Being Panamarenko

Morgen, op 1 mei, geef ik in Den Haag mijn lezing Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko. Opnieuw begin ik mijn verhaal in het Panamarenkohuis in Antwerpen. Ik neem het publiek mee naar dit huis waar de kunstenaar/uitvinder meer dan dertig jaar gewoond heeft en waar hij het grootste deel van zijn ‘tuigen’ bedacht en ontwierp. Hier dompelen wij ons onder in de creatieve chaos waarmee Panamarenko zich omringde.

In het Panamarenkohuis, tussen al die materialen, ontwerpen en modellen, gereedschappen, schetsen en boeken, voel je de geest van Panamarenko. Je loopt als het ware met hem tussen de propellers, de accu’s, de zwemvliezen en duikpakken, de boeken over ufo’s en zeppelins, de opwindbare speelgoedfiguurtjes, de elektronische apparaten en niet te vergeten de vogelkooien van de zes papegaaien waar hij mee samenwoonde.

Proefneming met het vliegtuig U-Kontrol III, 1972

Aan de wanden hangen foto’s en affiches van zijn projecten, zoals de prachtige foto’s van de proefvlucht in 1972 met het vederlichte vliegtuigje U-Kontrol III in een vliegende storm. Of de foto van zijn onderwaterwandeling tussen de koralen op de Malediven, getooid in zijn eigen duikuitrusting Portuguese Man of War. Op een van de overvolle bureaus ligt een verkreukelde foto van een reis die hij in 1990 maakte naar Peru op zoek naar de zeldzame vogel Hoazin, een foto die eruit ziet als een plaatje uit een Kuifjestrip.

In het Panamarenkohuis: Propellers

Overal in het huis zwerven propellers; lichte, houten, handgemaakte voorwerpen die meteen associaties oproepen met zijn vliegmachines. In de werkplaats staat een halfgesloopte motorfiets tegen de muur. De motor gebruikte Panamarenko voor zijn vliegende rugzakje Hazerug. Met 60 pk op je rug ga je er immers als een haas vandoor. Een prachtig piepschuimen model voor zijn onderzeebootje PAHAMA ligt bovenop een stellingkast. Waar je ook kijkt, je ziet Panamarenko ‘aan het werk’.

Naarmate je langer in het huis ronddwaalt – en gelukkig krijg je bij een rondleiding van de gids ruim de tijd – raak je meer in de ban van die gekke uitvinder die ons met zijn machines vrij door de wereld laat bewegen. Hier, tussen de modellen en halffabrikaten van zijn ‘tuigen’, voel je zijn onbegrensde scheppingsdrift en aanstekelijke vrijheidsdrang. Je wordt als het ware zelf Panamarenko.

In het Panamarenkohuis: Piepschuimen model voor de onderzeeboot PAHAMA

Morgen neem ik mijn publiek weer mee op een reis door het hoofd van Panamarenko. We zullen weer even Panamarenko zijn, de man die los komt van alle beperkingen. Of het nu een zeppelin is om de wereld mee rond te reizen, een gemotoriseerd rugzakje waarmee je naar de sterren suist, of gewoon een bewegend ‘kieken’ dat vrij rondscharrelt op een plateautje, in het creatieve brein van Panamarenko is alles mogelijk. Met zijn beelden laat hij ons vrijheid ervaren. Dat is being Panamarenko.

Op zondag 1 mei kunt u even Panamarenko zijn. Ik geef dan twee keer de lezing Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko.
Locatie: De Beeldhouwwerkplaats in Den Haag.
Aanvang: 11.00 uur en 14.00 uur, entree: €15,00
Reserveren via: agnese61@hotmail.com

 

De Arlikoop

Bijna alle projecten die Panamarenko (1940-2019) ondernam hebben hun oorsprong in de zeventiger jaren van de vorige eeuw. In de periode daarvóór, de zestiger jaren, toen hij in Antwerpen op de Academie voor Schone Kunsten zat, had hij zich verdiept in de natuurwetenschappen. Fysica, aerodynamica, chemie, biologie, al die exacte wetenschappen gaven hem meer inspiratie dan de kunstzinnige vorming die hij op de academie kreeg.

Dankzij de kennis die hij had opgedaan door zelfstudie in de natuurwetenschappen borrelden in zijn hoofd allerlei plannen en projecten op voor vliegtuigen, vaartuigen en voertuigen. Zo rond 1970, toen hij zich ging manifesteren als kunstenaar die ‘tuigen’ maakte, ontplofte zijn brein als het ware van de vele ideeën die hij had. Hij maakte allerlei ontwerpschetsen voor uitvindingen, waarvan hij sommige pas tientallen jaren later zou realiseren.

Automaat Alluminaut, tekening van Panamarenko, 1970

Een van de ontwerpen die hij in 1970 op papier zette was voor een robotje; een ‘mannetje’ met een bol hoofd en lange armen en benen. In het hoofd zit één groot oog, waarmee de robot alles registreert. Op het achterhoofd zit een serie relais, die de bewegingen van het robotje aansturen. De vorm van dit mannetje doet denken aan een zogenaamde koppoter, de manier waarop vierjarigen een mens tekenen; een ronde kop met alleen maar armen en benen.

Panamarenko noemt het mannetje Automaat Alluminaut, een verwijzing naar de film Jason and the Argonauts uit 1963. Hij tekent het robotje dat met zijn handen een been beetpakt van een grote versie van zichzelf. Het probleem met dit robotje voor Panamarenko is dat hij geen idee heeft waar het voor zou kunnen dienen. Bij zijn andere uitvindingen is het duidelijk; je kunt ermee vrij over de wereld reizen, maar wat kun je met het robotje? Dit ontwerp blijft dan ook lange tijd op de tekentafel liggen.

De Arlikoop, Panamarenko, 2004

Tot het moment dat Panamarenko, in zijn atelier op de Furkapas hoog in de Zwitserse Alpen, zijn Archaeopterixkes gaat maken, bewegende robots in de vorm van de oervogel Archaeopteryx. Deze ‘kiekskes’ geven hem veel voldoening, terwijl ze niets anders hoeven te doen dan ‘wat rondlopen en gewoon kieken te zijn…’ Hij pakt zijn oude project weer op en bedenkt dat hij ‘dit robotteke wel eens de bergen van de Furkapas zou kunnen laten beklimmen.’ In 2004 is er dan een echte versie van de robot: de Arlikoop.

De Arlikoop op de Noordpool, Panamarenko, 2004

De oorsprong van de naam Arlikoop ligt in Panamarenko’s jeugd. In een interview in plat Antwerps vertelt hij hoe hij als kind op school in ‘algemeen beschaafd karton-Nederlands’ liedjes moest zingen. In één van die liederen kwam de passage voor: ‘Wij zijn jong, de aard’ ligt open’. Panamarenko en zijn klasgenoten verbasterden dat tot: ‘Wij zijn jong, de arlikopen’.

Panamarenko gaat met zijn Arlikoop geen bergen beklimmen, maar hij reist ermee naar de Noordpool, ‘op zoek naar Frankenstein.’ In het felle licht van de eindeloze sneeuwvlaktes maakt hij prachtige foto’s van de robot. En zo heeft de Arlikoop toch een functie: hij voedt de fantasie. Hij geeft je het kinderlijke gevoel van een trouwe kameraad tijdens een avontuur in barre omstandigheden. Een heel belangrijke functie, zou ik denken.

Op 1 mei geef ik in Den Haag mijn lezing Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko. Informatie en reserveren: zie Agenda

Foto boven dit artikel: Panamarenko bij de Arlikoop, Deweer Gallery, 2018

 

De lezing is Los!

Eergisteren, op vrijdag 18 maart, was de première van mijn lezing Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko bij Instituut Helikon in Utrecht. Wat was het heerlijk om na een uitstel van drie maanden weer voor een publiek te staan en mijn lezing over de kunstenaar/uitvinder Panamarenko te lanceren. Het publiek van Helikon, de organisatie die lezingen geeft in de ruimtes van het Instituto Cervantes, reageerde enthousiast; er werd gelachen en bij bepaalde dia’s klonken er zelfs aahh’s en oohh’s. Kortom, we kregen vleugels.

Ik had deze lezing vorige zomer gemaakt in opdracht van Heleen Rippen, directeur en programmeur van Helikon Utrecht. De lezing maakte deel uit van een reeks lezingen die gepland stonden voor de periode rond Kerst 2021 met als thema Vleugels krijgen! En Panamarenko’s kunst past daar op een vederlichte en aanstekelijke manier in. Zijn geestige en speelse ‘tuigen’ laten je dromen van onbekommerd vliegen, zweven of varen. Of ze laten je met grote sprongen door de Alpen huppelen.

Panamarenkolezing : Vogels in het Panamarenkohuis. Foto: Frits de Jong

Ik nam mijn publiek mee op een reis door het leven en werk van Panamarenko. Ik liet zien hoe hij in Antwerpen leefde in een creatieve chaos, bevolkt door papegaaien, een beo, een duif en een toekan.

Toen hij in 1972 zijn fantastische zeppelin The Aeromodeller op de Documenta in Kassel ten toon stelde, verblufte hij daarmee het publiek. En ook in de lezing ontlokte de dia van de zeppelin kreten van bewondering aan het publiek, net als de ijle vliegtuigjes Grote Quadru Flip-Flop (met insectenvleugels) en IJsvogel (met vogelvleugels).

Panamarenkolezing: Alpenwandeling met vliegende rugzak Foto: Frits de Jong

Er werd gelachen bij de vliegende rugzakjes die Panamarenko in een atelier hoog in de Alpen ontwierp en waarmee hij – zo willen de promotiefoto’s ons doen geloven – jodelend over de berghellingen sprong.

Ik vertelde hoe Panamarenko het vlieg-tuig Brazil maakte; twee opvouwbare vleugels, die je na een forse aanloop uitklapt zodat je vrij kunt wegvliegen. De naam van deze uitvinding had Panamarenko ontleend aan een science-fiction film waarin de held met machtige vleugelslagen de vrijheid tegemoet vliegt. Deze droom van vrijheid vertaalt Panamarenko in zijn geestige uitvinding Brazil; neem een aanloop tot je veertig kilometer per uur loopt en sla dan je vleugels uit. Je bent vrij!

Panamarenkolezing: Vliegen met de held uit de film Brazil Foto: Frits de Jong
Panamarenkolezing: Portuguese Man of War Foto: Frits de Jong

In de lezing nam ik mijn publiek ook mee het water in. Ik vertelde over het verrukkelijke duikbootje PAHAMA, waarmee Panamarenko vanuit Antwerpen naar Spitsbergen en Nova Zembla zou reizen. Een Kuifje-avontuur. En ik liet het ‘Kuifje-avontuur’ zien van de wandeling over de zeebodem, waar je ontspannen kunt rondlopen met een reisgids in je hand, dankzij de duikhelm Portuguese Man of War.

Gaandeweg werd in de lezing steeds duidelijker dat het er niet toe doet of de uitvindingen van Panamarenko echt werken of niet. Ze betoveren je met hun poëzie, ze spreken tot de verbeelding. Je stapt op een van zijn luchtfietsen en vliegt weg – in je hoofd! Je zet de duikhelm op en wandelt tussen de koralen – in je verbeelding! Je huppelt met grote sprongen door de Alpen dankzij Panamarenko’s vliegende rugzakjes.

Panamarenko geeft vleugels, Panamarenko maakt je los.

De volgende Panamarenkolezing vindt plaats op zondag 1 mei in Den Haag. Zie Agenda.

 

Making plans

Er is in het dagblad Trouw een rubriek, getiteld De zin van … . Daarin vertellen min of meer bekende Nederlanders welke uitdrukking of welke zin hun leven betekenis geeft. Zoals het gaat bij dit soort rubrieken, vroeg ik me af wat voor mij die zin zou zijn. En het antwoord weet ik eigenlijk wel, het is de oneliner: Life is what happens to you when you sit around making plans. Door mij geïnterpreteerd als: Het leven is wat er gebeurt terwijl je allerlei plannen zit te maken.

In mijn herinnering heb ik deze oneliner ooit opgetekend uit de mond van jazzmusicus Branford Marsalis in een interview zo’n twintig jaar geleden. De ‘originele’ zin blijkt iets anders te zijn nu ik hem gegoogeld heb: Life is what happens to you, while you’re busy making other plans. Deze zin is afkomstig uit de song Beautiful boy van John Lennon. In dit lied uit 1980 zingt Lennon over de liefde voor zijn zoontje Sean en verjaagt hij de monsters onder het bed van het kind.

Het mooie van deze uitdrukking is voor mij dat er eigenlijk twee gebeurtenissen in plaatsvinden; je maakt plannen, je wilt dingen voor elkaar krijgen en ondertussen gebeurt er van alles om je heen, waardoor het anders uitpakt. Dat is wat het leven is; plannen maken én je uiteenzetten met wat er gebeurt. Dat vraagt om doorzettingsvermogen en om gelijkmoedigheid.

De afgelopen twee coronajaren heb ik, zoals heel veel mensen, goed kunnen oefenen met dit motto. In een geïntensiveerde vorm heb ik kunnen ervaren wat ‘Life is’, zou je kunnen zeggen. Allerlei plannen moesten worden bij-, uit- of afgesteld door de beperkende maatregelen. Maar plannen maken is zo’n essentieel onderdeel van leven dat het altijd doorgaat.

En dat is mooi; het is menselijk om te dromen, vooruit te denken, een ideaal na te streven. We maken plannen voor een nieuwe werkproject, een nieuwe lezing, een vakantie, een sociale activiteit. We hebben goede voornemens, we wensen elkaar gezondheid, geluk, liefde. En tegelijk moeten we de tering naar de nering zetten als er andere dingen gebeuren.

Foto’s: Berend van Dooren

Mijn plannen voor het nieuwe jaar zijn om in ieder geval de lezing Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko te geven. Panamarenko, de kunstenaar/uitvinder over wie ik de afgelopen maanden al veel blogs heb geschreven. Met zijn fantastische machines laat hij ons vliegen, zweven, zwemmen en  hink-stap-springen door de ruimte. Of in ieder geval dromen daarvan.

Ook heb ik met beeldend kunstenaar Yke Prins het plan om in januari 2022 opnieuw een lezing te geven met poëzie van Hans Arp: Arps Fluïdum. Deze lezing zal Prins’ expositie Oer, Reflecties omlijsten in Pulchri Studio Den Haag. Na de lezing is – coronamaatregelen in acht nemend – een bezoek aan de expositie onder leiding van de kunstenaar mogelijk.

Ik wens u een goed nieuwjaar toe. Een jaar waarin u en ik doorgaan met plannen maken en waarin het ons lukt gelijkmoedig te blijven onder dat wat er gebeurt terwijl we plannen zitten te maken.

In de Agenda en in mijn Nieuwsbrief houd ik u op de hoogte over de lezingen.

Verbeeldingskracht

‘Wij maken ons bestaan door onze verbeeldingskracht.’ Deze prikkelende zin kwam uit de mond van Bas Heijne in het gesprek in de Haagse Duinzichtkerk op 10 oktober. De verbeelding maakt het leven, volgens Heijne, dat moet je niet overlaten aan de algoritmen en de managers. Ik zat in het publiek bij dit Duinzichtgesprek en Heijnes pleidooi voor de verbeelding was mij uit het hart gegrepen. Mijn boek Tot de verbeelding, dat vorig jaar verscheen, is een statement over de kracht van de verbeelding. Op de cover staat een mannetje dat roept: ‘Tot de verbeelding!’ Á l’art in plaats van á l’arme!

Net in de week van het gesprek met Bas Heijne was de inlijsting voltooid van de oorspronkelijke illustraties uit het boek Tot de verbeelding. De zeven originele tekeningen van Peter Oosterhout zijn in kleine eikenhouten lijstjes gevat, die in een losse reeks opgesteld staan op een elegant balkje. Zo vormen ze één geheel en zijn ze toch vrij in de ruimte. De levendigheid en de subtiliteit van de tekeningen komen nu volledig tot hun recht.

De zeven illustraties van Peter Oosterhout voor het boek ‘Tot de verbeelding’

Voordat het boek in 2020 verscheen, hadden de illustrator en ik uitgebreid gesproken over de beelden bij de hoofdstukken. In elk van de zeven hoofdstukken gaat het om de verhouding van het ‘mannetje van taal’ op de cover met het thema van het betreffende hoofdstuk (de kunstenaars Arp, Rembrandt, Zadkine, Niki de Saint Phalle en Picasso en de onderwerpen Natuur en Taal).

In zeven schitterende, fijnzinnige tekeningen heeft Peter Oosterhout die vervlechting weergegeven; het mannetje gaat, in verschillende gedaantes, op in de wereld van de kunstenaar. Daarbij is telkens één aspect uit de kunst uitgelicht, een aspect dat het meest tot de verbeelding spreekt. Bij Rembrandt zijn dat de handen, bij Niki de betoverende mozaïeken, bij Zadkine de muziek, enzovoort.

Peter Oosterhout is ook met een mooi werk vertegenwoordigd op de groepsexpositie Het gewicht van woorden, die tot 12 december in de Oranjekerk in Amsterdam is te zien. Tien kunstenaars hebben het gedachtengoed van filosofe Hannah Arendt (1906-1975) verbeeld. Van Peter Oosterhout hangt er een digitale collage met de titel Bij Hannah Arendt aan tafel.

Bij Hannah Arendt aan tafel, digitale collage van Peter Oosterhout

In een fraai uitgelicht decor zit Hannah Arendt als een soort talkshowhost aan een grote ronde tafel. Haar gasten zijn de in een lichtgeel kostuum gestoken wiskundige Alan Turing (1912-1954), de man die de enigma-code kon ontrafelen, en een luid kwakende figuur, een zekere Donald. In de rook van Arendts sigaret staat een van haar beroemdste citaten over de banaliteit van het kwaad. Zoals altijd heeft Oosterhout allerlei elementen en figuren toegevoegd die een rijke wereld vol beelden en associaties oproepen.

Ook Hannah Arendt onderkende de kracht van de verbeelding. Zij stelde vast dat het ontbreken van verbeelding dodelijk is; SS’er Eichmann, wiens proces zij in 1961 volgde, was een onbeduidend mannetje, een boekhouder ‘zonder verbeelding’ die alleen maar regeltjes uitvoerde. Verbeelding is de kracht die we nodig hebben om te leven.

De zeven illustraties uit het boek ‘Tot de verbeelding’

Nu de avonden weer lengen en de feestdagen eraan komen is Tot de verbeelding een heerlijk boek om te lezen, c.q. cadeau te geven. Bestellen gaat eenvoudig via de pagina Boek van mijn website. In december geef ik mijn lezing over Panamarenko, de kunstenaar die ons verlangen om te vliegen verbeeldt. Zie Agenda.

Gevleugeld

Morgen, op 1 oktober, geef ik mijn lezing Rembrandts Handen in Utrecht. Hiermee introduceer ik mijzelf bij Helikon, het instituut dat lezingen houdt over kunst, cultuur en religie. Het thema van Helikon voor 2021/2022 is Vleugels krijgen!, waarin ‘de gevleugelde mens, engelen en ander kunst- en vliegwerk’ centraal staan. Later dit jaar zal ik voor Helikon mijn Panamarenkolezing houden, die ik in opdracht van het instituut heb gemaakt.

Vanwege het thema Vleugels krijgen! heb ik aan mijn Rembrandtlezing twee engelenafbeeldingen toegevoegd. Eén is het schilderij Jakob worstelt met de engel uit 1659 en één is de tekening De aankondiging aan Maria uit 1635. Die tekening kende ik niet, maar ik werd erop gewezen door Heleen Rippen, directeur en programmeur van Helikon.

De aankondiging aan Maria, tekening met pen en inkt, ca. 1635

De tekening is een buitengewoon dynamisch en op het eerste gezicht raadselachtig geheel. Maria lijkt ineen te zijgen in een wolk van plooien van haar gewaad. Of wendt ze zich af van de engel die met zijn brede vleugels over haar heen gebogen staat?  De handen zijn in deze tekening niet heel duidelijk, maar de gezichten wel. Maria heeft de ogen neergeslagen, of zelfs dicht, maar haar gezicht drukt geen angst uit. De engel kijkt met een intense, maar zachtaardige blik naar Maria.

Het afwerende gebaar dat je zou kunnen zien in de houding van Maria deed mij denken aan Rembrandts ets Christus in de hof van Gethsemane. Op deze ets uit 1652 zien we Christus geknield in de hof van Gethsemane. Hij verkeert in grote nood en bidt om niet te worden gekruisigd. Een engel knielt bij Christus, maar net als in de tekening De aankondiging aan Maria lijkt het of Christus Zijn hoofd van de engel afwendt.

Christus in de hof van Gethsemane, ets, 1652

In beide scènes staan de figuren (Maria en Christus) voor een ingrijpend moment in hun leven en geeft Rembrandt weer hoe ze worstelen met dit moment. Het verschil is dat de engel in de hof van Gethsemane geen boodschapper is. Christus weet al dat Hij zal sterven. De engel is hier een ondersteunende en liefdevolle figuur die Hem de kracht geeft om Zijn lot te dragen. Rembrandt geeft dat letterlijk weer in het been van de engel dat stevig op de grond geplant staat, waardoor hij Christus overeind kan helpen.

In de tekening De aankondiging aan Maria zien we hoe de engel Maria overvleugelt. Zijn boodschap overweldigt haar, ze lijkt uit haar stoel op de grond te zijn gezakt. Er liggen ook een paar slippers en een hondje (?) dat met de kop op de gekruiste voorpoten rustig doorslaapt. Geen paniek dus, maar wel een ontzagwekkend moment, dat Maria op zich moet laten inwerken.

Rembrandt is – en dat laat ik in mijn lezing ook zien – de kunstenaar die de grote momenten uit de Bijbel weet te plaatsen in een gewone, menselijke omgeving. Hij brengt de religieuze verhalen terug tot menselijke proporties, waardoor we ons er meer mee kunnen verbinden.

De lezing Rembrandts Handen, de taal van de handen in Rembrandts werk morgen, 1 oktober, bij Helikon in Utrecht. Zie Agenda.

Montaignes probeersels

Op 1 juni geef ik tussen de beelden van de expositie EIGEN+BEELD in museum Beelden aan Zee nog één keer mijn lezing MEE NAAR HUIS. Die lezing is besloten, maar er wordt een opname van gemaakt. Na 1 juni zal ik de link van die opname bekendmaken, zodat iedereen de lezing online kan bekijken. Voor deze digitale versie van de lezing moest ik hem wat inkorten. Ik heb het verhaal over Montaigne, het grappige én diepzinnige kunstwerk van Eveline van Duyl, uit de lezing gehaald. Maar gelukkig kan ik in dit blog het verhaal alsnog vertellen.

Montaigne, Eveline van Duyl, 2010

Op de expositie kijkt de patchwork-kop van de zestiende-eeuwse Franse filosoof Montaigne je als een soort spitting image al van verre aan. Deze kop uit 2010 is een van de 26 bustes van bekende filosofen die Eveline van Duyl maakte. Van Erasmus tot Wittgenstein, van Maimonides tot Hannah Arendt, alle grote denkers uit de wereldgeschiedenis werden door haar geportretteerd.

Bij elke filosoof koos Eveline van Duyl het materiaal dat ze vond passen bij het gedachtegoed en de persoonlijkheid van de betreffende denker. Heidegger kreeg een loden kop, Sartre een kop van plastisch schuimrubber en bij Montaigne koos ze voor een lappendeken van bontgekleurde stukjes stof die met grove steken aan elkaar zijn gezet.

De Franse humanistische filosoof Michel de Montaigne leefde van 1533 tot 1592. Hij was de eerste filosoof die zijn eigen ervaringen en ideeën als uitgangspunt nam voor filosofie. Montaigne noteerde al zijn observaties in kortere of langere opstellen die hij Essais (Probeersels) noemde. Daarmee was hij de uitvinder van het literaire genre van het essay; een persoonlijk betoog met diepgang. Een literair genre waar ik me erg mee verwant voel.

Montaignes observaties bestreken een breed vlak. Hij schreef over vriendschap, over de boeren die hij op het land zag werken, over zijn nierstenen, over nederigheid; alles gebaseerd op zijn eigen ervaringen en waarnemingen. Volgens Montaigne kan je door zelfonderzoek inzicht krijgen hoe te handelen volgens je eigen aard. Que sçay-je? (Wat weet ik?) was zijn motto en de vorsende blik die Van Duyl aan haar Montaigne heeft gegeven, roept ook op tot streng zelfonderzoek.

Beeld uit een animatiefilmpje over Montaigne in het HUMAN-programma ‘Durf te Denken’ door Sverre Fredriksen en Leander Huizinga

Montaigne bleef zijn leven lang werken aan zijn Essais en ook dat zien we terug in de patchwork-kop van Eveline van Duyl. De bontgekleurde stukken stof zijn met losse steken bijna provisorisch aan elkaar gezet. De Probeersels van Montaigne (het zelfonderzoek) vormen een beweeglijke lappendeken, die almaar wordt herschikt en waar eindeloos op kan worden voortgeborduurd.

Opvallend is dat Eveline van Duyl haar filosofenbustes op strijkplanken heeft gezet. ‘Ik wilde de koppen zo veel mogelijk laten zweven. Het zijn hoofden gevuld met zware gedachtes, maar tegelijk hebben de gedachtes geen soortelijk gewicht. Een idee weegt niks.’ Bovendien, zegt Van Duyl, zijn gedachtes erg vluchtig: ‘Een gedachte is er, en ze is zo weer weg. Eigenlijk net als een strijkplank, die je inklapt en weg zet’.

Eveline van Duyl in haar atelier. Beeld uit documentaire ‘Denkeiland’ van Itamar Kool

Montaigne, de bedenker van de veelkleurige probeersels, komt niet terug in mijn digitale lezing MEE NAAR HUIS. Maar in dit blog kunt u nu wel het mooie filmpje bekijken over de filosofenkoppen van Eveline van Duyl, in 2011 gemaakt naar aanleiding van de expositie Denkeiland in museum Beelden aan Zee.

Mijn lezing MEE NAAR HUIS is vanaf 1 juni online te zien. Ik stuur u binnenkort de link naar de video in een extra editie van de Man-van-Taal-Nieuwsbrief.

Wakker gekust

Er was eens, in een duinpan hier niet zo heel ver vandaan, een verhalenbos; een mooie tentoonstelling die EIGEN+BEELD heette. Je kon er als in een bos ronddwalen tussen de mooiste beelden uit het depot van museum Beelden aan Zee. De tentoonstelling werd in september 2020 geopend, maar door de tweede lockdown die in het najaar over het land uitwaaierde raakte ze in een diepe slaap. Het verhalenbos viel stil.

Ik heb als verteller een lezing gemaakt over de tentoonstelling. MEE NAAR HUIS heet deze lezing, waarin ik op zoek ga naar de verhalen die schuilgaan in de kunstwerken. Verhalen die je mee naar huis neemt als je door het bos hebt gedwaald. Binnenkort geef ik nog één keer mijn lezing en – ook al is het niet voor een live publiek – het verhalenbos zal weer tot leven komen. De gebeurtenis wordt met een camera vastgelegd. De expositie EIGEN+BEELD, een expositie die me na aan het hart ligt, wordt door mij wakker gekust. 

Expositie EIGEN+BEELD met links op de voorgrond: Tête héroïque, 1922, Ossip Zadkine, en rechtsachter: Revolution Kid, 2012, het vosje van Yinka Shonibare

Ik zal weer het verhaal vertellen van Keesje, het diakenhuismannetje, die door Jan Bronner zo treffend is weergegeven op het Hildebrandmonument. En als we verder het verhalenbos binnengaan zal ik opnieuw vertellen waarom de Tête héroïque van Zadkine mij bijna knock-out slaat. En ook het revolutionaire vosje van Yinka Shonibare, die verhalen uit de hele wereld in zich herbergt, komt weer voorbij.

Aan de rand van de open plek midden in het bos zal weer voelbaar zijn hoe naoorlogse kunstenaars als Eugène Dodeigne en Marino Marini in hun werk een geschonden mensbeeld lieten zien. ‘Het werd gebouwd, het ging stuk, een desolaat gezang blijft op de wereld’, zo omschrijft Marini de toestand van de mensheid na de Tweede Wereldoorlog. Maar als we verder lopen in de tijd en in het bos zien we hoe uit de brokstukken weer iets nieuws ontstaat. Nieuwe kunst die klinkt als muziek, zoals bij André Volten en bij de swingende kubussen van Erik van Spronsen.

We zullen nog één keer de filosofische zijpaden betreden in het bos, bijvoorbeeld bij de Zusjes van Karin Arink. Met haar rauwe en poëtische beelden en gedichten onderzoekt zij de vraag: Wat is een lichaam, wat ben ik?

Montaigne, 2010, Eveline van Duyl

De kop van de zestiende-eeuwse filosoof Michel de Montaigne staart je in dit bos al van verre aan. Zijn vorsende blik is een oproep tot een streng zelfonderzoek: Que sçay-je? (Wat weet ik?) was zijn motto. Toch maakt dit patchworkhoofd het je niet al te zwaar; de kunstenaar – Eveline van Duyl – heeft de filosofenkop op een strijkplank gezet, want, zo zegt zij, ‘Ideeën, ook al zijn het zware gedachten, wegen niets en ze zijn vluchtig; je klapt ze in en zet ze weg.’

Aan de rand van het bos, als de verhalen zich weer verwijden, staan de kleurigste kunstwerken. De Gele Berg van Klaas Kloosterboer is oogverblindend, maar wat moet je daar nou van maken? Dat is precies de vraag die de kunstenaar aan de orde wil stellen. Aan het eind van de wandeling door het verhalenbos waag ik mij aan een suggestie; maak een Victory Boogie Woogie. Moderne kunst als muziek. Hoor maar!

Ik kus de expositie EIGEN+BEELD, sluimerend in die prachtige ruimte van Wim Quist, nog één keer wakker. Op 1 juni wordt een opname gemaakt van mijn lezing MEE NAAR HUIS in de Grote Zaal van museum Beelden aan Zee. De lezing is niet toegankelijk voor publiek, maar de opname zal daarna via een link online te zien zijn. Zodra de link van deze videoregistratie beschikbaar is hoort u dat van mij.

Elkaar bijstaan

Al bijna een jaar is ongewild de mens de mens een wolf. Ieder van ons kan drager zijn van het coronavirus, ieder van ons kan de ander besmetten. We bewegen ons behoedzaam in de openbare ruimte, zigzaggend om andere mensen heen. Bospaden dijen uit in de breedte, omdat mensen elkaar op anderhalve meter afstand willen passeren.

Onze mimiek gaat schuil achter mondkapjes en beslagen brillenglazen. Kuchschermen scheiden ons van elkaar. We ontsmetten de winkelwagentjes. We volgen pijlen op de vloer, houden halt bij 1,5-meter-stickers en zitten in wachtruimtes met één stoel tussen ons en de ander.

We stellen onszelf voor met een afstandelijk knikje en begroeten elkaar met een wuivend handgebaar. Geen knuffels, niet even een vriendschappelijke aanraking, geen zakelijke handdrukken, geen arm voor de steun en geen zoen voor de troost. In tegenstelling tot de officiële slogan ‘Alleen samen krijgen we corona onder controle’, werpt deze pandemie je heel erg terug op jezelf. De mens is de mens een wolf. Al bijna een jaar leven we in het boze sprookje van Mondkapje en de Wolf.

Alruinmannetje, uit ‘Hortus sanitatis’, 1491

Ik vond bij Hans Arp een prachtig sprookje dat tegenwicht biedt aan deze desolate wereld. Het sprookje heet Elkaar bijstaan. Het is een poëtisch verhaaltje over een verschoppeling, ein Wurzelgeburt aus dem Walde, door mij vertaald als ‘een wortelgedrocht uit het woud’. Hij deed mij denken aan het alruinmannetje, een klein, plantaardig mannetje waaraan in de middeleeuwen kwaadaardige krachten werden toegeschreven. Het wortelgedrocht wil graag gezien worden door de mensen, hij wil zijn plek in de gemeenschap innemen, maar niemand slaat acht op hem.

Op een dag kruist der schneeweiße Kopf, het sneeuwwitte hoofd, het pad van het wortelgedrocht. Het sneeuwwitte hoofd lijkt een onbereikbare figuur, maar het is iemand met een grote sensitiviteit. Hans Arp beschrijft in zijn meesterlijke stijl hoe het sneeuwwitte hoofd begaan is met het kleine. Hij weet ijle, broze figuren naderbij te lokken (ik zag meteen de fragiele Steltkluut voor me) en heeft oor voor het zachte gescharrel van verlegen draken.

Het sneeuwwitte hoofd richt zich de laatste tijd steeds meer op het kleine Einmaleins. Wat een prachtig woord kiest Arp daar! Das kleine Einmaleins is een rekenmodel waarmee Duitse kinderen op school leren vermenigvuldigen van 1 tot 10. Een beetje zoals wij leerden vermenigvuldigen met de tafels van 1 tot 10. Tegelijk speelt Arp met de associatieve klank van het woord; Einmaleins klinkt als iets onooglijks. Én als iets dat helemaal op zichzelf staat, dat helemaal alleen is.

In een even geestige als evocatieve slotzin schetst Arp hoe de twee tegenpolen; het wortelgedrocht uit het woud en het sneeuwwitte hoofd, toch iets voor elkaar kunnen betekenen, gewoon door welwillendheid. Een hartverwarmend happy end in deze tijd van sociale distantiëring.

Elkaar bijstaan

Aan de mensen die gewichtig voorbij schrijden zou hij graag kleine, benen belletjes hangen. Maar het ontbreekt hem aan moed. Hij is namelijk een wortelgedrocht uit het woud, dat met de nek wordt aangekeken, en daarom waagt hij het niet ook maar iemand zijn benen tranen aan te reiken. Een beetje welwillendheid zou hem, weliswaar onhandig, maar toch huizenhoog doen opspringen. Maar wie heeft er een boodschap aan dat hij huizenhoog springt.

Steltkluut

Dan komt het sneeuwwitte hoofd, stralend als een porseleinen ster, langs het wortelgedrocht. Het wortelgedrocht uit het woud voelt zich als een nietige onderdaan voor het sneeuwwitte hoofd, die nog nooit zijn hoge hoed heeft afgenomen en hem ook niet voor de woudbewoner afneemt. Maar het sneeuwwitte hoofd is ook een ongewone, uitzonderlijke persoon. Hij kan het doorzichtig klinkende, op zijn lichte en fijne stelten, naderbij lokken en in verspiegelde kussen veranderen. En met één oor hoort hij het gescharrel van timide draken onder het zwartgevlekte vel van een cipres of van een geschilde echo dat plotseling over hen heen valt, terwijl normale mensen daar minstens een dozijn oren voor nodig hebben.

De laatste tijd echter legt het sneeuwwitte hoofd zich meer en meer toe op de tafel van één en begint hij opnieuw vriendelijke wolken, die de smart verzachten, te vereren. Schrijver dezes houdt het voor goed mogelijk dat binnen afzienbare tijd het sneeuwwitte hoofd het wortelgedrocht uit het woud gelegenheid geeft om, weliswaar onhandig, maar toch huizenhoog te springen en dat op die manier deze twee elkaar bijstaan.

Uit: ‘Auch das ist nur eine Wolke’, Hans Arp, 1951

Foto boven dit blog: Hans Arp in zijn atelier, 1958. Fotograaf onbekend.

Putteke winter

De Belgische weerman Frank Deboosere, die zijn tv-weerbericht altijd afsluit met een aimabele glimlach, legde deze week uit dat de periode tussen 10 en 20 januari van oudsher ‘het putteke van de winter’ wordt genoemd. De aimabele glimlach en het lieflijke ‘putteke’ ten spijt voelt voor mij deze grijze periode ook als een put.

Ik zie online artiesten optreden voor lege zalen, musea kunnen alleen maar virtuele rondleidingen geven en uitgevers stellen publicaties van boeken uit omdat de boekhandels dicht zijn. Kunst, een intermenselijke aangelegenheid, zit in een winterput; een koude, droge, grijze put.

Silencieux, Hans Arp, 1942

In deze verlengde lockdown dwaal ik door het Arp-landschap om me voor te bereiden op mijn lezing Arps Fluïdum. Een lezing die door de coronamaatregelen zomaar weer uitgesteld kan worden. Ik voel me nu vooral aangesproken door de sombere gedichten die Arp schreef tijdens de Tweede Wereldoorlog.

In 1940, toen de Duitsers Parijs binnenvielen, moest Hans Arp zijn atelier bij Parijs, zijn Schuilplaats van dromen (een van de gedichten uit mijn lezing) ontvluchten. Hier had hij gewoond, gewerkt en vrienden ontvangen; geestverwanten die samen met hem een kunstvorm ontwikkelden die mensen de vrijheid bood om te dromen.

Hoewel hij in zijn ballingschap af en toe woedend inhakte op het gips en een razend gedicht schreef over een gek die alles vernielt, zijn de beelden die hij in deze periode maakte vooral verstild en in zichzelf gekeerd, zoals Silencieux uit 1942. De gedichten uit deze tijd staan nog steeds vol fantasierijke, absurdistische droombeelden, maar nu droomt hij een sombere droom.

Zoals het gedicht IN HET HOPELOZE

Gestalten als verjaarde echo’s gaan langs me heen.
Gelatineuze weefsels bedekken een grote pop die op een eenzame plaats is opgesteld.
Er klinkt gekreun in het hopeloze.
De duistere schaduwkroon die op de wereld drukt wil niet oplichten.
Waar zijn de viooltjesblauwe hemelse weiden?
Die hebben zaligen lang geleden in hun ogen meegenomen.
Mijn dromen gaan kapot in kwade stenige bedden.
Tevergeefs heb ik duizend wegen bewandeld.
Telkens dreigden de torens in te storten waarop ik van het uitzicht had willen genieten.
Aan eindeloze ashemels loeren kwade grauwe spinnen.
Hun hart gilt vals.
Ze zijn net als ik vervloekt.
Ik ben de sporen van het licht kwijt.
Ik kan niet ontsnappen uit mijn grijze vaderland.
Wat heb ik aan liederen die zich van de ene zij op de andere draaien.
Het zijn dodelijk vermoeide berggidsen.
Ze geven hetzelfde antwoord uit hun verwelkte harten:
Edelblauw is ook maar droomschittering.
Wie spiegelende handen heeft moet goed oppassen dat ze door de adem niet beslaan…

Uit de bundel ‘Die ungewissene Welt’, 1939-1945

Het helpt me, zo’n somber gedicht in deze put van de winter. Ik vind er weerklank voor mijn gevoel. Toch biedt dit gedicht ook een uitweg. Die uitweg zit in het beeld van de laatste zin, een zin die ook nog eens open eindigt met drie puntjes. Het is een waarschuwing, een aansporing: Pas op dat je spiegelende handen niet beslaan door je adem. Of de adem van de tijd. Houd oog voor de poëzie.

Ik heb het zelf in de hand. Ik moet mijn spiegelende handen niet laten beslaan. ‘Niet de gebeurtenis zelf is belangrijk, maar de ervaring ervan, de poëzie’, schreef de door mij bewonderde columnist Wim Boevink ooit in zijn mooie kroniek Klein Verslag. Ik heb het tot mijn motto gemaakt: Zie de poëzie. De poëzie van ‘putteke’. Van de glimlach van Frank Deboosere. Laat dan putje winter maar komen!

Mijn besloten lezing Arps Fluïdum is verplaatst naar 14 februari. Hopelijk komt er daarna een openbare lezing. Houd de Agenda in de gaten.