De kleine Panamarenko

Op 5 februari 1940 werd de Belgische kunstenaar/uitvinder Panamarenko geboren. Hij heette oorspronkelijk Henri, net als zijn vader: Henri Van Herwegen. Maar toen hij als jonge kunstenaar op een zelfgeknutseld transistortje de naam Ponomorenko hoorde, de naam van een Oost-Europese generaal, wist hij dat dát zijn kunstenaarsnaam moest worden: Panamarenko.

Over de jeugdjaren van Panamarenko verscheen in 2012 een leuk boek, De Kleine Panamarenko. Daarin staan jeugdherinneringen opgetekend die Panamarenko vertelde aan de kinderboekenschrijfster Brigitte Minne, uiteraard gekleurd door zijn ongebreidelde fantasie. De verhalen zijn grappig en ontroerend en roepen allerlei associaties op met kunstwerken die Panamarenko in zijn latere leven zal maken.

Panamarenko op een driewieler, ca. 1944

In het boek staan mooie ouderwetse familiefotootjes, met kartelrandjes. Er is een foto van de kleine Panamarenko op een driewielertje. Eén van de meest in het oog springende onderdelen van de lucht-‘tuigen’ die Panamarenko later zal ontwerpen, is dat die worden aangedreven door fietstrappers. De piloot brengt via fietspedalen het vliegtuig in beweging. Als kleuter beleefde de uitvinder dat gevoel al op zijn fietsje.

De kleine Panamarenko heeft veel tantes en ooms van moederskant en die komen vaak over de vloer. Zo was er Nonkel Achilles die klarinetten bouwde. Hij gaf aan zijn kleine neefje de onderdelen van een klarinet, maar die maakte er een sterrenkijker van. Van alle tantes was Tante Germaine de liefste; ze was ‘zo zacht als boter en te goed voor deze wereld’. Toen de familie er schande van sprak dat de kleine Panamarenko een kauw als huisgenoot mocht houden, was zij de enige die het voor hem opnam.

En dan was er nog tante Ida ‘die een slag van de molen had en in een instelling verbleef’. Tante Ida had een bloes met bruine en witte streepjes. Net als de streepjes die de kleine Panamarenko zag op de schilden van de Coloradokevers die de aardappeloogst in zijn vaders volkstuintje vernietigden. Panamarenko was gefascineerd door die diertjes en stelde zich voor dat er ook kevers waren met sterren op hun schild, tante Ida had immers ook een bloes met sterren.

Meikever, 1971, foto: Dirk Pauwels/ S.M.A.K. Gent

Vroeg in zijn carrière ontwerpt Panamarenko allerlei vliegtuigen die vliegen als insecten. In 1971 maakt hij, als een circusact, een prachtige Meikever met een schild met grote rode sterren. Onder het schild van de Meikever zit een elektromotortje met een schroef die de vleugels (met een spanwijdte van vijftig centimeter) in beweging brengt. Het beestje is via een snoer verbonden met een kistje waarin de batterij ligt en een paar nagemaakte bloemen ‘want een meikever moet toch eten.’

De kosmonaut uit ‘Reis naar de sterren’, tekening, 1985, Panamarenko

De sterren op de bloes van tante Ida komen terug op het schild van Panamarenko’s Meikever, maar ook op de helm die de kosmonaut draagt in zijn project Reis naar de sterren uit 1985. In een speciaal ruimtepak en met een gemotoriseerd rugzakje vliegt deze kosmonaut door ­het heelal. Op zijn witte helm staan vrolijke rode sterren, alsof hij in een circusact is gelanceerd uit een kanon.

Zo leeft de kleine Panamarenko voort in de kunstwerken die hij als volwassene maakt; speels, licht en vrolijk.

Op 18 maart is het zover. Dan gaat mijn lezing Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko in première in Utrecht. Zie Agenda.

De winkel van de poëzie

In de Haagse binnenstad, in een onaanzienlijk straatje, is een winkel die poëzie verkoopt. Het is speelgoedwinkel Mascot, waar al 58 jaar Toon van Montfort achter de toonbank staat. Je stapt hier binnen in een wereld van tijdloos speelgoed: trekpoppetjes, hartverwarmende knuffeldieren of net-echte miniatuurdieren, poppenfornuisjes, ingenieuze bouwpakketten, stelten, vliegers, rammelaars en tuimelaars en ouderwetse houten dieren op wieltjes.

Speelgoedwinkelbaas Van Montfort demonstreert de rups ‘Trollinchen’

Speelgoedwinkelbaas Van Montfort bepaalt zelf wat er in de winkel komt. Hij kent al zijn poppen, bouwdozen en knuffeldieren én hij kent zijn klanten. Hij verkoopt geen poppen die praten, lopen of een plasje doen, maar ‘poppen die luisteren, want daar heeft een kind behoefte aan.’

Zelf een groot liefhebber van speelgoed, geeft Van Montfort graag advies aan klanten die in deze verlokkelijke wereld ronddwalen en even vergeten wat ze als cadeautje voor neefje X kwamen kopen omdat ze weer kind zijn geworden in deze winkel.

En werkelijk, Mascot maakt het spelende kind in je wakker. Het speelgoed heeft een ambachtelijk karakter; al spelend bouw je een droomwereld waarin alles kan; de dieren zijn je vrienden, je bakt heerlijke koekjes in de poppenoven, je bouwt een blokkenkasteel en vliegt hoog boven de mensen met je vlieger of zelfgebouwde vliegtuig. Het is kortom een winkel vol poëzie, de poëzie van speelgoed.

Volgens Panamarenko, de kunstenaar over wie ik in maart mijn lezing zal houden, is de poëzie van speelgoed de echte kunst. Speelgoed doet je dromen over vliegen, zweven, varen op of onder water en dat doen de uitvindingen van Panamarenko ook. Hij bouwde een zeppelin waarmee hij Brigitte Bardot wilde ontvoeren, hij bouwde een onderzeebootje om naar Nova Zembla te varen, en hij bouwde een vliegend tapijt, aangedreven door veertig propellers.

Grote Plumbiet, Panamarenko, 1984. Foto: Syb’l_S.-pictures

De kunstwerken van Panamarenko zijn eigenlijk grote stukken speelgoed, die hij ambachtelijk vervaardigde van simpele materialen; hout, papier, ijzerdraad, piepschuim. Zijn ‘tuigen’ zijn handgemaakt; de schroeven en (las)naden zijn duidelijk zichtbaar. Het oogt simpel; een kind kan de was doen, bij wijze van spreken.

Panamarenko speelde ook met de wetten van de fysica en mechanica. Zo ontwierp hij een loodzware machine; de Grote Plumbiet, met vier draaiende trommels met magneten. Door die beweging ontstond er een sterk magnetische veld waarop een metalen plaat kon zweven. Dit ‘speelgoed’ diende als basis voor zijn onderzoek naar ruimteschepen, die volgens hem zich voortbewogen op de magnetische velden in de ruimte; ‘de kosmische autostrades’.

Het grappige is dat ik in speelgoedwinkel Mascot ook ooit een magisch moment heb meegemaakt dankzij magnetische velden (en de oude tovenaar Van Montfort). Bij het afrekenen van een cadeautje liet hij me een metalen tolletje zien. Hij bracht het tussen duim en wijsvinger aan het draaien op een rubberen plaatje. Toen tilde hij het plaatje langzaam op en trok het voorzichtig onder het tolletje vandaan. Als een kleine ufo bleef het tolletje in de lucht hangen. Ik was verbluft!

Na enige tijd de betovering te hebben vastgehouden, onthulde de baas het geheim. Onder het tolletje op de toonbank lag een opengeslagen krant. Daaronder stond een magnetisch plaatje. Van Montfort haalde een schetsje tevoorschijn waarop hij precies de magnetische velden had aangegeven waarop het tolletje zweefde. Een soort tekening die Panamarenko ook maakte van zijn studies voor vliegende schotels. Bekijk hier het filmpje van het zwevende tolletje.

Speelgoedwinkel Mascot, het zwevende tolletje. Bekijk het filmpje op het Man-van-Taalkanaal.

Helaas, die prachtige winkel van de poëzie, Mascot, sluit binnenkort voorgoed zijn deuren. Toon van Montfort gaat met pensioen. Als u nog iets van de magie van deze winkel wilt meemaken, spoed u dan naar de Korte Houtstraat in Den Haag. En kom dit voorjaar naar mijn lezing voor een heerlijke dosis poëzie van het speelgoed van Panamarenko.

De lezing ‘Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko’ is op 18 maart in Utrecht. Zie Agenda  

Go Gunay!

Het nieuwe kabinet heeft weer een eigen staatssecretaris van cultuur en media: Gunay Uslu. Eindelijk, na drie kabinetten zonder vergezichten (want ‘Als je visie zoekt moet je naar de oogarts’, aldus de premier), is er weer een bewindspersoon die gaat over de vergezichten die cultuur de maatschappij biedt.

Bij de tv-uitzending van de installatie van het nieuwe kabinet op 10 januari viel ik net in het moment dat de staatssecretarissen werden beëdigd, en mevrouw Uslu sprong er voor mij uit. Ze droeg een elegant kostuum (waarom gaan vrouwelijke bewindslieden bij de beëdiging eigenlijk ook niet gekleed in een jacquet?) en zei licht en zonder poeha: ‘Dat verklaar en beloof ik.’

Gunay Uslu wordt beëdigd als staatssecretaris van cultuur en media

Direct na haar aantreden moest zij al een harde noot kraken; het openbreken van de lockdown voor de cultuursector. Ze sleepte het maximaal haalbare eruit; de muziekscholen gaan weer open. Teleurstellend voor iedereen (ook voor mij) die ernaar smacht om weer naar een museum, theater of concert te kunnen gaan. Maar wél goed dat deze bewindsvrouw het voor elkaar heeft gekregen dat cultuureducatie weer kan plaatsvinden; dat is immers een belangrijk onderdeel van cultuurbeleving.

Gunay Uslu

Op haar eigen pagina van de website van de rijksoverheid staat een hoopgevend citaat: ‘Cultuur is samen maken, samen beleven. Dat hebben we zo moeten missen. Ik wil me inzetten voor herstel van de culturele en creatieve sector en samen met makers en instellingen werken aan een bloeiend cultureel leven.’ Go Gunay!

Dat zal niet meevallen in een land dat geregeerd wordt door crisisoplossingen bij een pandemie. Het zal ook niet meevallen in een land waar al drie kabinetten lang alles getoetst wordt aan het nut dat het heeft. Cultuur is een blinde vlek. Toen premier Rutte, vlak voor de beëdiging, de nieuwe staatssecretaris voorstelde aan de koning, was hij even kwijt welke beleidsterreinen zij ook alweer onder haar beheer kreeg: ‘Mevrouw Gunay Uslu. Staatssecretaris voor … uhm uhm … cultuur en media.’

Wat me ook voor deze staatssecretaris inneemt is dat zij zich via een lange weg heeft gevormd tot wat ze nu is. Via mavo, havo, lerarenopleiding Geschiedenis en een studie Kunstgeschiedenis kwam ze in de culturele wereld terecht. Ze was curator en conservator bij verschillende Amsterdamse musea, en voorzitter van de Raad van Toezicht van Eye Filmmuseum. Ze is dus echt aan de basis begonnen en dat geeft het ‘samen’ in haar credo ‘cultuur is samen maken, samen beleven’ een bijzonder perspectief.

Haar afstudeerrichting was Cultuurgeschiedenis van Europa, variant Beleid & Management. Op een grappige manier heeft ze laten zien hoe zij haar zakelijke en haar kunstzinnige kwaliteiten verenigt. Voor haar broer Atilay Uslu, oprichter van vakantieorganisatie Corendon, richtte ze een aantal hotels in. Bij het Corendon Village Hotel in Badhoevedorp liet ze in 2019 een Boeing 747 plaatsen. Gasten kunnen hier een rondleiding krijgen. Ik ben niet van het vliegen, maar als ik het wel was zou ik in dat hotel boeken.

Gunay Uslu met haar broer Atilay, na de installatie van een Boeing 747 bij het hotel

We hebben het moeten missen, het ‘samen maken, samen beleven’ van cultuur. Al langer dan de afgelopen twee pandemiejaren. Maar met iemand als Gunay Uslu als staatssecretaris is er weer kans op herstel. Go Gunay!

Mijn lezing ‘Arps Fluïdum’ in Pulchri Studio is uitgesteld tot juni 2022. Zie Agenda.

Getijden

Het begin van een nieuw jaar; een mooi moment om stil te staan bij de getijden. En wel in het bijzonder bij het prachtige getijdenboek Les Très Riches Heures du duc de Berry uit de vijftiende eeuw. Dit getijdenboek, dat ook wel de ‘koning van de verluchte manuscripten’ wordt genoemd, is beroemd door de adembenemend mooie verluchtingen van de gebroeders Van Limburg.

Een getijdenboek is eigenlijk een ‘light’ versie van het brevier, een gebedenboek dat in kloosters het ritme van de dag aangaf aan de hand van de kerkelijke gebeden. Veel vrome – en kunstzinnige – edellieden hadden in de middeleeuwen een of meerdere ‘huisversies’ van de gebedenboeken die waren verlucht met versieringen en illustraties.

Januari, uit Les Très Riches Heures du duc de Berry, omstreeks 1415, Chantilly, Musée Condé

Hertog Jan van Berry liet omstreeks 1415 drie miniatuurschilders, de gebroeders Van Limburg, een uitgebreide versie maken van een getijdenboek, rijkelijk geïllustreerd met schitterende miniaturen. Een kunstwerk dat nu nog verbaast en verrukt door de kleuren, de liefdevolle details en de accurate weergave van het dagelijks leven in de vijftiende eeuw.

De bekendste afbeeldingen uit het getijdenboek van de hertog zijn die van de kalendermaanden. Twaalf paginagrote (A4-formaat), weelderige gekleurde platen waarin de werkzaamheden worden getoond die in die maand plaatsvinden. Of, in het geval van de adel, de activiteiten waarmee de adel zich onledig hield. Boven de activiteiten spant zich de hemelboog, waar in een lapis-lazuliblauwe lucht de sterrenbeelden van de maand voorbijtrekken.

Januari speelt zich geheel binnenshuis af; de hertog geeft een drukbezocht banket in zijn kasteel. In een stralend blauwe mantel zit de hertog aan het banket. In de grote schouw achter hem brandt het haardvuur dat wordt afgeschermd door een rieten haardscherm. De gasten warmen hun handen aan het vuur. Naast de hertog staat een kamerheer die de gasten welkom heet met de woorden ‘aproche, aproche’. ‘Kom verder’, een mooi thema om het jaar binnen te komen, lijkt me.

Februari, uit Les Très Riches Heures du duc de Berry, omstreeks 1415, Chantilly, Musée Condé

Februari vind ik zo mogelijk nog fascinerender qua verhalende details. We zien een winters landschap, met gewone mensen die onder een grijze lucht ploeteren in de sneeuw. Het is koud! In kleine wolkjes komt de adem uit de mond van de man met de omslagdoek. In de sneeuw zijn voetstappen te zien. Links vooraan zit een gezelschap bij het haardvuur in de boerenhoeve. De vrouw vooraan heeft haar blauwe jurk iets opgeschort. Het duo daarachter is radicaler en heeft de kleding tot aan het middel opgetrokken. Achter hen staat het bed; dit duo zal voor nageslacht gaan zorgen en warmt ‘de apparatuur’ eerst even op, zo lijkt het.

De anatomische mens, uit Les Très Riches Heures du duc de Berry, omstreeks 1415, Chantilly, Musée Condé

Hertog Jan van Berry had een levendige belangstelling voor astrologie, zoals blijkt uit de sterrenbeelden die boven de kalendermaanden door de hemel draaien. De reeks afbeeldingen van kalendermaanden wordt afgesloten met een boeiende illustratie, De anatomische mens, waarin te zien is hoe verschillende onderdelen van het lichaam samenhangen met de tekens uit de dierenriem.

Op het (voor-)hoofd van de bevallige figuur in de mandorla zit de Ram, in haar nek ligt de Stier. Op elke schouder zit één van de Tweelingen, hoog in de borst de Kreeft en op het hart de Leeuw. De maag lijkt de regio te zijn van de Maagd en de ingewanden van de Weegschaal. De Schorpioen huist in de geslachtsdelen en dan dalen we af met de Boogschutter in de dijen, de Steenbok in de knieën, de Waterman in de kuiten en uiteindelijk de watervlugge Vissen onder de voeten.

De prachtige illustraties in dit rijke getijdenboek geven het ritme van het jaar weer. En op een ontroerende manier ontsluiten ze de wereld van de vijftiende-eeuwse mens.

Oom Drosselmeiers Kerst

Van alle tradities die de Kerst aankleven, is in Nederland het ballet De Notenkraker een van de jongste. Vanaf 1996 wordt tijdens de feestdagen dit sprookje van een meisje, Marie, en haar pop/droomprins over ons uitgestrooid. Zelf heb ik nooit een live uitvoering van het ballet van Tsjaikovski bezocht, maar ik koester een (video!-)opname van de versie uit 1991 van de Britse choreograaf Mark Morris. Morris’ ballet The Hard Nut is niet suikerzoet, zoals veel Notenkrakerballetten, maar tangy (= bitterzoet) zoals een goede Engelse marmelade betaamt.

Drosselmeier, tekening van Charles Burns voor The Hard Nut

Voor de vormgeving liet Morris zich inspireren door de comics van de Amerikaanse striptekenaar Charles Burns. De strips en graphic novels van deze cartoonist zijn duister en unheimisch. Voor The Hard Nut ontwierp Burns decors en kostuums die de gedroomde wereld van Marie een sinister nachtmerriekantje geven. Maar Morris stopt zoveel humor, dansplezier en genialiteit in zijn ballet, dat het bittere en het zoete heerlijk met elkaar in evenwicht zijn.

De humor van Morris zit in zijn onconventionele rolverdelingen en de energieke, sprankelende choreografieën die levenslust en gein uitstralen en die – zoals in een goede comedy – je op bepaalde momenten ontroeren en bij de strot grijpen.

Sommige vrouwelijke karakters – Marie’s moeder, met drankprobleem, en het kindermeisje, een prachtige ‘soulsister’ die bij voorkeur op de spitzen loopt – worden zeer overtuigend en met veel humor gedanst door mannen. De gasten op het Kerstfeest zijn swinging-sixties-koppels. De dansen die ze uitvoeren zijn uit improvisatie ontstaan en kunnen per avond door de dansers worden gevarieerd. Dat zie je eraan af: geen esthetische poses en strak afgetelde danspassen, maar dansers die elkaar uitdagen en plezier maken.

The Hard Nut, Dansen op het Kerstfeest, rechts Marie’s moeder, midden het kindermeisje

Marie heeft een merkwaardige oom, Drosselmeier, een speelgoedmaker met een ooglapje die het feest naar zijn hand zet. Hij geeft haar als kerstcadeau een notenkrakerpop. Als Marie, nog vol van het feest, naar bed gaat, begint haar wonderlijke droom. De notenkraker komt tot leven en speelt een heldhaftige rol in een veldslag met de muizen. Vervolgens danst oom Drosselmeier een pas de deux met de notenkraker/prins. In meer conventionele versies van De Notenkraker is dit een duet tussen Marie en de prins, maar hier danst de ‘tovenaar’ met zijn creatie, de lelijke notenkraker die een prins is.

The Hard Nut, Pas de deux van Drosselmeier en de notenkraker/prins

Na dit duet komt Marie’s droom pas goed op gang met de Wals van de Sneeuwvlokken. Dit is wat mij betreft het hoogtepunt van Morris’ ballet. Het complete corps de ballet treedt hier aan; mannen en vrouwen in unisex tutu’s, glittertopjes en asymmetrische badmutsen. De dansers warrelen over het toneel in een oogverblindende choreografie waarbij ze wolken witte confetti rondstrooien. Wat een vreugde en wat een levenslust!

The Hard Nut, Wals van de Sneeuwvlokken

In de tweede acte die hierop volgt komen nog meer fantastische scènes voor. Drosselmeiers zoektocht naar een geliefde voor de betoverde prinses voert hem langs allerlei landen, waarvan de romantische clichés heerlijk tongue-in-cheeck worden gedanst. Spanje heeft een hanige stierenvechter en stier, Rusland is een pastiche van het folkloristisch danstheater en Frankrijk wordt gedanst door nuffige hautecouture-modellen.

De wereldberoemde Bloemenwals is bij Morris een buitengewoon geestige oefening in ritmische gymnastiek onder aanvoering van de moeder. Marie en haar prins dansen een weids duet, terwijl alle figuren uit het verhaal in prachtige golven om hen heen vloeien. En even later zal Marie, als een verliefd kalfje, blootsvoets de eveneens beroemde Dans van de Suikerfee dansen.

The Hard Nut, Marie danst de Dans van de Suikerfee

Als u deze Kerst behoefte hebt aan een wat minder zoete vorm van vermaak, dan raad ik u van harte deze tangy Notenkraker aan. De integrale versie van The hard nut uit 1991 is op Youtube te zien in twee delen (Part One en Part Two) die elkaar wat ongelukkig overlappen.

Namens Marie, oom Drosselmeier en het complete corps de ballet uit The Hard Nut wens ik u fijne feestdagen.

Op Depot

Het voordeel van het nadeel van het afzeggen van mijn lezing is dat ik nu meer tijd heb voor andere dingen. Een bezoek aan het nieuwe Depot van museum Boijmans Van Beuningen stond bovenaan mijn verlanglijstje, dus stapte ik in de trein om dit sterke staaltje Rotterdamse lef-architectuur te bekijken.

Het gebouw is inderdaad verbluffend. Naast het museum Boijmans rijst een grote, glanzende bloempot op. Maar hoe groot het gebouw ook is, het werkt niet intimiderend omdat de bolle buitenkant de omgeving spiegelt. Als een vriendelijke lachspiegel neemt de façade je op in het prachtige, weidse panorama van de stad.

Het Depot, interieur

Eenmaal binnen waan je je in een Escher-prent. Aan de buitenschil liggen de afgesloten opslagruimtes. Maar het hart van het gebouw is voor het publiek toegankelijk. Dit ‘kloppende’ hart is een grote lichtschacht, doorsneden door trappen die diagonaal de zes verdiepingen met elkaar verbinden. Op elke etage loopt een open galerij om de lichtschacht heen met uitzicht op de trappen.

De trappen zijn voorzien van glazen leuningen waardoor je tot hoog in het gebouw het gelijkmatige ritme van de traptreden kunt volgen. Tussen de afgesloten opslagruimtes aan de buitenschil zijn open werk- of expositieruimtes die uitzicht bieden op de stad. Hierdoor dringt het daglicht door tot in het trappenhuis zodat de ritmische treden ook van opzij belicht worden.

Het Depot, interieur

Glazen liften zoeven op en neer langs de trappen. En overal lopen mensen; omhoog, omlaag. Mensen wandelen rond over de etages, leunen over de balustrades om naar de bedrijvigheid in het trappenhuis te kijken. Of ze staan stil bij de verlichte vensters die een inkijkje bieden in de opslagruimtes. Dat menselijke verkeer in het gebouw geeft het zijn Escherachtige spanning: Kijk, ook dáár loopt iemand, en dáár gebeurt ook wat!

In de centrale lichtschacht zijn vitrines waarin een aantal kunstwerken is opgesteld. De vitrines strekken zich uit in de verticaal en gaan met de lift en de trappen mee ‘over de verdiepingen heen’. In deze vitrines zijn schilderijen te zien, maar ook sculpturen en mode.

Untitled, Maurizio Catellan, 2001 (2021)

In een van die verticale vitrines staat het kunstwerk Untitled van Maurizio Cattelan, beter bekend als ‘het mannetje dat zijn hoofd door de vloer steekt’. Omdat nu ook het gedeelte onder de museumvloer zichtbaar is, maakte Catellan speciaal voor deze opstelling het beeld af. Het mannetje staat op zijn tenen op een krukje op een pallet met boeken op dozen met boeken op een dossierkast en kijkt zo nieuwsgierig naar de volgende verdieping.

Dan zijn er ook de vitrines die zich uitstrekken in horizontale richting. Deze vitrines, met keramiek en serviezen, dienen als glazen loopbrug of balkon. Dit is voor de durfals; je loopt als het ware boven de afgrond met een dun laagje kunst tussen jou en de diepte.

Helemaal bovenop het Depot is een restaurant met een prachtige daktuin. IJle berkjes en grassen staan wuivend in de wind en rondom ligt Rotterdam. Een aanwinst voor de stad, dit Depot, dat van de Rotterdammers het koosnaampje de Pot heeft gekregen. En geef ze eens ongelijk; een dagje op Depot en je bent verliefd op dit gebouw.

Het Depot, daktuin

N.B. De lezing ‘Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko’ in Utrecht is verplaatst naar 18 maart 2022. Zie Agenda

 

Poëzie van de luchtfiets

Veel liefhebbers van Panamarenko’s werk spreken over de poëzie van zijn kunst. Ook ik voel de poëtische kracht van zijn fantastische lucht-, land- en watertuigen. Volgens Panamarenko moet kunst ook poëzie zijn. ‘En poëzie is: tien seconden aan de macht ontsnappen’, zegt hij in een interview in 2002. Zijn uitvindingen helpen je te ontsnappen aan de macht van de conventies, aan de zwaartekracht, aan de ideeën over wat kunst moet zijn, aan de ideeën over techniek, over schoonheid. Niet voor niets heet mijn lezing Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko.

Het poëtische zit hem er ook in dat zijn uitvindingen niet perfect werken. Daar gaat het Panamarenko niet om. Hij zet je op het spoor dat ze zouden kúnnen werken. Je zou zo op zijn luchtfiets Das Flugzeug kunnen stappen. Het ‘vlieg-tuig’ heeft een zadel, een stuur en trappers waarmee je de Ronde van Vlaanderen zou kunnen fietsen. Maar met propellers in plaats van wielen fiets je niet over de kasseien, maar ga je hop! de lucht in. Poëzie!

Das Flugzeug, 1967
00.PZ Paradox, 1975

Die poëtische vrijheid komt in al zijn kunstwerken terug, vaak vermengd met een forse dosis humor en zelfrelativering. De ontwerptekening voor zijn vliegende tuig 00.PZ Paradox, een door een propeller aangedreven parachute, is van een grote schoonheid en het is een grappige uitvinding. Op het dak van een kleine cabine blaast een grote propeller lucht in een parachute. Het paradoxale is dat de cabine eigenlijk naar beneden gedrukt zou worden door de propeller, maar dat de parachute hem toch omhoog trekt.

De tekening van de 00.PZ Paradox heeft voor mij de schoonheid van een Japanse prent. Als een grote kwal zweeft een parachute met stuurzeil door de lucht en een klein, stripachtig luchtscheepje bungelt onderaan. De humor zit in de titel. Panamarenko: ‘Die dubbele 00 is niets meer dan het landnummer van België voor de luchtvaart, alle vliegtuigen hebben dat, dat is zoals een nummerplaat, en die PZ staat voor Panamarenko Zeppelin. En samen, als ge dat uitspreekt, is dat Oeps! Paradox!’

Sommige kunstwerken van Panamarenko zijn louter poëzie. De luchtfietsen IJsvogel en Grote Quadru Flip-Flop zijn van een adembenemende schoonheid, terwijl je je toch kunt voorstellen dat je met deze tuigen op ijle vleugels door de lucht vliegt.

(l.) IJsvogel, 2004 en (r.) Grote Quadru Flip-Flop (1998)

De poëzie van Panamarenko komt ook tot uiting in het naïeve van zijn uitvindingen. Zijn vliegtuigen, onderwaterbootjes en futuristische ruimtevaartuigen roepen een wereld op waarin alles kan. Zoals speelgoed dat doet voor een kind. Panamarenko had zijn huis vol staan met opwindpoppetjes, blikken speelgoedautootjes en modellen van vliegtuigen: ‘Ik maak in feite alleen maar speelgoed, want dat is de echte kunst: de poëzie van een stuk speelgoed.’

Aan het eind van zijn carrière legt Panamarenko zich toe op het maken van bewegende Kiekskes, fantasievogels die vrij rondstappen. Zijn meest ontroerende kunstwerk is wel de Vogelmarkt; drie vreemde vogels lopen rond op tableautjes onder afdakjes zoals op de Vogelenmarkt, die elke zondag in Antwerpen plaats vindt. Als een soort marktkoopman die een demonstratie geeft, staat Panamarenko tussen zijn Kiekskes die nieuwsgierig rondtrippelen. Vraag niet hoe het kan, profiteer ervan: gratis poëzie!

Affiche en demonstratie van Vogelmarkt, 2005

LET OP: In verband met de nieuwe coronasituatie gaan de lezingen op 16 en 19 december NIET door. Ze worden verplaatst naar voorjaar 2022. Kijk ook in de Agenda.

 

Stripheld Panamarenko

De uitvindingen van Panamarenko; zijn vliegende, zwevende, varende en hink-stap-springende ‘tuigen’, hebben een hoog stripverhaalgehalte. Ze zien eruit alsof ze zo uit een Kuifje- of Suske-en-Wiske-album komen. Niet zo gek voor een kunstenaar uit een land waar de strip als kunstvorm wordt gezien.

Neem het onderzeebootje dat Panamarenko in 1996 maakte, de PAHAMA – Spitsbergen – Nova Zemblaya. Dit compacte bootje van nog geen zeven meter lang met het profiel van een walvis, heeft in de neus een groot venster ‘om naar de viskes te kijken’. Het interieur is in een mooie zeegroene kleur geschilderd en heeft langs de zijwanden twee zitbanken voor de bemanning/passagiers. Het zou zomaar een onderzeebootje kunnen zijn dat is ontworpen door professor Zonnebloem als opvolger van de haaienduikboot die hij voor Kuifje had gemaakt in De Schat van Scharlaken Rackham.

(l) duikboot PAHAMA – Spitsbergen – Nova Zemblaya, tekening van Panamarenko, 1996, (m) schetsen van Hergé voor De Schat van Scharlaken Rackham, 1944, (r) Arlikoop, Panamarenko, 2004

Het duikbootje PAHAMA – Spitsbergen – Nova Zemblaya brengt onze held naar de Noordpool. Daar beleeft hij een avontuur in het gezelschap van een robot; de Arlikoop. Dit is de robot die Panamarenko in 2004 maakte. Met de Arlikoop reisde hij af naar de Noordpool en maakte schitterende foto’s in de sneeuw en het felle licht.

Panamarenko ondernam meer van die Kuifje-achtige reizen. In 1989 trok hij door de woestijn in Egypte en ging hij duiken in de Rode Zee. Daar kreeg hij zijn ideeën voor het duikpak dat hij ontwierp en dat hij de naam gaf van een grote kwal; de Portuguese Man of War. Het zou zomaar de titel van weer een Kuifje-album kunnen zijn.

Reis naar Egypte I en II, Panamarenko, 1990
K2, The 7.000-Meter-High Flying Jungle and Mountain Machine, along the Yellow River banks in China discovering a giant Tillannia flower, Panamarenko, affiche, 1991

In 1991 bouwt Panamarenko de K2, the 7000-Meter-High Flying Jungle and Mountain Machine. Het is een fantastisch vliegend voertuig met vier propellers in plaats van wielen. De machine zou een hoogte van 7000 meter kunnen halen. De propellers zijn afgedekt met bolle beschermkappen, zodat onze held vrij door de jungle kan vliegen zonder verstrikt te raken in de bomen.

Panamarenko maakt – in het predigitale tijdperk – een collage van een polaroidfoto van hemzelf in de K2. Hij plakt deze foto tussen de planten die hij thuis in de vensterbank heeft staan en noemt dit avontuur:  K2, The 7.000-Meter-High Flying Jungle and Mountain Machine, along the Yellow River banks in China discovering a giant Tillannia flower.

De reizen van Panamarenko beperken zich niet tot de aarde; hij gaat ook de ruimte in. Voor zijn project Reis naar de sterren in 1985 ontwerpt hij niet alleen prachtige ruimteschepen in de vorm van vliegende schotels, maar maakt hij ook een vliegende rugzak waarmee je uitstapjes in het heelal kan maken.

Reis naar de sterren, detail van tekening, Panamarenko, 1985

In de rugzak zit een machine die via twee gebogen pijpen krachtige luchtstralen naar beneden wegblaast. De kosmonaut bedient de machine via twee hendels in zijn handen die met een snoer aan de rugzak vastzitten. Het ruimtepak is een soort overal die beplakt is met plastic ringen. Op zijn neus staat ook een uilenbril van twee plastic ringen.

Tijdens de reis naar de sterren draagt onze held een helm waar rode sterren op staan en zijn naam. Zo kunnen we elkaar altijd herkennen als we mee op reis gaan in het heelal met onze stripheld Panamarenko.

Mijn lezing Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko gaat op 16 december in première. Zie Agenda

Omwenteling

Hoe inspirerend Panamarenko’s werk ook is, het valt me af en toe niet mee om het wetenschappelijke gehalte van zijn uitvindingen te vatten. Ik ben tenslotte geen bèta-, maar een alfaMan van Taal. Maar ik begin steeds beter begrijpen hoe revolutionair Panamarenko’s kunstzinnige benadering van de wetenschap was. Hij stelde kunst en wetenschap niet als twee tegengestelde werelden voor, maar paste wetenschappelijke inzichten toe op een kunstzinnige manier. Dat is wat mij betreft wel een omwenteling te noemen in het denken over kunst en wetenschap.

100.000 Revoluties/Minute Jet Turbine, Panamarenko, 1976, Collection M HKA, Antwerpen

Een goed voorbeeld van Panamarenko’s kunstzinnige interesse in de wetenschap is zijn ‘sculptuur’ getiteld 100.000 Revoluties/Minute Jet Turbine. In 1976 bouwde Panamarenko deze ronddraaiende machine die, eenmaal op gang gebracht, zichzelf almaar zou versnellen tot een snelheid van honderdduizend omwentelingen per minuut. Een eenmalige input van energie (de oorspronkelijke aandrijving) zou door de machine zelf eindeloos kunnen worden hergebruikt en de beweging zou zichzelf versterken.

Dit idee klinkt voor mij als een perpetuum mobile, een eeuwigdurende beweging waar wetenschappers en aanverwante uitvinders al eeuwen naar zoeken. Onmogelijk, maar Panamarenko laat je dromen over de uitvoerbaarheid van dit soort ideeën. Waarom ook niet, vraag je je af als je zijn machines ziet. Tuigen waarmee je van bergtop naar bergtop kunt springen, of zweven door de ruimte, of wandelen over de zeebodem. Panamarenko’s uitvindingen maken je los van de beperkingen en conventies in het dagelijks leven.

Panamarenko hechtte er aan om de schoonheid van de techniek te laten zien. Bij al zijn machines is zichtbaar en begrijpelijk hoe ze worden aangedreven. Ze hebben echte motoren of ze werken op mensenkracht – MK zoals hij dat noemde –  via een simpele set fietspedalen. Dat geeft zijn machines de naïeve, bijna kinderlijke bekoring dat je je er ook werkelijk mee kunt verplaatsen door de ruimte.

Flying (Magic) Carpet, Panamarenko, 1979, collectie EPA, München

Neem zijn uitvinding Flying (Magic) Carpet; een vliegend tapijt dat hij in 1979 ontwierp voor het gebouw van het Europese Octrooibureau in München. In een begeleidend document schrijft Panamarenko: ‘Er is nu een manier om een ​​vliegend tapijt te maken. De droom van 1001 nacht en 1001 uitvinders. De oplossing bestaat uit sterke Nikkel-Cadmium batterijen en lichte elektromotoren.’

Het vliegende tapijt is een rechthoekig vlak dat bestaat uit veertig plexiglazen dekplaten waaronder zichtbaar veertig propellers draaien. Het ‘tapijt’ kan in vieren worden opgevouwen en heeft rondom franje, zoals een vloerkleed betaamt. Je ziet dus de techniek (de veertig propellers, de elektromotoren en de bedrading) én je ziet een magisch vliegend tapijt uit de sprookjes van 1001 nacht.

Als Panamarenko de techniek had weggemoffeld onder een niet-doorzichtig oppervlak, of – nog conventioneler – de technische aandrijving alleen maar had gesuggereerd met hier en daar een kabel en een propeller, had deze uitvinding niet de magische werking gehad die er nu van uitgaat. De Flying (Magic) Carpet is een combinatie van het oerbeeld van een vliegend tapijt met moderne techniek (uit 1979). Deze mix van wetenschap en kunst zet ons aan het dromen.

Dat is de bekoring van Panamarenko’s uitvindingen. Hij wendt de wetenschap aan op een kunstzinnige manier. Waar andere kunstenaars verf, hout, steen en brons als materiaal gebruiken, zijn voor Panamarenko wetenschappelijke wetmatigheden het materiaal voor een kunstwerk. Een omwenteling, een revolutie in het denken over kunst.

Vliegend Tapijt, tekening van Panamarenko, niet gedateerd. Foto: archief Panamarenko Collectief

De lezing Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko gaat in première op donderdag 16 december in Utrecht. Daarna lezingen in Den Haag. Zie Agenda.

 

Verbeeldingskracht

‘Wij maken ons bestaan door onze verbeeldingskracht.’ Deze prikkelende zin kwam uit de mond van Bas Heijne in het gesprek in de Haagse Duinzichtkerk op 10 oktober. De verbeelding maakt het leven, volgens Heijne, dat moet je niet overlaten aan de algoritmen en de managers. Ik zat in het publiek bij dit Duinzichtgesprek en Heijnes pleidooi voor de verbeelding was mij uit het hart gegrepen. Mijn boek Tot de verbeelding, dat vorig jaar verscheen, is een statement over de kracht van de verbeelding. Op de cover staat een mannetje dat roept: ‘Tot de verbeelding!’ Á l’art in plaats van á l’arme!

Net in de week van het gesprek met Bas Heijne was de inlijsting voltooid van de oorspronkelijke illustraties uit het boek Tot de verbeelding. De zeven originele tekeningen van Peter Oosterhout zijn in kleine eikenhouten lijstjes gevat, die in een losse reeks opgesteld staan op een elegant balkje. Zo vormen ze één geheel en zijn ze toch vrij in de ruimte. De levendigheid en de subtiliteit van de tekeningen komen nu volledig tot hun recht.

De zeven illustraties van Peter Oosterhout voor het boek ‘Tot de verbeelding’

Voordat het boek in 2020 verscheen, hadden de illustrator en ik uitgebreid gesproken over de beelden bij de hoofdstukken. In elk van de zeven hoofdstukken gaat het om de verhouding van het ‘mannetje van taal’ op de cover met het thema van het betreffende hoofdstuk (de kunstenaars Arp, Rembrandt, Zadkine, Niki de Saint Phalle en Picasso en de onderwerpen Natuur en Taal).

In zeven schitterende, fijnzinnige tekeningen heeft Peter Oosterhout die vervlechting weergegeven; het mannetje gaat, in verschillende gedaantes, op in de wereld van de kunstenaar. Daarbij is telkens één aspect uit de kunst uitgelicht, een aspect dat het meest tot de verbeelding spreekt. Bij Rembrandt zijn dat de handen, bij Niki de betoverende mozaïeken, bij Zadkine de muziek, enzovoort.

Peter Oosterhout is ook met een mooi werk vertegenwoordigd op de groepsexpositie Het gewicht van woorden, die tot 12 december in de Oranjekerk in Amsterdam is te zien. Tien kunstenaars hebben het gedachtengoed van filosofe Hannah Arendt (1906-1975) verbeeld. Van Peter Oosterhout hangt er een digitale collage met de titel Bij Hannah Arendt aan tafel.

Bij Hannah Arendt aan tafel, digitale collage van Peter Oosterhout

In een fraai uitgelicht decor zit Hannah Arendt als een soort talkshowhost aan een grote ronde tafel. Haar gasten zijn de in een lichtgeel kostuum gestoken wiskundige Alan Turing (1912-1954), de man die de enigma-code kon ontrafelen, en een luid kwakende figuur, een zekere Donald. In de rook van Arendts sigaret staat een van haar beroemdste citaten over de banaliteit van het kwaad. Zoals altijd heeft Oosterhout allerlei elementen en figuren toegevoegd die een rijke wereld vol beelden en associaties oproepen.

Ook Hannah Arendt onderkende de kracht van de verbeelding. Zij stelde vast dat het ontbreken van verbeelding dodelijk is; SS’er Eichmann, wiens proces zij in 1961 volgde, was een onbeduidend mannetje, een boekhouder ‘zonder verbeelding’ die alleen maar regeltjes uitvoerde. Verbeelding is de kracht die we nodig hebben om te leven.

De zeven illustraties uit het boek ‘Tot de verbeelding’

Nu de avonden weer lengen en de feestdagen eraan komen is Tot de verbeelding een heerlijk boek om te lezen, c.q. cadeau te geven. Bestellen gaat eenvoudig via de pagina Boek van mijn website. In december geef ik mijn lezing over Panamarenko, de kunstenaar die ons verlangen om te vliegen verbeeldt. Zie Agenda.