Lèzwazoo

Een placemat uit Frankrijk, gekregen van familie die daar op vakantie was. Een napperon. Met foto’s van zestien veelvoorkomende vogels, getooid met die prachtige barokke namen waar de Fransen patent op hebben. Elke vogelnaam bestaat uit minstens twee woorden; een Franse soortnaam plus een toevoeging over de verschijning of het leefgebied van het vogeltje.

Het sijsje is niet zomaar een sijsje maar een tarin des aulnes; een sijsje van de elzen. In die boom vertoeft hij dan ook bij voorkeur, druk keuvelend met soortgenoten en ondertussen de zaadjes uit de elzenproppen peuterend. De goudvink, met zijn volle, pioenrode borst en zijn lichtelijk melancholieke zang, heet bouvreuil pivoine, de pioenroos-goudvink.

De cincle plongeur, waterspreeuw, is inderdaad een duiker die in kleine stroompjes onder water op insecten jaagt. De ijsvogel duikt ook naar zijn prooi, maar heet martin-pêcheur. Hij komt namelijk boven met een visje.

Een groene specht heet heel kernachtig pic vert  en de vurige boomklever, die met zijn vervaarlijke dolksnavel stevig in boomschors kan beitelen, heet sitelle-torchepot. Het vrolijke, pretentieloze zangertje van het struikgewas, de zwartkop, luistert naar de naam fauvette à tête noire.

Soms drukken de Fransen hun waardering voor het vogeltje uit in een bijvoeglijk naamwoord. De putter of distelvink, in mijn ogen geen uitgesproken gracieus vogeltje, heet chardonneret élégant. Misschien is men in la douce France gecharmeerd van de uitgesproken maquillage van de putter: een koraalrood snoetje met een forse zwarte eyeliner, de wang en de slaap stralend wit en dat weer omzoomd met een brede zwarte streep.

Het kwikzilverige winterkoninkje heeft een Neanderthaler-achtige soortnaam, troglodyte, maar die wordt verzacht door de toevoeging mignon. Een lief troglodietje. Het steenuiltje, vinnig, maar wel een schatje, heet chouette chevêche. Ik herinner me van mijn vakanties in Frankrijk in de zeventiger jaren dat “sjwette” een modewoord was in de trant van “leuk” of “tof”. Het kan trouwens nog schattiger; het ook in Frankrijk zeldzame dwerguiltje heet chouette chevêchette.

De geheimzinnigste vogel van de placemat is de hypolaïs polyglotte. Een vogel die veel talen spreekt. Wij noemen hem de spotvogel, omdat hij in zijn zang voortdurend andere vogels nabootst. De hypolaïs polyglotte is niet de gewone spotvogel, die in Nederland veel gespot wordt, maar de orpheusspotvogel. En die komt évidemment meer in Frankrijk voor.

Maar de allerleukste vogel van deze napperon is de gros-bec casse noyaux, de appelvink. Met zijn formidabele snavel en ijzersterke snavelspieren kan deze macho zelfs de pitten kraken van fruits à noyaux zoals kersen. Zo te zien heeft deze gros-bec zijn onverstoorbare wandeling door de takken even onderbroken om ons met een scheef hoofd aan te kijken. Roestbruine kop, zwart ringbaardje rond de loodgrijze snavel en “handen in de zakken” van zijn geraffineerd versierde leren jack. ‘Coule’, zouden de Fransen zeggen. Wij zeggen Cool.

P.S. Alle vogels zijn onder hun Nederlandse naam te vinden op Vogelbescherming.nl, onder ‘Ontdek vogels’

Laat me vrij!

In de trein werd ik aangesproken door een boek. ‘Ik ben niet kwijt!’ riep het, ‘Ik ben op reis!’ Om te vervolgen met de hartenkreet: ‘Lees me & laat me weer vrij!’ Het boek had een rode cover met gele opdruk en een afbeelding van een man en een vrouw in een smachtende streekroman-omhelzing. Het heette ‘Terugkeer naar Peyton Place’.

Ik had onmiddellijk een flashback naar de donkere winteravonden van mijn puberteit. Mijn vader werkt laat, mijn moeder heeft de afwas gedaan en zit voor de tv. De smeltende muziek van de continuing story of Peyton Place klinkt en we zijn een uur lang weg in de sombere zwart-wit wereld van dat stadje met mensen die allemaal druk zijn met hun dagelijkse bezigheden, maar ondertussen gebukt gaan onder zware emotionele conflicten.

Iedereen is er met iedereen getrouwd of streeft daar in ieder geval naar. Oude wonden genezen nooit en nieuwe zijn zo geslagen in de kwetsbare zielen die dit WASP-stadje bevolken. Zo zag dus Amerika eruit: een plein met een kerkje met rustig voorbij-zoevende auto’s en doelgericht lopende mensen. Een ziekenhuis met een efficiënte drukte, waar geregeld een kalme intercom-oproep klonk voor Doctor Rossi.

De hoofden van de sprekers vulden het scherm en de onderhuidse storm van gevoelens werd in alle nuances op het gelaat weerspiegeld. De teksten werden vrijwel zonder haperen uitgesproken, waarbij de aangesprokene netjes wachtte met reageren tot hij of zij weer frontaal in beeld kwam. Ik heb weleens gehoord welke regieaanwijzing een acteur kreeg die met een peinzende blik in de fade-out moest blijven staan. ‘Denk: Heb ik de oven nou uitgedaan of niet?’

Het boek in de trein geeft zich op de eerste pagina enigszins bloot: ‘Ik ben een speciaal boek. Ik reis over de hele wereld om nieuwe vrienden te vinden. Ik hoop dat ik in jou ook een vriend gevonden heb.’ Dan volgt een url, waar de lezer het BCID-nummer van dit boek kan invoeren om te zien wie het al heeft gelezen. ‘En je kan laten weten dat ik veilig bij jouw ben!’ juicht het boek. ‘Dan… lees me en laat me weer vrij!’

Ik sloeg het boek open en las een dialoog die opnieuw met uitroeptekens was doorspekt. “ ‘Nee! schreeuwde ze, als hij haar nachtpon losknoopte. ‘O nee, niet doen… Draai het licht uit, lieveling. Zo niet…’
‘Ja, zo wél!’ zei  hij met zijn mond tegen haar keel.”
Ach, een nachtpon en een draaischakelaar voor het licht.

Ik legde het boek op het tafeltje en ging aan de andere kant van het gangpad zitten. De jonge vrouw die naast het boek plaatsnam, diepte uit haar tas een broodje op en een Linda. Elke tijd zijn eigen soap.

Starik constateert

Dichter F. Starik is beheerder van de Amsterdamse Poule des Doods, een groep dichters die bij eenzame uitvaarten (zonder familie of nabestaanden) een gedicht schrijft en voordraagt voor de overledene. Sterfelijkheid is zijn métier, zou je kunnen zeggen.

In de winter van 2012/2013 verschenen in Trouw korte columns in proza van F. Starik over de beginnende dementie van zijn moeder en over de inspanningen van hem en zijn broers om haar goed gehuisvest te krijgen.  Deze reeks columns is in een iets uitgebreidere versie gebundeld in het boek ‘Moeder doen’.

Wat deze columns zo herkenbaar en toegankelijk maakt, is de constaterende stijl waarin Starik de gebeurtenissen beschrijft. Ook de meest aangrijpende momenten worden ‘feitelijk’ genoteerd en vaak met oog voor de bizarre humor die in ernstige levenssituaties schuilgaat.

Het boek is opgebouwd uit drie delen: ‘Vertrekhal’, ‘Vlucht’ en ‘Landing’ waarin de tocht beschreven wordt die de moeder aflegt van haar oude woning, via het ziekenhuis naar een verzorgingshuis. Een soort Divina Commedia dus, alleen begint deze tocht in het voorgeborchte en gaat hij via de hel naar de hemel van een (voorlopig) goede opvang voor moeder.

In het eerste deel beschrijft Starik de sluipende aftakeling van zijn moeder en de eindeloze reeks gesprekken met zorgverleners.

[mk_blockquote style=”line-style” font_family=”none”] “Ik bel voor de honderdste keer met de mevrouw van de Zorggroep, de mevrouw die de voorlichting doet, ik bel niet steeds met dezelfde mevrouw natuurlijk, maar telkens met een andere mevrouw die nu zorgadviseur van dienst is, de zorgadviseur die moeder doet,…”[/mk_blockquote]

Dan, na een val en een heupoperatie gaat het opeens heel snel. Te snel. Moeder belandt in een huis met ernstig demente mensen.

[mk_blockquote style=”line-style” font_family=”none”] “‘Wat doe ik hier?’ vraagt moeder. Ze snapt het niet. Jongste broer heeft haar opgehaald, dat gelooft ze wel, maar waarvandaan? We vertellen dat ze twee weken in het ziekenhuis gelegen heeft, met die gebroken heup. Voorzichtig voelt ze aan haar bovenbeen.
‘Het doet wel een beetje pijn,’ zegt ze.
Een verzorgster reikt haar een koekje aan. Ze houdt het koekje in haar hand, kijkt ernaar.
‘En nu zit ik hier,’ concludeert ze, ‘met dat rotkoekje.’
” [/mk_blockquote]

Uiteindelijk vinden de zoons een goede plek voor moeder, waar ze weer wat opbloeit. Op een terrasje in de buurt drinken ze een kopje koffie. Moeder inspecteert de dingen die op tafel staan.[mk_blockquote style=”line-style” font_family=”none”] “Ze tilt de voorwerpen die op onze tafel staan een voor een op en noemt ze bij hun naam. ‘Grof zeezout,’ leest ze voor, en: ‘Zwarte peper.’ Suiker, herkent ze, die pot draagt geen opschrift, die weet ze zo wel, ze heeft zojuist iets te overvloedig suiker in haar koffie gestrooid, nadat ze eerst ontkend heeft suiker in haar koffie te willen, ze heeft immers koffie besteld met alles erin, dan zal er zeker genoeg suiker in zitten. Ze tilt het glaasje op met een waxinelichtje erin dat ook nog op tafel staat. ‘Kaars,’ zegt ze.” [/mk_blockquote]

Voor de moeder is constateren een overlevingsstrategie. Voor de dichter is het een poëtische stijlfiguur die deze observaties van sterfelijkheid zo buitengewoon indringend maakt.

Een echte Rembrandt

Met veel tamtam kondigt het Mauritshuis in Den Haag de opening aan van de tentoonstelling ‘Rembrandt? De zaak Saul en David’ op 11 juni. Op 9 juni werd bekend gemaakt dat na uitgebreid state-of-the-art onderzoek onomstotelijk vaststaat dat het een echte Rembrandt is. Nu kunnen we het werk pas echt bewonderen.

Het is waar, de schoonmaakbeurt heeft het schilderij weer zijn brille gegeven. Maar wie spint er garen bij dat keurmerk ‘een echte Rembrandt’? Het Mauritshuis zelf ongetwijfeld; het zal zijn reputatie in de museumwereld ten goede komen om een gecertificeerde Rembrandt toe te voegen aan zijn collectie. Kunstwetenschappers zullen het schilderij ook meer waarderen nu het echt is. En verzekeraars zijn vast ook erg blij met de onschatbare waarde die het werk nu blijkt te hebben.

Ik vraag me of het certificaat ‘echt’ zo relevant is voor de gewone kunstliefhebber, die, onbelast door kunstwetenschappelijke kennis, simpelweg kijkt of een kunstwerk hem emotioneel aanspreekt of niet. Of idealiseer ik die gewone kunstliefhebber en wil men tegenwoordig voor zijn geld wel échte kunst bekijken en geen namaak? Als het echt is, is het dus ook mooi.

Misschien was het Mauritshuis zelf niet helemaal overtuigd van de wervingskracht van het predicaat ‘een echte Rembrandt’ en verzonnen ze er daarom het format van de CSI-detective omheen. Dat is die onrustige tv-serie met heen-en-weer slingerend camerawerk en metalige personages die elkaar overtreffen in gevatte one-liners. Daar moet wel een groot publiek op afkomen, dacht de marketingafdeling van het Mauritshuis.

Zal dat publiek nu kijken of het de verminkingen van het lijk herkent; de littekens die dwars over het schilderij lopen, de kleurverschillen, de stoplap rechtsboven? Zullen mensen zich vergapen aan het ingenieuze speurwerk? En zullen ze in al dat lawaai ook nog de intensiteit van het drama van de voorstelling voelen?

Koning Saul, in voortdurende staat van oorlog met de Filistijnen, werd volgens de Statenvertaling regelmatig ‘verschrikt door een boze geest Gods’. Dat manifesteerde zich doordat hij ‘profeteerde midden in het huis’. Saul had dus aanvallen van razernij en radeloosheid. Aanvankelijk wist David hem te kalmeren met zijn harpspel. Maar Davids ster rijst snel aan het hof; hij verslaat de reus Goliath, gaat een innige vriendschap aan met Sauls zoon Jonathan en wint grote veldslagen. Saul gaat ook in hem een bedreiging zien.

Als Davids overwinning op de Filistijnen bezongen wordt met de woorden “Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden!”, gebeurt er dit: (1 Samuel 18: 8, 9) ‘Toen ontstak Saul zeer, en dat woord was kwaad in zijn ogen, en hij zeide: Zij hebben David tien duizend gegeven, doch mij hebben zij maar duizend gegeven; en voorzeker zal het koninkrijk nog voor hem zijn.
En Saul had het oog op David, van dien dag af en voortaan.’

Wat doet Rembrandt? Terwijl David op de harp speelt, alle vingers subtiel uitgelicht, verstopt Saul zijn gezicht. Met één onheilspellend oog – het boze oog – staart hij in het niets. Saul ziet geen perspectief meer. Hij ziet zijn demonen. Zijn hand ligt klaar op de speer die hij naar David zal slingeren om hem ‘aan den wand te spitten’. De weergave van dat menselijke drama, radeloosheid versus onbevangenheid, is de kracht van dit briljante schilderij van Rembrandt.

Stijlfiguren assortis

Het ‘Groot retorisch woordenboek’, dat ik deze week voor mijn verjaardag kreeg, is voor mij een doos vol bonbons. Bladerend door dit ‘Lexicon van stijlfiguren’ pik ik er lukraak stijlfiguren uit met intrigerende benamingen die stammen uit de klassieke retorica. Alle stijlfiguren zijn voorzien van hilarische en aansprekende voorbeelden en dat geeft aanleiding tot veel vrolijke aha-erlebnissen.

Het is een traktatie om al die manieren gepresenteerd te krijgen die er zijn om je gehoor te informeren, te onderhouden en te overtuigen. Uiteraard staat of valt het effect met hoe je de stijlmiddelen inzet. Dat kan verrassend zijn, lucide, grappig en daardoor onvergetelijk, maar soms is het juist zó flauw en tenenkrommend dat het weer onvergetelijk wordt.

Wat te denken van het pluralis modestiae, het bescheidenheidsmeervoud. Uit bescheidenheid wordt de eerste persoon enkelvoud vervangen door de eerste persoon meervoud. Meestal ingezet om de boodschap te verzachten: ‘Wij vragen uw begrip voor deze vertraging’. Een tenenkrommende soort is het Verpleegstersmeervoud: ‘Hebben we ons pilletje al genomen?’

Het chleuasme (een vorm van ironische zelfkritiek) zou je kunnen zien als een verregaande vorm van bescheidenheid, maar het is juist bedoeld om protest uit te lokken. ‘Wat ben ik toch een idioot.’ (Gewenste reactie: ‘Nee, dat ben je niet!’). De litotes  is dan weer een bevestiging door de ontkenning van het tegendeel: ‘Dat is geen kattenpis.’

Iedereen kent natuurlijk het pluralis majestatis; het ‘ik’ is nu te klein voor de spreker en wordt een ‘wij’. Cabaretier Frank van Pamelen maakte een sublieme olleke-bolleke met deze stijlfiguur:[mk_blockquote style=”line-style” font_family=”none”]

Plechtige opening
Koningin Beatrix
Knipte het lintje doormidden
En zei:
Met deze gloednieuwe
Schizofreniekliniek
is er niet één zo gelukkig
Als Wij.

[/mk_blockquote]

De reclame maakt veelvuldig gebruik van retorische stijlfiguren en daar zitten pareltjes tussen die zich in mijn geheugen hebben genesteld: ‘Kopen bij de Spar is sparen bij de koop’ (paronomasia), ‘Hij klopt en hij veegt en hij zuigt’ (redundantie), ‘Heerlijk  Helder Heineken’ (homoeoprophoron). Van die laatste stijlfiguur, de herhaling van dezelfde medeklinker of syllabe, geven de auteurs van het lexicon een prachtig voorbeeld uit het klassieke geschrift de Annales van Ennius: ‘O Tite tute Tati tibi tanta tyranni tulisti (= O Titus Tatius, tiran, te veel heeft uw trots durven tarten.)

En zo gaat het maar door. Maar laat ik hier mijn blog afsluiten met het hypocoristicon ‘Doedoei!’

Schrijverke

Het moet gezegd, de Japanse Tuin in Park Clingendael is een bezoek zeker waard. Door het koude voorjaar bloeien de azalea’s dit jaar langdurig en de heldere lucht zorgt voor prachtig licht in de tuin. Het ruikt er zoet naar azalea, en de symplocarpus foetidus, oftewel de skunk cabbage, stinkt nog niet en laat zich van zijn bekoorlijkste kant zien met sappige groene bladeren en witte bloemkelken.

De vijver, die gracieus door de tuin slingert, zorgt voor oogstrelende doorkijkjes. In het water wordt het vermiljoen en het roze van de azalea’s en het verzadigde rood van de Japanse esdoorns weerspiegeld. Het jonge groen van de loofbomen en de vele tinten mosgroen op de oevers geven een gevoel van rust, van tijdloosheid bijna. Her en der ligt, volstrekt in harmonie met de omgeving, een rots of staat een stenen lantaarn opgesteld.

De tuin is een trekpleister. Met busladingen tegelijk komt men de tuin bezoeken. Het is dan ook een drukte van belang op de smalle paadjes, waar onophoudelijk telefoons, i-pads en fototoestellen in de hoogte worden gestoken om de meest pittoreske hoekjes vast te leggen.

Afgezien van de vele toeristen zijn er verder geen levende zielen in de tuin. Of het moeten de talloze schrijvertjes die voortdurend een rimpeling trekken op het water van de – overigens visloze – vijver. Schrijvertjes, die kleine torretjes met hun curieuze naam. Priesterdichter Guido Gezelle (1830-1899) heeft er een sprankelend gedicht aan gewijd; ‘Het Schrijverke’, dat opent met de onsterfelijke woorden:

O krinklende winklende waterding,
met ’t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ’t waterke gaan!

(…)’

Op zijn typisch Gezelliaanse manier vraagt Guido de torretjes naar de zin van hun bestaan:

o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, –
met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ’t mij zeggen kan: –
Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?

(…)’

Dan wordt de dichter een tikje dweepziek:

Zijn ’t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ’t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ’t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ’t water waarop dat ge drijft?
Zijn ’t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zo diep,
of is het u, schrijverken, zelf?

(…)’

Wat mij betreft luidt het antwoord hier in Den Haag:

‘t Dierken keek op, en van onderen, schuins
gaf het me ‘n blik van wat-moet-je.
Toen sprak het in onvervalst japansetuins:
‘Wè schrèvuh uìtsluìtend haikoetje.

 

 

Huppeltje

Het landschap in Drenthe  – waar ik een weekje op voorjaarsvakantie ben –  heeft zeker in de lente een poëtische schoonheid. In telkens wisselend perspectief liggen de akkers tussen de coulissen van lichtgroen en wit, de glooiende essen geven een onverwachte twist aan de dieptewerking van het land en de eindeloze, schrale heidevelden worden gemarkeerd door robuuste jeneverbessen en eerbiedwaardige hunebedden.

Op informatiepanelen en in wandelgidsjes wordt de barre ontstaansgeschiedenis van dit landschap vaak in een paar alinea’s uit de doeken gedaan. De ijskap kwam, de ijskap ging en liet massieve keien en ondoordringbaar keileem achter. IJselijke zandstormen teisterden het gebied. De eerste bewoners bouwden hunebedden. Latere bewoners ploeterden op de schrale grond. De kunstmest kwam en  landbouw overwoekerde het land. Natuurliefhebbers vechten voor herstel van de arme zandgronden.

Zo’n ontwikkeling van miljoenen jaren  – die zich nu nog laat aflezen aan het landschap – teruggebracht tot enkele kosmische flitsen doet me denken aan het gedicht ‘Tijd’ van Vasalis: [mk_blockquote style=”line-style” font_family=”none”]

Ik droomde, dat ik langzaam leefde ….
langzamer dan de oudste steen.
Het was verschrikkelijk: om mij heen
schoot alles op, schokte of beefde,
wat stil lijkt. ‘k Zag de drang waarmee
de bomen zich uit de aarde wrongen
terwijl ze hees en hortend zongen;
terwijl de jaargetijden vlogen
verkleurende als regenbogen …..
Ik zag de tremor van de zee,
zijn zwellen en weer haastig slinken,
zoals een grote keel kan drinken.
En dag en nacht van korte duur
vlammen en doven: flakkrend vuur.
– De wanhoop en welsprekendheid
in de gebaren van de dingen,
die anders star zijn, en hun dringen,
hun ademloze, wrede strijd ….
Hoe kón ik dat niet eerder weten,
niet beter zien in vroeger tijd ?
Hoe moet ik het weer ooit vergeten ?

[/mk_blockquote]

De Drenten zelf, die dit land al eeuwen bewonen en bewerken, raken niet zo in paniek van die oeroude ontwikkeling die je in een flits kunt overzien.  In plaatsnamen als Uffelte, Havelte, Wittelte, Wapse en Zoerte hoor je de keien met een huppeltje voor de stuwende ijskap uitrollen. En de vrijgevochten Stellingwerver dichter Oene Bult schreef het gedicht ‘Netuurkundig’ dat je als een repliek op het mooie, maar naar zelfbeklag neigende gedicht van Vasalis zou kunnen lezen: [mk_blockquote style=”line-style” font_family=”none”]

Ik maek gien
gedichten
over de netuur;
zoks is,
mit alliend
de tael as ark,
onbegonnen wark;
de bossen
zingen
heur eigen lied,
en waeter
golft
alinea’s
deur de tied,
zaand stoft
heufdstokken
bi’j mekeer,

De netuurkunde
gaddert heur
eigen gedicht,
zoas de letterkunde
dat niet zicht.

[/mk_blockquote]

De poëzie van het landschap is hier alom aanwezig. Ook in een zelf-opgesteld reclamebord van de lokale aardappelteler: [mk_blockquote style=”line-style” font_family=”none”] APPELS
EIEREN
POTERS
UIEN

[/mk_blockquote]

 

 

Bijengifballet

Aan het begin van mijn carrière als blogger schreef ik een blog getiteld FAVORIET. Hierin legde ik uit waarom ik de woordcombinatie ‘extraterritoriale wateren’  zo’n mooie klank vind. Het is een turnoefening voor je taalgevoel; het slingert met kracht en gratie op en over de rekstok van je spraakvermogen. Spreek de woorden zorgvuldig hardop uit en je voelt de beweging aan den lijve: het zwiepen van ‘terri’ en ‘tori’, het zwaaien van ‘jale’ en de landing met een solide ‘turrun’.

Nu is er in de pers een nieuwe klank opgedoken die mij opnieuw zeer bekoort: ANTI-NEONICOTINOÏDEN-CAMPAGNE. Dit woord heeft niet de krachtige staccato-accenten van de t’s, de r-en en de x van ‘extra’. Het heeft veel zachte n-en en vloeiende e-o- en o-i-overgangen. Het is een ballet.

De entrée is een eenvoudige pas op de plaats: ‘an-ti’. Dan volgt een fluïde ‘neo’, dat met een klein knikje min of meer gespiegeld wordt met ‘nico’. Die laatste beweging wordt, iets gemodificeerd, herhaald in ‘tino’, die volmaakt vloeiend overgaat in een afrondende ‘iden’. Met drie simpele, licht slepende stappen gaan de dansers weer af; ‘cam’, ‘paj’, ‘nje’. Stilte. Applaus.

Zo wordt een sluipend bijengif bestreden met een fijnzinnig ballet. Efficiënter kan je het in mijn ogen niet aanpakken. De omstreden bestrijdingsmiddelen verlaten struikelend het toneel. De lelieteler, in werkelijkheid een lompe luizenbestrijder, moet het hoofd buigen en zich neerleggen bij het Moratorium voor Neonicotinoïden.

Er zijn onderzoeken gaande naar een natuurlijk alternatief voor bijengif in de bollenteelt. Het plantje Artemisia trekt lieveheersbeestjes aan die ook de aanpalende bollenvelden vrijhouden van luizen en ander gespuis. Artemis, godin van de jacht, de maan en de kuisheid gaat helder en gracieus de luizen te lijf.

Wat is uw meest gracieuze woord? Laat het weten op mijn blog. Misschien vormt zich een dan een corps de ballet van dansende woorden.

 

GUT Taalgevoel

Vóór 30 maart 2015 publiceerde ik mijn blogs op de website ‘GUT taalgevoel‘. Elke eerste, elfde, eenentwintigste en (eventueel) eenendertigste van de maand schreef ik een blog over kunst, natuur of taal of een combinatie van die onderwerpen. Mijn eerste blog ‘Welkom’ verscheen op 1 maart 2013.

 

U bent van harte welkom om een kijkje te nemen op deze ‘oude’ website die voorafging aan Man van Taal van nu.