van verdoemde zielen.

Kapitelen van engelen
proberen engel te vervoegen.
Ze engelen, ze superengelen.

Kapiteel ‘Judas wordt opgehangen’, Gislebertus, 1130-1135

Twee gevleugelde demonen zijn ijverig in de weer
om volgens de regels der kunst
een lid van de Judasbroederschap
op te hangen.
Ze hangen hem aan lange worsten
die uit hun duivelse koppen groeien.
Een arme drommel zonder ordentelijk beroep
is ook een vuurtje voor hun pijp.

Die twee forse engelen
die elk een kerktoren in hun hand hebben
willen zij de arme oude duivel in stukken hakken
die al zit te mauwen
voordat ze zijn begonnen?

Nee, ze wachten op een van die supermannen
een van die vertegenwoordigers in supervooruitgang
die misschien op een dag
voor de kathedraal van Autun zal staan.

Gislebertus is een kind van de hemel.
De schoonheid van zijn kristallijne draperieën
vind je alleen terug in de hemel.

Als de coronamaatregelen het toelaten, geef ik binnenkort een lezing met gedichten van Hans Arp, getiteld Arps Fluïdum. Op 30 januari voor besloten gezelschap en misschien in februari een openbare lezing. Let op de aankondigingen in de Agenda.

Balans

Deze laatste dagen van het jaar zijn altijd een mooi moment om de balans op te maken. Wat heeft het afgelopen jaar mij gebracht? Wat heb ik achter gelaten? 2020 was natuurlijk een jaar waarin veel niet kon. Reizen kon niet, ik moest lezingen cancellen en contacten met vrienden en familie moesten tot een minimum worden beperkt. Het was karigheid troef.

Maar ik heb het gevoel dat juist door die beperkingen de contacten die ik wél had zich hebben verdiept. In januari en februari gaf ik ‘auf Flügeln des Gesanges’ mijn laatste lezingen over Niki de Saint Phalle; ik zat er zo goed in dat ik mij helemaal had losgezongen van zenuwen en onzekerheid.

Toen brak Corona uit en ik werd overvallen door de impact van de pandemie. Maar er gebeurde ook iets moois; de weinige lezingen die ik in deze periode gaf kregen een bijzondere glans. Daar stond ik voor een publiek met mondkapjes en op anderhalve meter van elkaar, maar wat een warme ontvangst kregen de lezingen! Het live contact, het ‘in echte tijd’ delen van liefde en verwondering voor kunst was een heerlijke ervaring. Voor mij en voor het publiek.

Illustratie ‘Hans Arp’ van Peter Oosterhout uit het boek ‘Tot de verbeelding’

Ook het werken aan de publicatie van mijn boek Tot de verbeelding heeft mij veel goeds gebracht. Het was inspirerend om samen te (thuis)werken met een enthousiast team bestaande uit uitgever Louise Bos, illustrator Peter Oosterhout en vormgever Bart van den Tooren. Ik zag de toewijding en de liefde voor hun vak en voor de kunst. Het was een mooie samenwerking en ik ben trots op het resultaat.

Voor 2021 heb ik een voorzichtig perspectief; eind januari zal ik in besloten kring gedichten van Hans Arp voordragen. Ik ben weer in het rijke oeuvre van deze dichter/beeldhouwer gedoken en kwam een prachtig gedicht tegen waarin woordkunstenaar Arp de balans opmaakt. Niet van de persoonlijke activa en passiva van één jaar, maar zoals bij Arp te verwachten valt, van de geestelijke staat van de mens.

De mens heeft scheppende én vernietigende krachten en Arp brengt die in zijn onnavolgbare stijl – humoristisch en spiritueel – in balans in het gedicht Der Mensch ist ein Flötenbläser. Op het Man-van-Taalkanaal, mijn eigen Youtubekanaal, lees ik het gedicht voor in het Duits en in de Nederlandse vertaling. Hieronder staat het gedicht in de vertaling van mijn hand.

Ik wens u een mooi Nieuw Jaar met een uitgebalanceerde, liefdevolle blik op de scheppende en vernietigende krachten van ieder mens.

 

DE MENS IS EEN FLUITSPELER  – Hans Arp, 1955

De mens is een fluitspeler.

De mens is een lierspeler.

De mens is een tempelbouwer.

Maar de mens is ook een moordlustige smeder van zwaarden.

Kijk eens hoe met een degelijke koopmansgeest in de zangen van Homerus de uitkomsten van de slachtpartijen worden opgeteld.

De mens is een spin, dronken van schoonheid.

De mens is een verscheurende wolf, die Koekoek roept.

De mens is een boogschutter, die vingerhoedjes omlegt, een hopeloos verspijkerde moordenaar, een atoompaddenstoelenkweker met een ouderwets mutsje op, die alles wat tot nu toe is bereikt, inclusief wat hij zelf heeft bereikt, uiteindelijk in de schaduw zal stellen.

De mens is een woefwoefblaffende rechter, een vierdemachtswortel uit onvoldoende grond die ontelbare windhaantjes op zijn kop heeft, een Negerhut van Oom Tom, een vleugelpiano die met de benenwagen gaat.

Maar de mens is vooral de vleesgeworden verwerpelijke drukte, die voor eeuwig verleerd heeft na te denken en te bidden. Het beste is om ervandoor te gaan zodra je een mens ziet, en in de diepste en donkerste kloven van de aarde weg te kruipen.

Uit de acht openingen in zijn krullenbol stoot de mens onophoudelijk rookgordijnen uit, grijze mist, grauwe rook.

Onzin, fantasieën, razernij, dat is het doel dat hij nastreeft. Voor de mens is het natuurlijk te verlangen naar het onnatuurlijke. Omdat hij geen vleugels heeft, wil hij vleugels hebben en vliegen. De vleugels hebben hem te pakken. Hij voelt zich godgelijk, als hij met een vat benzine onder zijn kont door de lucht raast.

Maar de mens is ook een bezielde bloemknop.

Maar de mens is ook een dichter.

Maar de mens is ook een heilige, een regenboogkleurige engel.

Afbeelding boven dit blog: Blauwe fluitspeler uit ‘Het laatste Oordeel’ van Jeroen Bosch, ca. 1482

 

Voor Sinterklaasavond of onder de boom

O, zie eens de maan die daar schijnt door de bomen.

Kom, staakt uw geraas en let op allemaal!

Want dit is het blog dat je wist dat zou komen;

Een heus Sinterklaasgedicht van Man van Taal.

 

’t Gaat over mijn bloemlezing Tot de verbeelding,

Gebundelde blogs met een dringend appèl

Op u, lieve lezer(es) van deze mailing:

Gebruik uw verbeelding bij wat ik vertel.

 

Ik schrijf over Niki’s uitdagende Nana’s,

Waarmee zij de vrijheid van vrouwen bezong.

En over Picasso, die met zijn ‘mirada

Fuerte’ in mens’lijke zielen doordrong.

 

En als ik vertel over beelden en dromen

Die door de poëet Hans Jean Arp zijn gemaakt,

Laat dan uw verbeelding maar rijkelijk stromen

En vind een bewustzijn dat droomt en niet waakt.

Illustratie van Peter Oosterhout uit het boek ‘Tot de verbeelding’

 

De handen van Rembrandt, die spreken van liefde,

Beschrijf ik zó dat je ze werkelijk voelt.

En wat heeft die Zadkine, die klankgaten kliefde

In al zijn sculpturen, daarmee toch bedoeld?

 

Beluister de ‘Sehnsucht’ van bloeiende linden

Die Mahler zo mooi op muziek heeft gezet.

Stijg op met de leeuw’rik die voor zijn beminde

Een jubelend lied zingt: ‘ma dame joliette.’

 

Dit boek is een dankbaar en handzaam cadeautje

voor Sinterklaasavond of onder de boom.

’t Is leuk voor je liefje, je moeder, je grootje,

’t Is leuk voor je tante en zelfs voor je oom.

 

Bestel hier de bloemlezing Tot de verbeelding,

Een bundel verhalen van Kunst en Natuur.

Dat kost u dan, inclusief geld voor verzending,

Slechts 19,50! Voorwaar niet te duur.

 

PS. Deze bundel met Ossip en Niki

Verschaft u het grootste betalingsgemak:

U koopt hem per giro of via een tikkie.

O, kom er eens kijken: Een paard op het dak!

Het hele verhaal

Behalve mijn lezing Mee naar huis in museum Beelden aan Zee, geef ik dit najaar nog een lezing: Het gevoel van hardsteen over de beeldhouwer Eugène Dodeigne. Omdat ik in deze lezing maar één kunstenaar als onderwerp heb, en niet 15 zoals in Mee naar huis, kan ik dieper op zijn leven en werk ingaan. Ik heb nu de tijd om ‘het hele verhaal’ van één kunstenaarsleven te vertellen, in plaats van vijftien gecomprimeerde kunstenaarslevens in één verhaal.

Ik laat zien hoe Eugène Dodeigne (1923-2015) verknocht was aan het landschap en de mensen van Noord-Frankrijk waar hij opgroeide en waar hij zijn leven lang gewoond en gewerkt heeft. Het weerbarstige klimaat, de lage luchten, de onopgesmukte levensstijl, je ziet het terug in de beelden die hij hakte in een van de hardste steensoorten die er zijn: Belgische hardsteen.

Kasseien in Noord-Frankrijk

Het is de steen van de kasseiweggetjes die door het licht-glooiende landschap lopen. Het is de steen waarin hij als dertienjarige al leerde hakken toen hij, in de leer bij zijn vader, grafornamenten maakte. Het is de steen die in de middeleeuwen de streek internationale roem bezorgde door de rijk geornamenteerde doopvonten die in de stad Doornik werden gemaakt en die werden geëxporteerd naar grote Franse en Engelse kathedralen.

De hardsteen die Dodeigne bij voorkeur gebruikte werd gewonnen in een groeve vlakbij zijn woonplaats, in het Belgische Zinnik, Soignies geheten in het Frans. ‘Monsieur Pierre de Soignies’, zoals Dodeigne ook wel werd genoemd, hakte zijn beelden heel ruw; de sporen van hamer en beitel en van andere gereedschappen zoals slijptol en pneumatische boor laten het stenige karakter van de beelden nog heel goed zien.

Eugène Dodeigne, ca. 1990. Fotograaf onbekend

De weerbarstigheid van het hakken in de harde steen is zichtbaar in de ruwe beelden. Dodeignes stijl van beeldhouwen wordt pierre éclatée genoemd. Dat betekent eigenlijk ‘ruwe steen’, de steen heeft de ruwe vorm waarin hij spontaan is afgebroken. Maar Dodeigne liet de steen springen (éclater = uitbarsten, springen, exploderen) zoals hij dat in zijn hoofd had.

De beelden zijn menselijke gestalten, vaak staand, soms liggend of geknield, die zich aan het oprichten zijn. Ze komen overeind, of streven daarnaar in ieder geval. In de ruwe oppervlakten van de menselijke gestalten wordt het licht op allerlei manieren weerkaatst en toont de figuur zich in kleurgradaties van zilverwit tot loodgrijs. Het is de lichtheid en de zwaarte van het leven in een geëxplodeerde steen.

In de loop van zijn leven heeft Dodeigne deze figuren ontwikkeld. Ze zijn gegroeid onder zijn handen in het Noord-Franse landschap. Ze werden steeds beweeglijker, zijn gestalten. Aanvankelijk staan ze stil, in hun lange ruwgeplooide gewaden. Maar vanaf de negentiger jaren komt er steeds meer beweging in de beelden; ze draaien en buigen opwaarts, tegen de zwaartekracht in.

Dodeigne liet zich inspireren door de dansers van La Compagnie des Ballets du Nord. Hij schetste in ruwe houtskooltekeningen hoe de mens (de danser) zich altijd weer opricht. Dat zie je terug in zijn beelden. Dodeignes beelden zijn monumenten voor de veerkracht van de mens. Hij stáát, ondanks alle slagen die het leven hem toebrengt. De figuren zijn krachtig en gevoelig tegelijk.

Force et Tendresse, Eugène Dodeigne, 1999

Een van de laatste sculpturen van Dodeigne heet Force et Tendresse, Kracht en Tederheid. Het zijn twee tegengestelde krachten die tegelijk gevisualiseerd zijn. Het zijn de twee krachten waarmee Dodeigne zijn sculpturen maakte. Dat is het verhaal dat ik vertel in mijn lezing Het gevoel van hardsteen, het ‘hele verhaal’ van de prachtige gestalten van Eugène Dodeigne.

Lezing Het gevoel van hardsteen op 28 en 29 november in LOOkatie364 in Mariahoeve, Den Haag. Drie keer de lezing met maximaal 20 mensen per keer. Informatie en reserveren: zie Agenda

Afbeelding boven dit artikel: Bondues, de woonplaats van Eugène Dodeigne