Leve de wolk!

Met de uitroep ‘Es lebe die Wolke’ rondde ik afgelopen zondag mijn lezing Arps Fluïdum af. Deze uitroep komt uit Die große Firgelei, Arps gedicht uit 1963 dat hij gedeeltelijk in de fantasietaal die Firgelsprache schreef. Het gedicht opent met de vraag aan het publiek of Firgel hen heeft verzekerd dat de dichter een wolk zal worden. Maar waarom ben ik dan nog geen wolk, vraagt de dichter zich af.

In het gedicht wordt de mooie Firgeltaal beschreven:

die schöne Firgelsprache
ist das verweilen das träumen
das sinnen und überspinnen
sind himmlische traumblumenlieder
also unsichtbare wolken

de mooie firgeltaal
is het er-zijn het dromen
het peinzen en mijmeren
zijn hemelse droombloemenliederen
onzichtbare wolken dus

Aha! De dichter is misschien al een wolk, maar het is een onzichtbare wolk, dus we kunnen het niet zien. Dadaïstische logica. Het gedicht Die große Firgelei eindigt met de volgende regels:

es lebe die wolke
und ganz besonderes
die wolke der engel
der göttlichen blume

leve de wolk
en speciaal
de engelenwolk
van de goddelijke bloem

Wolken komen heel vaak voorbij in Arps poëzie, bijna net zo vaak als dromen. De wolk staat voor vrijheid, inspiratie, openstaan voor kunst, voor het spirituele. Ook in het gedicht Schuilplaats van dromen uit 1961 passeert een wolk:

Een waterval
valt van zijn ladder
scheurt zijn bretels
en besluit van baan te veranderen
hij pelt zich af
en wordt wolk

Opnieuw een Dadaïstisch beeld; de waterval die een vaste baan heeft (de ladder) krijgt een ongeluk waarna hij een ferm besluit neemt. Hij trekt zijn oude kloffie uit – zijn bretels waren toch al stuk – en wordt wólk! Hij wordt vrij.

In het lange gedicht Gislebertus d’Autun, Arps hommage uit 1962 aan de middeleeuwse beeldhouwer Gislebertus die de beelden voor de kathedraal van Autun maakte, zien we droomwolken die afdalen uit en opstijgen naar het oneindige. Dit moeten wel engelenwolken zijn die de middeleeuwse beeldhouwer hebben geïnspireerd tot zijn prachtige beeldengroepen.

Wolkenschijven, Hans Arp, 1963, beschilderd hout

Ook in de sculpturen en de reliëfs van Arp zitten vaak wolkachtige vormen. Met het reliëf Wolkenschijven uit 1963 trakteert Hans Arp ons zelfs op plakjes wolk. Plakjes vrijheid, lekker voor op de dagelijkse boterham. Of gewoon tussendoor.

Met de lezing Arps Fluïdum net achter de rug en de zomer voor de boeg is de wolk een heerlijk thema. Languit in het gras naar de wolken kijken, of in je ligstoel op het strand. Staren naar de langzaam voorbijglijdende ‘wezens’ die veranderen van vorm, kleur, dichtheid. Kijk naar de vliegende krokodil, of de man met de grote neus. Of gewoon naar een prachtig volle witte wolk, die statig voorbijzeilt. En naar de windveren niet te vergeten, die lichte vegen in het blauw.

Wolken maken je vrij. Leve de wolk! Ik wens u een fijne zomer toe.

Zie de lente

Ook dit jaar volg ik weer met veel belangstelling de webcams van Vogelbescherming in de Beleef-de-Lente-campagne. Ik ben niet zo’n liefhebber van de naam van deze campagne – de lente ‘beleven’ versterkt het idee van de natuur als één groot attractiepark – maar ik ben wel een groot liefhebber van vogels. Ik heb er al vaak over geschreven; vogels hebben mijn hart. En dankzij de vele BeleefdeLente-webcams kan ik hun authentieke gedrag rond de voortplanting van nabij volgen.

Hoewel ik niet zo voor een antropocentrische benadering van vogels ben met termen als ‘liefdesleven’, ‘Pa en Ma Ooievaar’ en vogels die elkaar ‘knuffelen’, ben ik toch erg onder de indruk van de toewijding, de volharding en de zorgvuldigheid waarmee vogels werken aan het bewerkstelligen van nageslacht. Weer of geen weer; de vogels bouwen aan hun nest, broeden op de eieren en slepen voedsel aan voor de onverzadigbare jongen.

Indrukwekkend is de Zeearend in zijn nest hoog in de zwiepende boom in de voorjaarstorm. Wat een kop, wat een snavel! Het enorme nest, gebouwd met dikke, levende takken, vormt een diepe kom die de jonge Zeearenden bescherming biedt tegen de ijzige voorjaarsstormen die over het land trekken.

Zeearend

Er zijn prachtige beelden van de Visarend die in de Biesbosch broedt. Met hand en tand verdedigt het stel het nest tegen indringers als de Nijlgans en Canadese gans, die ook wel een oogje hebben op deze nestplaats. Ook de Aalscholver, die in hetzelfde gebied vist als de Visarenden en dus een voedselconcurrent is, wordt fel verjaagd. Maar als het eerste ei is gelegd is deze vogel verrassend gevoelig. Behoedzaam, met de vervaarlijke klauwen naar binnen gekeerd, lopen de Visarenden ‘op hun knokkels’ op het nest om het ei niet te beschadigen.

Visarenden bij het eerste ei

De uilen zijn weer op een andere manier indrukwekkend. En grappig. De Oehoes broeden in een hooischuur boven op een houten kast, een voormalige bedstee. Hoe groot deze uilensoort is, zie je pas als ze met een konijn als prooi binnen komen. Als een klein ‘muisje’ bungelt de prooi in hun snavel.

Oehoe met prooi (konijn) bij twee kuikens

Op hun krachtige poten bewegen de Oehoes traag en gelijkmatig door het nest. De kleinste uilensoort, de Steenuil, is veel vinniger en beweeglijker. Als de nestkast belaagd wordt door Kauwen, duikt de Steenuil als een schicht uit het niets neer en verjaagt de volkomen verraste indringers.

Steenuil bewaakt de nestkast

Hoog boven het Noord-Brabantse land broeden de Slechtvalken in een nestkast op 127,7 meter hoogte in een zendtoren. Deze roofvogel vangt vogels in de vlucht. Het is de snelste jager ter wereld; in een stootduik behaalt de Slechtvalk snelheden van meer dan 380 kilometer per uur. Het zijn zeer toegewijde ouders; zowel de man als de vrouw voeren de jongen kleine hapjes van de aangevoerde prooien.

Man (l.) en vrouw (r.) Slechtvalk voederen de twee jongen

De Kauwen, die vaak opduiken als irritante nieuwsgierige aagjes bij andere nestkasten, hebben een nest dat past bij hun lawaaierige aard. Een schijnbaar achteloos op elkaar gesmeten hoop takken met in de hoek een broedplek met wat zachtere materialen, zoals gras en pluizig materiaal. De rolverdeling is duidelijk; de vrouw broedt en de man doet de bewaking en draagt voedsel aan en nestmateriaal. Heel verrassend was het beeld van de man die thuiskomt met een klontje aarde. Hij verpulvert het over haar heen en geeft haar een zandbad door het met zijn snavel in haar veren te masseren.

Man Kauw geeft vrouw een zandbad

Natuurlijk zijn er ook de harde kanten van het vogelleven. Een kuiken dat achterblijft in de groei en sterft, roofdieren die het gemunt hebben op eieren of kuikens, of een vreemde vogelman die het nest binnendringt en gewelddadig paart met de vrouw. En wat te denken van al die muizen en konijnen die niet meer thuis komen in hun nest van hongerige jongen? Het is geen zoetsappige idylle, de vogellente, maar wel een indrukwekkende en bij tijd en wijle ontroerende uiting van levenskracht. Ik zie het graag.

 

 

 

De Hezenes

Bij het essendorp Diever in Drenthe, waar ik een paar dagen op vakantie ben geweest, ligt de Hezenes. Het is een schilderachtige plek, waar je de sfeer van het oude Drentse landschap nog heel goed voelt. Het is ook de plek waar alle aspecten van deze streek waar ik zo van hou bij elkaar komen.

De es, een wat hoger gelegen gedeelte van het landschap, werd gebruikt om graan te verbouwen. Door de voortdurende toevoeging van schapenmest en stro aan de schrale grond werd het oppervlak nog hoger en golvender. Essen hebben vaak een licht glooiende, ronde koepelvorm met daaromheen houtwallen en bossen. Het is een intiem landschap, waar je je oog graag laat meegaan met de dalende en rijzende golven.

De Hezenes bij Diever in de avondzon

Aan de noordzijde van de Hezenes begint het Drents-Friese Wold, een enorm bosgebied dat zich uitstrekt tot Appelscha in Friesland. Daar, aan de bosrand, ligt het voormalige Armenwerkhuis, nu het Landhotel waar ik verbleef. ’s Avonds, na het diner, maakten geliefde en ik vaak nog een wandeling over de es. In de lage avondzon reikten onze schaduwen tot ver in het veld.

Ree. Foto: Berend van Dooren

Bij de bosrand scharrelden vaak reeën rond, die in de zonsondergang nog reebruiner werden. Op de omgeploegde akker, die naar verse koemest rook, riedelde het van de Witte kwikstaarten. Overal zag je in het strijklicht kleine zwart/witte ‘sterretjes’ opflakkeren tegen de bruingrijze ondergrond. Het “tiddit!” van deze kwikzilveren vogeltjes was niet van de lucht.

Grote lijsters lieten hun melancholieke zang over het veld schallen, terwijl ze rechtop op het veld stonden. Maar zij werden qua schoonheid naar de kroon gestoken door hun verre neef de Beflijster. Subliem uitgelicht in de ondergaande zon scharrelde deze zwarte vogel met bronskleurige vleugels over de akker. Als hij zich, zoals alle Lijsters doen, oprichtte en even stilstond, toonde hij zijn chique, spierwitte bef in volle pracht.

Beflijster (l.) en Tapuit (r.) Foto’s: Berend van Dooren

Het was al een kwestie van geluk om de Beflijster te zien – het is eigenlijk een trekvogel die allang in het Noorden had moeten zitten – ons geluk kon helemaal niet meer op toen we ook nog een Tapuit ontdekten. Deze bedreigde vogel, die nestelt in verlaten konijnenholen, kwam vroeger algemeen voor in duinlandschappen en op woeste grond, maar onder andere door konijnenpandemieën is het een zeldzame verschijning geworden. Maar daar zat-ie: maskertje op, grijze rug en kop en prachtige lichtoranje keel, overgaand in een witte borst en buik. Een beauty!

Aan de westkant van de Hezenes ligt het Shakespearetheater; het openluchttheater waar elke zomer een toneelstuk van Shakespeare wordt gespeeld. Aan de rand van dit betoverende landschap wordt in de zomernacht een van de heerlijke stukken opgevoerd van Sjakie uut Spier, zoals de schrijver wordt genoemd op de webstee van ut Deevers Archief. (NB Spier is een dorpje in de buurt.)

Midzommernachtdreum, bronzen beeld van Arie Teeuwisse

In het dorp Diever staat bij de kerk een bronzen beeldje van Arie Teeuwisse, met een scène uit De Midzomernachtsdroom: Elfenkoningin Titania, echtgenote van koning Oberon, is betoverd en verliefd geworden op Spoel de Wever die een ezelskop heeft. Ze kussen. Onder het beeld staat een mooi Drents gedicht van Roel Reyntjes over de betovering van dit speciale dorp:

Midzommernachtdreum

De keunegin der elven
die kust de ezelskop
en boven bomgewelven
daor zweeft de maone op –

het is het uur der geesten
as Oberon regeert,
Titania giet feesten
en Puck döt ’t al verkeerd –

now giet het waer gebeuren,
de tover döt zien wark –
greun glaanst de elvenkleuren….
In Diever, bij de kark

daor stiet in steen oethouwen
hoe dwaos de liefde is –
en Spoel met zien getrouwen
die speult van Pyramus.

Hier is oprechte iever
verkeerd noch ongepast –
Midzommernacht in Diever
en Shakespeare is te gast.

Ja, de tover döt zien wark op de Hezenes in Diever.

April in Diever

Als u dit leest ben ik net aangekomen voor een korte voorjaarsvakantie in mijn favoriete hotel in het landelijke Diever in Drenthe. Ik kom hier graag; het Landhotel ligt net buiten het dorp, honderd meter voorbij hunebed nummer D52. De natuur is hier schitterend, het is een oud essenlandschap met prachtige coulissen waartussen zich telkens nieuwe vergezichten openen. De lichte glooiingen in het veld nemen een loopje met je gevoel voor diepte. In de uitgestrekte bossen wordt de rust alleen verstoord wordt door vogelgezang en het knerpen van de schelpenpaden onder je fietsbanden.

Landschap bij Diever
De Vrolijke Vrouwtjes van Windsor, 1979, uit: ‘Speelkwartier, Zestig jaar toneelvereniging Diever, 1946-2006’

Diever is ook het dorp met de traditie van de Shakespearevoorstellingen, die elke zomer in het openluchttheater worden opgevoerd, en waar het hele dorp aan meewerkt. De voorstellingen trekken altijd een groot publiek dat graag op de harde, houten banken plaatsneemt voor een betoverende avond Shakespeare in het bos.

Ook ik heb een aantal van die voorstellingen bezocht en bij de opvoering van Shakespeares snedige komedie De Vrolijke Vrouwtjes van Windsor heb ik mijn grote liefde gevonden. Op 18 augustus 1979 – we waren allebei nog student in Groningen – bezochten we samen die voorstelling en of het nu door de bekoring van de carnavalspruiken en dito hoedjes kwam of door het heerlijke, onopgesmukte openluchttheater op een zomeravond, we werden een stel. Sinds die tijd is 18 augustus ‘onze dag’ en 28 jaar later werd het onze trouwdag.

In een eerder blog heb ik Diever al eens bezongen met het prachtige lied dat Schubert schreef voor de lieflijke Sylvia, een personage uit Shakespeares The two Gentlemen of Verona. Nu bezing ik het dorp en de omgeving met de soothing vocals van Ella Fitzgerald in het lied April in Paris. Vervang het woord Paris door Diever en je hebt mijn gevoel bij het verblijf hier.

Sleedoorn

De chestnuts (kastanjes) staan nog niet in bloei, daar was het voorjaar tot nog toe te koud voor, maar de sleedoornhagen die overal de wegen omzomen staan in hun volle witte pracht te bloeien. Vogels, daar komen we voor! We gaan eropuit met de fiets. Zouden we de Wielewaal al horen? De Koekoek? Zouden we al een glimp opvangen van de Kraanvogels die hier in de buurt broeden?

Er zullen niet veel ‘Holiday tables under the trees’ staan, maar we hebben bij de hotelkamer een eigen terrasje waar we kunnen zitten en uitkijken over de weide met schapen en lammetjes. Zouden we de Kwikstaarten weer zien, die met fladderige uitvalsvluchten insectjes vangen tussen de schapen? Zou op het dak de Gekraagde Roodstaart zijn ratelende liedje weer laten horen? Wie weet zien we in de tuin de eekhoorn weer scharrelen met zijn fenomenale pluimstaart.

Ja, April in Diever, this is a feeling/ No one can ever reprise zoals Ella Fitzgerald zingt. Het is een gevoel dat niemand kan overdoen. Het is er iedere keer weer en het is iedere keer weer nieuw:

April in Diever, chestnuts in blossom
Holiday tables under the trees
April in Diever, this is a feeling
No one can ever reprise

I never knew the charm of spring
never met it face to face
I never knew my heart could sing
never missed a warm embrace

Till April in Diever
Whom can I run to?
What have you done to my heart?

Foto: Berend van Dooren

Weerzien

Als het voorjaar zich zo licht en zacht aandient als het de afgelopen weken al een paar keer heeft gedaan, dan geeft dat een speciaal gevoel. Het zonlicht is zachter dan in de winter. Omdat de bomen nog kaal zijn, vloeit het licht ongefilterd uit over de bosgrond. De wereld gaat weer open.

Hoewel er nog wel stadsgedruis doordringt in het bos, overheerst de stralende stilte. Een stilte die wordt geaccentueerd door de geluiden van het bos. Zwaar zoemend trekken hommels voorbij. Spechten laten hun welluidende roffels horen. Het echoënde vogelkoor van mezen, vinken, winterkoninkjes, roodborstjes en zanglijsters geeft een gevoel van lichtheid en ruimte. Ik loop met ingehouden adem, gespitste oren en wijd open ogen door het bos.

Speenkruid

Elk voorjaar komen in de zonovergoten bosgrond weer de voorjaarsbloeiers tevoorschijn. Telkens als ik een net-ontloken soort zie, voelt dat als een weerzien; daar is hij weer! De eerste ‘oude bekende’ die opduikt, is het Speenkruid, een mooi boterbloem-geel bloempje dat voortkomt uit een bolletje in de vorm van een speen. De kleine, stralend gouden sterretjes van het Speenkruid bespikkelen slootkanten en de groene bedjes onder de bomen.

Vrijwel tegelijkertijd duikt het Klein Hoefblad op, ook vaak aan slootkanten of op grond die recentelijk is omgewoeld. De fris-gele bloem barst open uit een sterke bolle knop en wordt pas na de bloei gevolgd door een bladerkrans. Er is een mooi Engels gedichtje over de gedecideerdheid waarmee het plantje zich in het voorjaar kenbaar maakt:

The winds of March are keen and cold
I fear them not, for I am bold.
I wait not for my leaves to grow:
They follow after: they are slow.
My yellow blooms are brave and bright;
I greet the spring with all my might.

Klein Hoefblad
Sterhyacint

In parken komen de stinsenplantjes tevoorschijn, zoals de verrukkelijk blauwe Sterhyacint. Ook dit is een bolgewas, dat, eenmaal aangeplant, makkelijk verwildert en zich als een van de eerste blauwe bloeiers manifesteert. Nog even en hij wordt naar de blauwe kroon gestoten door het ontroerende Maarts viooltje. Een ontwapenend bloempje dat volgens Shakespeare symbool staat voor bescheidenheid en zelfbeheersing.

Bosanemoon

Het mooiste weerzien is voor mij dat met de Bosanemoon. De eerste bloempjes heb ik al gezien, rillend in de maartse kou. Maar als het weer wat zonniger wordt, bedekt dit plantje de bosgrond met tapijten van tere witte bloemen met gele hartjes, gedragen door fraai gevederde groene bladeren, die zachtjes staan te wuiven in de voorjaarswind.

Het grappige is dat een kunstwerk van Hans Arp, dat ik onlangs weer tegenkwam, een heel nieuw licht werpt op dit heuglijke weerzien met de bloemen. Het kunstwerk, een bronzen sculptuur uit 1958, heet Mens door een bloem gezien. Ik realiseerde me dat het niet alleen zo is dat ík de bloemen weer zie; de bloemen zien ook míj weer. Wat een mooie gedachte! De bloemen zijn ontwaakt uit hun winterslaap en ik ook. En in het bos treffen we elkaar.

Mens door een bloem gezien, Hans Arp, 1958

Let op: Zowel de lezing Arps Fluïdum als de museumlezing Mee naar huis is nog niet van de baan. Ik popel om u die lezingen weer aan te bieden en zodra de coronaregels voor groepsbijeenkomsten worden versoepeld zal ik bekend maken waar en wanneer de lezingen plaatsvinden. Tot die tijd ben ik een Maarts viooltje.

Maarts viooltje

Tel mee!

Vogels hebben mijn hart. In onze trouwringen hebben we laten graveren Hebban olla vogala. Dat zijn de eerste drie woorden van een van de oudste liefdesgedichten uit het Nederlandse taalgebied, ooit in de kantlijn van een manuscript neergekrabbeld door een monnik die misschien zijn pen (een ganzeveer?) wilde proberen.

Het liefdesgedichtje uit de elfde eeuw gaat zo:

Hebban olla uogala nestas hagunnan
hinase hi(c) (a)nda thu
uuat unbidan uue nu
Dat betekent:
Alle vogels zijn nesten begonnen,
behalve ik en jij.
Waar wachten we nog op?

Ik schrijf graag over vogels en de ontroering die ze bij me oproepen. Bijvoorbeeld in het blog Gevederd dat is opgenomen in mijn boek Tot de verbeelding. Vogels zijn zo mooi zichzelf en ze zijn overal om ons heen. Je kunt ze altijd en overal waarnemen.

Elk jaar organiseert Vogelbescherming in januari de landelijke Tuinvogeltelling en ik ben een fervent teller. De Tuinvogeltelling is heel simpel; gedurende een half uur tel je per soort de vogels die zich in de tuin of op je balkon vertonen: 3 Pimpelmezen, 4 Koolmezen, 1 Roodborst, 2 Tortelduiven en 1 Vlaamse gaai. Bijvoorbeeld.

Pimpelmees

Het is een erg leuk evenement waaraan je bij wijze van spreken vanuit je luie stoel voor het raam kan deelnemen. Er is een handige app, waarmee je de vogels kunt herkennen en waarop je de telling noteert die je rechtstreeks naar Vogelbescherming stuurt. En hoe meer tellingen Vogelbescherming binnenkrijgt, hoe betrouwbaarder ze de stand van zaken van de vogelpopulaties in beeld kunnen brengen.

Koolmees

Dus tel mee! Het is puur plezier te kijken naar al die vogels, die in deze zachte winter het voorjaar al in de kop hebben. Op mijn balkon nemen de prachtig blauwe Pimpelmeesjes, met hun zilveren liedje, het al op tegen hun grote neven de Koolmezen, die met vertoon van hun macho-stropdassen de vrouwtjes proberen te lokken naar de nestkast.

Grote bonte specht

Ook de Roodborst brengt geregeld een bezoek aan mijn balkon om een graantje mee te pikken van het vogelzaad dat de mezen hebben gemorst. Een enkele keer vereert de Grote bonte specht ons met een bezoek en onderwerpt hij de voedersilo (die in een kooi zit waar alleen kleine vogeltjes in en uit kunnen) aan een nader onderzoek. Met enig gehak krijgt hij er nog een stukje pinda uit ook.

Ik hoor al veel Zanglijsters zingen, een vogel die u zeker in uw tuin kunt zien. Zanglijsters zingen korte melodietjes die ze vaak twee of drie keer herhalen. In het tv-programma Vroege vogels werd de zang van de lijster eens omschreven als iemand die zijn kinderen roept: ‘Marietje, Marietje, Marietje!’ ‘Piehiet! Piehiet! Piehiet!’

Als u een schuurtje in uw tuin heeft waar water op het dak staat, heeft u misschien het geluk een Grote gele kwikstaart te tellen. Deze beauty – met de energiek kwikkende staart – is vaak te zien langs de waterkant waar hij zijn kostje van insecten en kleine waterdiertjes bij elkaar scharrelt.

Grote gele kwikstaart

Doe mee aan de jaarlijkse tuinvogeltelling van Vogelbescherming. De telling vindt vandaag en morgen plaats (30 januari en 31 januari). Het is heel erg leuk om in de tuin of op het balkon de vogels te observeren die zo heerlijk vogel zijn. Tel uw zegeningen!

Alle foto’s bij dit blog zijn van Berend van Dooren, mijn ‘olla vogala’.

Aan het strand

Hans Arp was bevriend met de beeldhouwer en dichter Kurt Schwitters. Ze deelden een gevoel voor humor en geloofden in de collage als kunstwerk. Van Kurt Schwitters wordt verteld dat hij, fietsend door zijn woonplaats Hannover, alles opraapte wat hij maar vond: stukjes papier, kurken, touwtjes, buskaartjes. Al die materialen verwerkte hij in collages.

Schwitters noemde zijn kunst niet Dada, maar Merz. De naam was ontstaan uit een collage die hij gemaakt had van krantenknipsels. Daarin had hij in een advertentie de woorden ‘Kommerz- und Privatbank’ verknipt tot ‘merz’.

In 1920 brachten Arp en Schwitters een vakantie door op het Noordzee-eiland Sylt. Ook Arps (toen nog) verloofde Sophie Taeuber was mee. Zij schrijft in brieven aan haar zuster dat de mannen de hele dag enthousiast samenwerkten: ‘Es wird gedichtet, gemerzt und gearpt, den ganzen Tag.’

Arp en Schwitters struinden de stranden van het eiland af. Van het drijfhout dat ze daar vonden maakten ze collages, die Arp Dadaïstische namen gaf zoals Trousse d’un Da (= tas van een Da) of Trousse du naufragé (= tas van de schipbreukeling).

Trousse du naufragé, Jean Arp, 1920

Van sommige onderdelen in die collages is de herkomst nog te herkennen. We zien in Trousse du naufragé de steel van een  kwast (?) en een uitgeboord rond gat in een houten plankje. Voor Schwitters was die herkenbaarheid een belangrijk onderdeel van het kunstwerk; dit soort afgedankte gebruiksvoorwerpen konden worden samengevoegd tot een kunstwerk.

Arp was meer geïnteresseerd in de afgeronde vormen van de aangespoelde materialen, waaronder ook veel takken, wortels, boomstronken en stenen. Door die natuurlijke vormen te bestuderen en na te tekenen, kwam hij tot zijn oervorm: das bewegte Oval. Dat is niet een strak geometrisch ovaal, een uitgerekte cirkel zeg maar, maar een asymmetrisch ovaal vol in- en uitstulpingen; golvende vormen die als het ware telkens een andere gedaante kunnen aannemen.

De meest simpele ovalen bij Arp zijn de eivorm en de licht slingerende, schuinopgerichte 0-vorm. Die laatste noemt Arp ‘navel’. Het navelvormige bewegtes Oval komt in veel van zijn werken terug. In 1923 publiceert Arp in Schwitters’ tijdschrift Merz zeven litho’s, Arpaden genaamd. Een van die Arpaden heet ‘Een navel’. Hier is in een wit vlak een kleine, schuine, onregelmatige ovaal te zien. In een andere Arpade is een grote gehalveerde navel te zien: ‘De zee’.

Arpade 3, Een navel, en Arpade 2, De zee, Hans Arp, 1923

En dan zijn er ook nog de vakantiekiekjes van Arp aan zee. In de verte loopt Sophie in de branding en op de voorgrond poseert Arp als een Botticelli-achtige Venus en laat zijn navel zien. Zee en navel. Ik wens u een goede zomer.

 

Extramurale kunst

Wat is er heerlijker dan op een zomerse dag door een bos te lopen dat vol staat met kunst? De wind ruist door de bomen, licht en schaduw dansen over de beelden en door de afwisseling van open plekken en dichte begroeiing word je iedere keer weer verrast door een kunstwerk.

Eergisteren, op een heel zomerse dag, heb ik in zo’n bos gewandeld: beeldentuin Clingenbosch, het landgoed tegenover Museum Voorlinden, waar kunstverzamelaar Joop van Caldenborgh rondom zijn woonhuis zijn particuliere collectie heeft opgesteld. Een kordate gids leidt je in twee uur langs zestig sculpturen. Inclusief de te overbruggen afstanden kom je dan uit op twee minuten per kunstwerk. Krap vier keer langer dan de gemiddelde tijdsduur die een museumbezoeker besteedt aan het kijken naar één kunstwerk: een halve minuut.

Toch maken bijna alle kunstwerken een blijvende indruk. Dat komt niet alleen door de opgewekte en ter zake kundige toelichtingen van de gids, maar ook door de uitgekiende locaties. Natuur en sculptuur versterken elkaar. Veel kunstwerken zijn in opdracht gemaakt en bij de plaatsing van alle sculpturen is zorgvuldig gekeken naar de omgeving waarin het komt te staan. Bovendien, niet onbelangrijk voor een goede indruk van een beeld, mag je ze (bijna allemaal) aanraken!

In de beeldentuin is elke locatie raak. De springerige compositie ‘27 kubussen’ van Erik van Spronsen bijvoorbeeld wordt nog beweeglijker door de schaduwen van de takken die over de gladde, witte oppervlaktes dansen.

27 kubussen, Erik van Spronsen, 1990. Foto: Berend van Dooren

Dicht bij het woonhuis, aan de rand van een gazon, staat tegen een achtergrond van bronsgroen eikenhout de imposante geometrische constructie van Sol LeWitt ‘2x7x7’. De open kubussen van witte horizontale en verticale balken krijgen bijna letterlijk een extra dimensie in het schitterende spel van zon en schaduw op de sculptuur.

2x7x7, Sol LeWitt, 1990

Het woord ‘clinge’ uit Clingenbosch betekent ‘duin’ en bovenop zo’n duintje staat de grote zandstenen sculptuur ‘Zonder titel’ van Anish Kapoor; een rechtopstaand blok ruwe steen met aan de voorzijde een zachte, vloeiende opening waardoor je als het ware naar binnen wordt gezogen, dieper de duisternis van het omringende kreupelhout in.

Zonder Titel, Anish Kapoor, 1993

De hoge, een beetje plechtstatige werking van de beukenbomen in het bos wordt versterkt door de ijle blauwe lichtlijn ‘Argon’ van Bill Culbert. Even verderop ligt tegen een helling een mysterieuze kring van ruwgranieten stenen. Deze ‘Merrivale Ring’ van Richard Long past ook uitstekend in de gedragen sfeer van het beukenbos.

Argon, Bill Culbert, 1990. Foto: Berend van Dooren
Merrivale Ring, Richard Long, 1994. Foto: Berend van Dooren

Aan de rand van het bos, waar de begroeiing dunner wordt en verkeersgeluiden doordringen, staat Tony Cragg’s ‘Minster’; hoge, puntige torens van opeengestapelde machine-onderdelen. Hier, op de overgang naar de ‘normale’ wereld van snelle machines, houdt een roestbruine Borobudur van oude velgen, tandraderen en vliegwielen de wacht.

Minster, Tony Cragg, 1992. Foto: Berend van Dooren

Hoe anders werkt kunst als het niet in een ommuurde ruimte staat, maar in de natuur. En hoe anders werkt de natuur als er kunst aan wordt toegevoegd. En ook al moest ik het doen zonder de sculptuur ‘Schalenboom’ van Jean Arp (in bruikleen? in depot?), dit bezoek aan Clingenbosch was een heerlijk zomerse cul-/natuurbeleving.

Schalenboom, Jean Arp, 1947-1970

 

 

 

Sub Tilia

Al ruim een week hangt er buiten een heerlijke geur: de linde bloeit! Hoewel je de bloei kunt zien aankomen – in het frisgroene gebladerte verschijnen steeds meer elegante geelgroene bloemtrosjes – word ik elk jaar weer verrast door die vriendelijke geur. Als ik door de stad fiets, gepreoccupeerd door dringende zaken als werk, boodschappen en verkeer, treft mij plotseling een subtiel parfum dat zegt ‘ontspan’, ‘laat maar los’, ‘kom thuis’.

Na die eerste onverwachte Duft ruik ik het vaker. Sommige straten blijken opeens vol met ruisende lindenbomen te staan. De straat is veranderd in een bad waar de lindengeur om je heen golft. Een geur die niet bedwelmend is of opdringerig, maar eerder koesterend. Het lindenbad duurt ongeveer twee weken en dan is het weer voorbij. Dan moeten we weer een jaar wachten op deze subtiele wenk om te ontspannen.

Van oudsher is de linde een boom waarin goede geesten wonen. In vroeger tijden werd onder de linde (Latijnse naam: Tilia) recht gesproken, sub Tilia was het oordeel afgewogen en mild. Voor het huis plantte men vaak een lindenboom; de goede geesten beschermden het huis. Zo werd ‘thuis’ de plaats waar de lindenboom voor de deur staat. In de Middeleeuwen was het lindenblad het symbool van de vrije grondbezitter en van de pelgrims.

Die associatie met ‘thuis’ vind je heel sterk in de Duitse romantiek. Schuberts bekende lied ‘Der Lindenbaum’ uit 1827 gaat over het verlangen naar thuis, naar de linde. De zanger is ver weg van huis, maar in zijn droom hoort hij de linde ruisen: ‘Komm her zu mir, Geselle/Hier find’st du deine Ruh’.

En honderd jaar later zingt Zarah Leander in de film Heimat (1938):

‘…
Drei Palmen stehen am Meere,
die Fremde ist so leer,
drei Küsse geb’ ich dem Winde,
der trägt sie wohl über’s Meer.

Da steht in einem Garten,
ein grüner Lindenbaum,
ich küsse seine Rinde,
bei Nacht in meinem Traum.’

Ook bij Gustav Mahler komt de linde voor als symbool van een plek waar je kunt rusten, waar je gekoesterd wordt. Hij speelt met de dubbelzinnigheid van het woord ‘linde’ dat in het Duits ook ‘zacht’ betekent. In het lied ‘Ich atmet’ einen linden Duft (1901) zingt de sopraan: ‘Ich atme leis/Im Duft der Linde/Der Liebe linden Duft’ (‘Ik adem licht/In de geur van de linde/De zachte geur van de liefde.’)

Ontspan. Laat maar los. En ga mee met de Frisse-Blik-Wandeling die ik op vrijdag 22 juni houd op Landgoed Clingendael. We wandelen onder de linden en luisteren naar de muziek van Schubert, Mahler en Zarah Leander. Van mineur naar majeur.

Willow, willow, willow

Even heeft de winter een opleving. De wind komt uit het noordoosten en zorgt voor ijselijke (gevoels-)temperaturen. Maar in die stralend blauwe lucht en de zon die uitbundig op krokussen en vroege narcissen schijnt, zegt je gevoel ‘voorjaar!’

Het Bos Ontwaakt. Zo heet de Frisse-Blik-Wandeling door het Haagse Bos die voor 15 februari gepland staat. We gaan op zoek naar de eerste tekens van de lente. En die zijn er genoeg. Vogels zijn druk in de weer hun territorium af te bakenen en een partner te zoeken. Regelmatig klinkt door het kale hout de opzwepende roffel van de grote bonte specht.

Zangvogeltjes in hun mooiste verentooi hebben hun voorjaarsrepertoire weer ingezet. Vooral mezen laten zich niet onbetuigd, met oneindige variatie laten ze hun tweetonige zang horen, soms zo wellustig dat je er bijna kusgeluidjes in kunt horen.

In de kale bosgrond duiken sneeuwklokjes en winterakonieten op, het gevlekte blad van de aronskelk breekt door het bruine gebladerte heen. Aan de takken van de hazelaar bungelen tere katjes, ze lijken te zweven in het heldere licht. Boomknoppen staan op springen, je voelt als het ware de kracht van de sapstromen in de stam. Bot uit! Barst open!

Op deze wandeling zal Shakespeare ons vergezellen. Bij verschillende planten en bomen zal ik een citaat voorlezen uit Botanical Shakespeare, het prachtig geïllustreerde boek waarover ik mijn blog ‘Bloemlezing’ al heb geschreven. In Shakespeares poëtische teksten vinden we veel verwijzingen naar bloemen en bomen.

Daffodils
That come before the swallow dares, and take
The winds of March with beauty.

(uit: The Winter’s Tale)

 

De bosgrond is niet alleen bedekt met afgevallen blad van vorig jaar, er liggen ook veel omgewaaide en omgezaagde bomen. De storm die een maand geleden over Europa raasde, heeft ook in het Haagse Bos slachtoffers gemaakt. Tussen al die juichende voorjaarsuitingen liggen de wreed afgebroken of ontwortelde woudreuzen.

Het meest indrukwekkende stormslachtoffer in het Haagse Bos is de enorme solitaire wilg, die vlakbij het romantische boogbruggetje over de vijvers stond. Bij eerdere stormen had de boom ook al takken laten vallen, soms met een doorsnede van een halve meter, maar nu is hij ontworteld en ligt hij in de modder, in stukken gezaagd, de takken opgehoopt tot een slordige brandstapel, de monumentale stam diagonaal over het pad.

Bij Shakespeare is de wilg, de Willow, het symbool van (liefdes-)verdriet. Als je je verloren liefde betreurde, droeg je een krans van wilgentakken op je hoofd. Ook de Sycamore (de esdoorn) wordt door Shakespeare wel als de boom van het liefdesverdriet gezien, vooral door de naam syc-amore = ziek van liefde. In ‘Othello’ zingt Desdemona, Othello’s geliefde die hij onterecht van overspel beschuldigt, deze ontroerende treurzang:

The poor soul sat sighing by a sycamore tree.
Sing all a green willow;
Her hand on her bosom, her head on her knee,
Sing willow, willow, willow.
The fresh streams ran by her, and murmur’d her moans;
Sing willow, willow, willow.
Her salt tears fell from her and soften’d the stones
Sing willow, willow, willow.
Sing all a green willow must be my garland.

Shakespeare gebruikte een bestaand lied; de Willow-song van John Dowland. Een populair lied in Shakespeares tijd om de ‘Elizabethan melancholy’ te bezingen. Hij paste de tekst aan aan het vrouwelijke perspectief van Desdemona. De originele versie van deze zestiende-eeuwse Blues wordt prachtig uitgevoerd door de Vlaamse zangeres Soetkin Baptist. Op 15 februari zullen we er opnieuw naar luisteren bij de gevelde wilg. Sing willow, willow, willow.