Gevleugeld

Morgen, op 1 oktober, geef ik mijn lezing Rembrandts Handen in Utrecht. Hiermee introduceer ik mijzelf bij Helikon, het instituut dat lezingen houdt over kunst, cultuur en religie. Het thema van Helikon voor 2021/2022 is Vleugels krijgen!, waarin ‘de gevleugelde mens, engelen en ander kunst- en vliegwerk’ centraal staan. Later dit jaar zal ik voor Helikon mijn Panamarenkolezing houden, die ik in opdracht van het instituut heb gemaakt.

Vanwege het thema Vleugels krijgen! heb ik aan mijn Rembrandtlezing twee engelenafbeeldingen toegevoegd. Eén is het schilderij Jakob worstelt met de engel uit 1659 en één is de tekening De aankondiging aan Maria uit 1635. Die tekening kende ik niet, maar ik werd erop gewezen door Heleen Rippen, directeur en programmeur van Helikon.

De aankondiging aan Maria, tekening met pen en inkt, ca. 1635

De tekening is een buitengewoon dynamisch en op het eerste gezicht raadselachtig geheel. Maria lijkt ineen te zijgen in een wolk van plooien van haar gewaad. Of wendt ze zich af van de engel die met zijn brede vleugels over haar heen gebogen staat?  De handen zijn in deze tekening niet heel duidelijk, maar de gezichten wel. Maria heeft de ogen neergeslagen, of zelfs dicht, maar haar gezicht drukt geen angst uit. De engel kijkt met een intense, maar zachtaardige blik naar Maria.

Het afwerende gebaar dat je zou kunnen zien in de houding van Maria deed mij denken aan Rembrandts ets Christus in de hof van Gethsemane. Op deze ets uit 1652 zien we Christus geknield in de hof van Gethsemane. Hij verkeert in grote nood en bidt om niet te worden gekruisigd. Een engel knielt bij Christus, maar net als in de tekening De aankondiging aan Maria lijkt het of Christus Zijn hoofd van de engel afwendt.

Christus in de hof van Gethsemane, ets, 1652

In beide scènes staan de figuren (Maria en Christus) voor een ingrijpend moment in hun leven en geeft Rembrandt weer hoe ze worstelen met dit moment. Het verschil is dat de engel in de hof van Gethsemane geen boodschapper is. Christus weet al dat Hij zal sterven. De engel is hier een ondersteunende en liefdevolle figuur die Hem de kracht geeft om Zijn lot te dragen. Rembrandt geeft dat letterlijk weer in het been van de engel dat stevig op de grond geplant staat, waardoor hij Christus overeind kan helpen.

In de tekening De aankondiging aan Maria zien we hoe de engel Maria overvleugelt. Zijn boodschap overweldigt haar, ze lijkt uit haar stoel op de grond te zijn gezakt. Er liggen ook een paar slippers en een hondje (?) dat met de kop op de gekruiste voorpoten rustig doorslaapt. Geen paniek dus, maar wel een ontzagwekkend moment, dat Maria op zich moet laten inwerken.

Rembrandt is – en dat laat ik in mijn lezing ook zien – de kunstenaar die de grote momenten uit de Bijbel weet te plaatsen in een gewone, menselijke omgeving. Hij brengt de religieuze verhalen terug tot menselijke proporties, waardoor we ons er meer mee kunnen verbinden.

De lezing Rembrandts Handen, de taal van de handen in Rembrandts werk morgen, 1 oktober, bij Helikon in Utrecht. Zie Agenda.

Net als Da Vinci

In sommige teksten wordt Panamarenko wel de ‘Da Vinci van Antwerpen’ genoemd. Of nog specifieker de ‘Da Vinci van de Seefhoek’, naar de volkswijk waar Panamarenko jaren heeft gewoond en gewerkt. Er zijn ook opvallend veel paralellen tussen de Belgische kunstenaar/uitvinder (1940-2017) en het Renaissance-genie Leonardo da Vinci (1452-1519).

Beiden maakten uitgebreid notities van hun gedachten, hun invallen en ontwerpen. De linkshandige Da Vinci in ordentelijk spiegelschrift, Panamarenko in krasserige, schetsmatige tekeningen en tekstfragmenten. Behalve technische toelichtingen op zijn ontwerpen, schreef Panamarenko ook (humoristische) wisecracks bij zijn tekeningen. Zo staat bij het ontwerp van zijn vliegende schotel, de Bing: ‘In vergelijking met de konstructie van een Bing is alle menselijk streven onbenullig.’

De Bing lijkt in vorm heel erg op de Gepantserde wagen, een ‘tank’ die Da Vinci rond 1485 op papier ontwierp om indruk te maken op Ludovico Sforza, de hertog van Milaan.  Zoals veel heersers in die tijd was Sforza in een permanente staat van oorlog verwikkeld met andere stadstaten en vernieuwend oorlogstuig moet hem goed zijn bevallen.

Panamarenko’s tekening van de Bing, 1990 (l.) en Da Vinci’s tekening van de Gepantserde Wagen, ca. 1490 (r.)

Het grappige is dat het voertuig (waarin acht mannen de wielen moesten aandrijven en de kanonnen bedienen) niet uitvoerbaar was; de mannen zouden stikken door de kruitdampen én de wielen draaiden in tegengestelde richting. Maar net als bij Panamarenko is werkzaamheid van de machine ondergeschikt aan de vrijheid van het ontwerp en het vernuft van de uitvinding.

Da Vinci had, net als Panamarenko, een fascinatie voor vliegende wezens. Er wordt gezegd dat hij kooien met vogels kocht om ze vrij te laten en de vliegbewegingen te bestuderen. Ook vleermuizen hadden zijn belangstelling. Hij maakte een zweefvliegtuig met vleermuisachtige vleugels, dat doet denken aan Panamarenko’s vliegende tuig Brazil. Volgens de overlevering heeft Da Vinci’s vliegmachine in 1506 een testvlucht gemaakt vanaf de Monte Ceceri, (de Zwanenberg) in de buurt van Florence. Leonardo’s assistent, Zoroastro da Peretola, was de piloot. Het vliegtuig zweefde bijna een kilometer door de lucht, maar bij de ruwe landing brak Zoroastro zijn been.

Panamarenko’s ‘Brazil’, 2004 (l.) en Da Vinci’s ‘zweefvliegtuig’, ca. 1506, animatie (r.)

Opnieuw liet de uitvoerbaarheid van het plan te wensen over, maar het ging bij Da Vinci, net als bij Panamarenko, om de vrijheid van het vliegen. In zijn traktaat Over de vlucht van vogels schreef Leonardo over de lancering: ‘Vanaf de berg die de naam draagt van de grote vogel zal de befaamde vogel zijn vlucht ondernemen die de wereld zal vervullen met zijn grote faam.’

Ook de droom om vrij te kunnen bewegen op het water en onder water inspireerde beide kunstenaars tot het ontwerpen van ‘watertuigen’. Zowel Da Vinci als Panamarenko ontwierp een duikpak en een beademingsmachine waarmee de mens onder water zou kunnen bewegen. En ze maakten allebei een boot die aangedreven werd door een trapmechanisme; Da Vinci een raderboot en Panamarenko zijn Donnariet, die met het zwiepen van zijn walvisachtige staart voor de voortstuwing moest zorgen.

Panamarenko’s ‘Donnariet’, 2003 (l.), foto: Gerard Van Rafelghem, en Da Vinci’s raderboot, ca. 1500, animatie (r.)

Er liggen vijf eeuwen tussen de kunstenaars Panamarenko en Da Vinci; maar het zijn verwante geesten. Allebei bouwden ze al knutselend vernuftige machines. Machines die de vrijheid verbeelden.

In december geef ik de lezing Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko in Utrecht en in Den Haag. Zie Agenda

Afbeelding boven dit artikel: een schets van Leonardo da Vinci (1452-1519)

Pana’s papegaaien

De kunstenaar Panamarenko (‘Pana’ voor intimi) was dol op vogels. Als jongetje had hij een tamme kauw, die hij Jantje Kokoke noemde. Het beestje kon, volgens de kunstenaar, zijn eigen naam roepen en kon ook imiteren hoe zijn moeder haar man Henri riep: ‘Aaaaaaanrie!’ De vogel en de jongen waren onafscheidelijk, maar op een kwade dag ging Panamarenko in zijn slaap op de Jantje Kokoke liggen waardoor de vogel stikte.

Panamarenko’s gouden kooi

Jantje Kokoke kreeg vele opvolgers; Panamarenko woonde uiteindelijk in een huis met zes papegaaien, een toekan en een duif. Hij hield ze in kooien die vaak open stonden en bouwde zelfs een grote, gouden kooi voor de vogels ‘in de vorm van een ajuin met drie puisten op’, maar de vogels vlogen meestal vrij rond door de woning.

De moeder van Panamarenko slaapt met een Ara op haar rug, foto in het Panamarenkohuis

In die woning, die nu als ‘Het Panamarenkohuis’ te bezoeken is, hangen ingelijste foto’s van Pana’s gevederde vrienden. Geelblauwe Ara’s kijken onderzoekend in de lens, de Grijze Roodstaart is op bezoek bij de Kaketoe en de Edelpapegaai bungelt ondersteboven aan zijn kooi. Er hangt een mooie foto van Panamarenko’s moeder, met wie hij ruim dertig jaar in het huis woonde, en een papegaai. Tevreden opgekruld ligt ze op de bank een dutje te doen, terwijl een Ara op haar schouder zit.

Panamarenko ontwierp vele ‘tuigen’ waarmee de mens als een vogel zou kunnen vliegen. Voor in de stad ontwierp hij een rugzakje met propellers, waarmee je recht omhoog kan stijgen. Maar in de weiden buiten de stad heb je de ruimte om met een aanloop het luchtruim te kiezen, dus bouwde hij een opvouwbare vleugelconstructie van zes meter breed, zoals weergegeven in de sculptuur Brazil.

Een elektromotortje van twaalf kilo op de rug helpt de piloot om op de grond een snelheid van 40 kilometer per uur te bereiken. ‘Hierdoor kunt ge u met gesloten vleugels in gang lopen’, legt de kunstenaar uit. ‘Als ge constant met twaalf kilo in uw rug geduwd wordt, moet ge op een zeker moment de vleugel opentrekken. Die begint dan te liften en … HOP! Dan zijt ge vertrokken, hè!’

Brazil, 2004. Foto: Panamarenko

Ontroerend en grappig zijn de Vliegende kippen van Panamarenko; modellen van vogelachtige wezens die met behulp van elektronica ‘vrij’ rondstappen. Panamarenko baseerde zich voor deze vogels op de prehistorische Archaeopterix, een fossiele vogel die afstamt van de dinosaurus. Hij ging in Peru op zoek naar de hoazin, een vogel die leeft in het Amazonegebied en veel overeenkomsten vertoont met de Archeopterix.

Panamarenko (l.) in Peru met een hoazin, september 1990, foto in het Panamarenkohuis

Terug in Antwerpen bouwde hij zijn Archaeopterixen, die hij prachtige namen gaf, vaak gebaseerd op science-fiction films. Zo noemde hij een van zijn Archaeopterixen Persis Clambatta, naar de filmster Persis Khambatta uit Star Trek. In 2003 maakte hij de Archaeopterix Cocotaxi, een naam die doet denken aan Jantje Kokoke, de geliefde (en geplette) kauw uit zijn jeugd.

Hoezeer echte en mechanische vogels met elkaar verweven waren voor Panamarenko, is af te lezen aan een grappige fotocollage in het Panamarenkohuis. In een passe-partout hangen drie foto’s van zijn papegaaien, afgewisseld met drie foto’s van zijn Vliegende kippen. Ja, Panamarenko ziet ze vliegen. En wij met hem.

Cocotaxi, 2003 (l.) en fotocollage in het Panamarenkohuis van papegaaien en Vliegende kippen (r.)

Op 16 december gaat mijn Panamarenkolezing in première: Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko. Zie Agenda.

Het Panamarenkohuis

Vorige week was ik in Antwerpen om onderzoek te doen naar de kunstenaar Panamarenko (1940-2019). Hij woonde het grootste deel van zijn leven samen met zijn moeder en elf papegaaien in zijn ouderlijk huis in de Antwerpse volkswijk Seefhoek. Op de begane grond had zijn moeder een schoenwinkeltje, Goliatje geheten, dat hij ombouwde tot werkplaats. Daar, maar ook in het erboven gelegen woongedeelte werkte hij aan zijn fantastische, vliegende, varende, rollende en stappende ‘tuigen’.

In het Panamarenkohuis

Het huis is nu een museum, het Panamarenkohuis, en is in zijn oorspronkelijke staat te bezichtigen. Niet helemaal origineel, de papegaaien die vrij in de woning rondvlogen, zijn verdwenen en ook hun ‘vrij gedeponeerde’ uitwerpselen zijn opgeruimd. Maar de inboedel is nog exact zoals die was toen Panamarenko er woonde, inclusief de sigarettenpeuken en munten die Panamarenko overal liet slingeren. Dichterbij de kunstenaar kan je niet komen.

Het huis staat vol met (onderdelen van) projecten waar hij aan werkte; propellers, tandraderen, zwemvliezen, koepels van vliegende schotels, half-gedemonteerde machines en elektronische apparaten. De meubels zijn bezaaid met schroeven, snoeren, slangen, modellen van kunstwerken, gereedschappen, wapens, boeken over zeppelins en onderzeeërs en catalogi van exposities van Panamarenko. Er staan overal (opwindbare) blikken speelgoedfiguurtjes en modelbouwpakketten uit de speelgoedwinkel.

In het Panamarenkohuis

Aan de muren, die hij zelf had behangen met gefotokopieerde A4tjes, hangen ontwerptekeningen van projecten, foto’s van Panamarenko met zijn moeder en bevriende kunstenaars. Foto’s van de papegaaien. Foto’s van zijn happenings en projecten, zoals een foto waarin hij in een zelfgemaakt duikpak over de oceaanbodem wandelt. Een grote, ouderwets-aandoende duikhelm staat in een hoek op de grond.

Hier en daar slingeren nog kledingstukken van de kunstenaar; een slangenleren jasje, een duikpak, een uniformjasje met stropdas. Panamarenko leefde hier, omringd door zijn materialen waaruit hij al ‘knutselend’ kunstvoorwerpen schiep die alle fysieke wetten trotseerden en – in ieder geval in de verbeelding – de mens vrij lieten bewegen; te land, ter zee en in de lucht.

Tijdens de rondleiding door een enthousiaste gids dwaalden we met acht bezoekers, het maximum aantal toegestane mensen in dit overvolle huis, door de creatieve chaos van Panamarenko en zijn vrije geest kreeg ons te pakken. Er ontstond een gedeelde verwondering en opgetogenheid over de ongebreidelde scheppingsdrang van Panamarenko. De gids bood ons een drankje aan en met een lokaal Seefbiertje proostten we op de kunstenaar.

Woonkamer in het Panamarenkohuis

De klap op de vuurpijl was wel het helikopterplatform, dat Panamarenko in 2007 op zijn huis liet bouwen. Een achthoekig platform bovenop het dak van een gewoon woonhuis in een volkswijk. We mochten er niet op vanwege de veiligheid, maar een van de bezoekers, een liefhebber van miniatuur vliegtuigjes, had een drone bij zich. Toen we na de rondleiding weer buiten stonden maakte hij dronebeelden van het Panamarenkohuis met helikopterplatform.

Dronebeeld van het Panamarenkohuis met helikopterplatform. Foto: Patrick Lemli

Hoe toepasselijk dat de drone ons laat zweven boven het huis van Panamarenko, de kunstenaar die de menselijke geest vrij laat bewegen met zijn ingenieuze, zelf-geknutselde machines. Naar sterren gaat het, of naar Nova Zembla in een onderzeebootje. Wat een vrijheid! Over deze inspirerende kunstenaar maak ik een lezing getiteld Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko. In december gaat de lezing in première. Zie Agenda.

Belgische humor

Of de Belgen meer gevoel voor humor hebben dan ‘den Ollanders’ weet ik niet, maar de humor van onze zuiderburen is wel een stuk absurdistischer dan de onze. De Belgische humor stopt niet bij het nog-net-voorstelbare, maar gaat veel verder door in de domeinen van het ongerijmde. Een mooi voorbeeld van die grenzeloos absurdistische humor was het televisieprogramma Het Peulengaleis, dat van 1999 tot 2005 op Canvas werd uitgezonden.

Vast onderdeel van het programma was het duo Yvonne & Yvette, gespeeld door Bart Peeters en Hugo Matthysen met kopstemmetjes en malle pruiken op. De sketch opende steevast met een van de twee acteurs, om het even welke van de twee, die zegt: ‘Zeg Yvonne’, waarop de ander zegt ‘Ja Yvette’ en er zich een bizarre dialoog ontspint over alledaagse onderwerpen (het volgen van een dieet, de inbraak bij een nicht, het uiterlijk van een bekende politicus). Een van de idiootste sketches was wel Toffe sakosj, waarin de dames spreken over een nieuwe sakosj (= tas) en wat je er allemaal mee kunt doen.

Yvonne & Yvette, in ‘Toffe sakosj’ uit ‘Het Geulenpaleis’

Ik ben een paar dagen in Antwerpen om me te verdiepen in het werk van beeldend kunstenaar Panamarenko (1940-2019), die met een flinke dosis Belgische humor een heel oeuvre ontwikkelde van vliegende, rollende, zwemmende en hink-stap-springende wezens en voertuigen. Op het programma van mijn excursie staat onder andere een bezoek aan het Panamarenkohuis; het woonhuis annex atelier waar de kunstenaar al zijn bizarre plannen ontwikkelde.

Bij het schrijven van dit blog heb ik het Panamarenkohuis nog niet bezocht, maar ik heb al wel door de stad gedwaald waar ik op veel plaatsen op Belgische humor stuitte. Er zijn kroegen met leuke namen zoals De 2 Bompa’s (= opa’s) of Parijs is nog ver (een gevleugelde uitspraak uit de Tour de France). In een boekwinkel trof ik ansichtkaarten aan met uitspraken in plat Antwerps, waarvan één luidde: ’tis in de sjakos’, wat zoveel wil zeggen als ‘Het is voor elkaar’. En in het chique winkeldistrict rond de Bourlaschouwburg wemelde het in de etalages van de peperdure sjakossen.

Kaart ’tis in de sjakos’ en een chique sjakos in een etalage in Antwerpen

Panamarenko was geobsedeerd door alles wat bewoog of dat in principe zou kunnen. Hij ontwierp talloze vliegende ‘tuigen’, variërend van grote zeppelin-achtige vliegtuigen tot rugzakjes met propellors voor privégebruik. Op het ‘Panamarenkoplein’ in Antwerpen-Zuid werd een jaar na zijn dood de Bing II onthuld, een vliegende schotel, die zo uit een sciencefiction verhaal afkomstig lijkt te zijn.

Bing II, Panamarenko, 2003

Ook watervoertuigen ontwierp Panamarenko, zoals een onderzeeërtje voor een reis naar Nova Zembla en watervoertuigje Donnariet, een kruising tussen een helikopter en een walvis. De tewaterlating van de Donnariet in 2003 is vastgelegd in een serie foto’s en laat zich lezen als een strip, ook zo’n specifieke uiting van Belgische humor.

Donnariet, Panamarenko, 2003. Foto: Gerard Van Rafelghem

Panamerenko en zijn vrouw, Eveline Hoorens, staan in hun chique kleren aan de rand van het bassin waarin de Donnariet drijft. Het regent. Panamarenko, gehuld in een waadbroek, stapt vanuit het water in het vaartuigje, terwijl Eveline hem vanaf de wal ondersteunt. Met veel geplons klimt hij naar binnen, maar dan tuimelt hij er weer uit en valt in het water. Het vaartuig lijkt te kapseizen. De laatste afbeelding toont het echtpaar, gekleed in regenpakken, tot hun heupen in het water. Ze kijken naar de Donnariet die links uit beeld vaart.

Tewaterlating van Donnariet, 2003

Bizarre humor als inspiratie voor de kunst. Waar vind je dat duidelijker dan hier in België? Ik ga mij onderdompelen in deze heerlijke inspiratiebron en zal aan het eind van het jaar een lezing geven over Panamarenko. Houd de Agenda in de gaten.

Dodeigne in Zwolle

Vandaag geef ik mijn lezing Het gevoel van hardsteen in Zwolle. Zwolle heeft namelijk op het Broerenkerkplein een heel mooi beeld van Eugène Dodeigne staan; Figure uit 1964. Een staande menselijke vorm, die ruw is uitgehakt uit Belgische hardsteen. Er zit iets kwetsbaars in deze figuur, die een been voor het andere lijkt te hebben gezet en over een opgetrokken schouder naar rechts kijkt.

Figure, 1964

Dat een ruwe stenen vorm toch iets van kwetsbaarheid kan uitstralen, is typisch voor de beelden van Eugène Dodeigne. In zijn grove, hoekige beelden is altijd het weerbarstige karakter van de Belgische blauwe hardsteen nog goed te herkennen, en tegelijk spreekt er uit de vormen een gevoel van fragiliteit.

In museum De Fundatie in Zwolle zijn nog twee beelden van Dodeigne te zien; een bronzen kop uit 1963-1964 (op dit moment niet op zaal in het museum) en een hardstenen beeld uit 1977, Bras levé (Opgeheven arm). Dat laatste beeld is een bruikleen van museum Beelden aan Zee en is opgesteld in de tuin van Kasteel Het Nijenhuis, de dependance van De Fundatie in Heino. Speciaal voor vandaag heb ik die twee beelden toegevoegd aan mijn lezing.

Toen ik vorige week bij De Fundatie nog wat nadere informatie vroeg over deze twee beelden, meldde men mij dat het museum nog meer werken van Dodeigne in beheer heeft. Daaronder zijn drie prachtige houtskoolschetsen uit 1972 en 1973, waarschijnlijk voorstudies voor drie beelden die in het Provinciehuis van Zwolle in het trappenhuis staan. Wat een verrassing!

Ik heb mij dus vandaag naar het Provinciehuis van Zwolle begeven om deze beelden live te zien. Helaas kon ik de indruk die de beelden op mij maakten niet meer op tijd verwerken in dit blog, dus ik moet mij voor dit blog baseren op de foto’s die ik op internet vond en foto’s die afkomstig zijn uit het overzicht dat museum De Fundatie mij ter beschikking stelde.

De beelden dateren uit 1972/1973 en liggen qua stijl en expressie heel dicht bij de prachtige groep Les Dix, die Dodeigne in 1970 als één geheel maakte. Dit is een groep van tien twee meter hoge gestalten in lange mantels, met in hun lichaam een opwaartse, maar onzekere ‘beweging’. Typisch voor Dodeigne, die in al zijn beelden laat zien hoe de mens zich opricht in een kwetsbaar gebaar.

Les Dix, 1970, Foto van Eugène Dodeigne uit het boek ‘Chant de Pierre’

In het Provinciehuis staan de beelden op drie niveaus in het monumentale trappenhuis van het bestuursgedeelte. Als ik het goed gezien heb op de foto’s waarmee ik mijn bezoek aan het Provinciehuis voorbereidde, staat op de begane grond het beeld met de titel Cherche son élan, dat je zou kunnen vertalen als Op zoek naar zijn momentum. Dit beeld, met het hoofd gebogen tussen de opgetrokken schouders, heeft twee (?) handen op het voorste been gelegd. Of heeft het een hand voor het gezicht geslagen?

Het tweede beeld bevindt zich halverwege de trap en heet Vers le haut (Omhoog). Het ‘gezicht’ is hier vrij en de handen lijken tussen de iets gebogen knieën te hangen. Het derde beeld staat bovenaan de trap. De titel is Premier palier (Eerste niveau). Het beeld staat met rechte knieën en een gebogen hoofd. De armen liggen om het bovenlichaam heen.

Drie beelden van Dodeigne in het Provinciehuis Zwolle. Foto: Ziko van Dijk

Mooi hoe de opwaartse beweging, dé beweging in al Dodeignes beelden, hier bijna letterlijk vertaald wordt in de trap die je als toeschouwer bestijgt om op het ‘eerste niveau’ te komen.

Engagement in Oud-Zuid

Het plantsoen op de kruising Apollolaan/Minervalaan in Amsterdam Oud-Zuid vormt het hart van ArtZuid, de Amsterdam Sculpture Biennale. Het thema van deze openlucht beeldenroute is dit jaar ‘engagement’. En in dit plantsoen, waar de twee assen van de kunstroute samenkomen, lijkt het accent te liggen op de Black Lives Matter-beweging en migratievraagstukken.

Dragers van Verre, Nelson Carrilho, 1989

Er staat een mooie, zwarte Liberty-for-All-statue, er staan drie hippe (soul-)Sisters en vijf in traditioneel Nigeriaanse gewaden gehulde vrouwen (Asoebi). De Antilliaanse beeldhouwer Nelson Carrilho, bekend van het monument Mama Baranka uit het Vondelpark, is vertegenwoordigd met twee beelden; de Dragers van Verre uit 1989, en The Other Face uit 2021, monumenten voor migranten.

De installatie van Anne Wenzel, Damaged Goods, roept de sfeer op van de Black Lives Matter-protesten. Op betonnen sokkels staan vier keramieken bustes van martiale – en waarschijnlijk besnorde – hoogwaardigheidsbekleders uit het verleden. Hun gezichten zijn onherkenbaar vervormd; het lijkt alsof er zuur tegenaan is gegooid waardoor ze zijn gaan druipen.

Anne Wenzel maakte deze beelden in 2013 om de waanzin van de verheerlijking van oorlog uit te beelden. Maar op ArtZuid staan de misvormde bustes op betonnen sokkels die besmeurd zijn met verf, waardoor de associatie met de beeldenstorm van Black Lives Matter zich sterk opdringt.

Damaged Goods, Anne Wenzel, 2013

Van een andere orde, maar niet minder geëngageerd, is het beeld De denker van Lotti van der Gaag. Het beeld uit 1951 is een commentaar op de klassieke Denker van Rodin, die achter dit beeld opduikt in de voortuin van het Hilton Hotel aan de Apollolaan. Zo kan je ze goed vergelijken en zie je de humor en lichtheid die Lotti van der Gaag, nauw verbonden aan de Cobra-beweging, aanbracht in Rodins macho-Denker.

De denker, Lotti van der Gaag, 1951. In de achtergrond rechts: De denker, Rodin, 1881

Van der Gaags Denker is een vrouw, ze draagt Katrien-Duckschoenen met stevige hoge hakken. Het is een luchtige figuur, letterlijk, want er zitten allerlei gaten in haar lijf. Haar hoofd leunt licht op de linkerhand en de vingers steken elegant naar buiten. Ze heeft een glimlach op het gezicht; haar denken is niet zwaar, zoals bij Rodin, maar speels en leuk.

In de lobby van het Hilton Hotel staat nog een beeld van Lotti van der Gaag; Tonglach uit 1953. Het is grappig dat het Hilton Hotel zich engageert met ArtZuid. Het hotel is bekend om de bed-in for peace van John Lennon en Yoko Ono. In 1969 hielden zij een week lang het bed in een kamer van het hotel, terwijl ze de pers te woord stonden over de wereldvrede. En laat het beroemde John Lennon-lied Imagine nou net de titel zijn van ArtZuid 2021.

Vijftig jaar geleden, in 1971, schreef Lennon dit lied, waarin hij droomt van een wereld die één is. ‘You may say I’m a dreamer/ But I am not the only one/ I hope someday you will join us/ And the world will be as one’, citeert de ArtZuid-website het lied, om verder te gaan met: ‘Op ArtZuid zijn de deelnemende kunstenaars onze dreamers, [….] Zij bevragen de huidige staat van de wereld en nemen ons mee naar hun ideaal.’

Of dat zo is kunt u zelf gaan ervaren. Tot 17 oktober kunt u vrij dwalen tussen de ruim zeventig beelden die Imagine ons biedt. Of die ons imagination bieden.

De Nachtwacht ontkoppeld

Het Rijksmuseum is bezig met een groot onderzoek van Rembrandts Nachtwacht. Het museum wil het publiek inzicht geven in deze Operatie Nachtwacht en heeft in de nachtwachtzaal een glazen serre om het schilderij heen gebouwd. Daar binnen hangt de Nachtwacht tegen een zwarte achtergrond. Het schilderij is als het ware ontkoppeld van Cuypers’ nadrukkelijke architectuur met zijn eclectische toeters en bellen en daardoor kon ik er veel beter naar kijken. Ik ontdekte nieuwe, krachtige details.

Het schilderij is uit zijn zware lijst gehaald én het heeft (tijdelijk) weer de originele afmetingen uit 1642, het jaar waarin Rembrandt het opleverde voor de Kloveniersdoelen in Amsterdam. In 1715 werd het op maat gesneden voor de Kreygsraatskamer in het Stadhuis, het latere Paleis op de Dam. Daar, temidden van andere schuttersstukken, moest het als prestige-object dienen om de grootheid en de macht van de stad te illustreren.

Rembrandts origineel paste niet op de daarvoor bestemde wand in het Stadhuis, dus werden er repen afgesneden. Die stukken zijn verloren gegaan, maar gelukkig had Rembrandts tijdgenoot Gerrit Lundens het originele schilderij op kleine schaal nageschilderd. Gebaseerd op dit schilderij zijn nu, met behulp van geavanceerde computertechnieken, de weggesneden stroken weer aan de Nachtwacht toegevoegd.

De Nachtwacht met ontbrekende stroken

Ik wist dat er links en rechts stukken waren afgesneden, maar ik ontdekte dat ook aan de boven- en onderkant een strook was weggesneden. In het origineel komt aan de onderrand, voor de voeten van Frans Banninck Cocq, een brede lichtstroom naar de toeschouwer toe. Schokkend: de coupe-plegers hebben de schaar gezet in Rembrandts meest sprekende beeldtaal: het licht! Het licht van deze groep schutters, die de stad beschermen bij nacht en ontij, rolt voor hen uit in een steeds breder wordende baan. Die expressieve kracht is eeuwen geleden uit het schilderij gesneden.

De handschoen van Banninck Cocq, detail uit De Nachtwacht. Foto: Berend van Dooren

Een ander detail dat me opviel nu het schilderij veel rustiger kan worden bekeken, is de handschoen in de rechterhand van kapitein Banninck Cocq. Hij spoort de groep aan met zijn ‘blote’ linkerhand in het volle licht. In mijn lezing Rembrandts Handen laat ik al zien dat die hand een veelbetekenende schaduw werpt op het wapen van Amsterdam in de rand van de tuniek van luitenant Ruytenburgh. Nu zag ik hoe in de rechterhand van Banninck Cocq, in de schaduw, de linkerhandschoen bungelt, die hij aan één vinger vasthoudt. Deze vorm heeft bijna iets van het gebaar van een eed; Banninck Cocq heeft trouw gezworen aan de stad.

Twee meisjes, detail uit De Nachtwacht. Foto: Berend van Dooren

Die bungelende handschoen is zo prominent, omdat precies erachter het helverlichte kleine meisje staat. En daar ontdekte ik nóg een detail; achter haar staat een tweede meisje in een blauwe jurk. Haar gezicht gaat schuil achter het haar van het voorste meisje, maar je ziet haar oor en een deel van haar jurk. Het blauw van haar jurk lijkt voort te komen uit het zilveren schoudermanteltje van het voorste meisje. Blauw is een kleur die Rembrandt niet vaak gebruikt, maar hier geeft dit blauw, samen met het ‘zilveren’ meisje lucht en ruimte in de oprukkende groep gewapende mannen.

Wat een rijkdom openbaart zich in Rembrandts meest beroemde schilderij nu het – ontkoppeld van de toeters en bellen die het normaliter omgeven – in zijn originele staat hersteld is. Het zou mooi zijn als het zo zou kunnen blijven. Dan zien we waarom het zo’n groots schilderij is.

Loslaten

Een tijd geleden discussieerde ik met een groep mensen over het thema ‘loslaten’. De teneur van het gesprek was dat onaangename ervaringen of gevoelens kunnen worden los gelaten d.w.z. met een wilsbeslissing kun je je distantiëren van dat wat je pijn doet. Op mij kwam dat over als een overschatting van de eigen wil; je kunt pas iets loslaten als het jou heeft losgelaten, was mijn stelling. De redenen waarom iets ‘mij nog niet loslaat’ zijn vaak duister, ingewikkeld en smartelijk.

Hermanos, 2010

Het smartelijke van (moeten, maar niet kunnen) loslaten zie ik terug in het werk van Igor Mitoraj op de expositie Façade in museum Beelden aan Zee. Zijn sculpturen zijn van oogstrelende klassieke schoonheid, maar er is iets mee aan de hand. De schoonheid is gefragmenteerd, onvolledig en vaak letterlijk gebarsten of doorboord. Het enorme bronzen hoofd Teseo Screpolato met het prachtige Griekse profiel vertoont diepe kloven en barsten en ook de gezichten van de twee Hermanos zitten vol gruis en oneffenheden.

Het gaat hier om schoonheid die voorbij is. Schoonheid in verval. Dat is voor mij de essentie van de kunst van Igor Mirotaj. Schoonheid is vergankelijk. En, ondanks het parfum en de klassieke muziek op de expositie, het besef dringt zich op dat je schoonheid niet kunt vasthouden en haar moet laten gaan.

Opvallend zijn de sculpturen van handen – ik schreef er in mijn vorige blog al over – die een figuur of een voet bij de enkel vastgrijpen, alsof ze willen verhinderen dat de ander weggaat. En ook in de hand die eros probeert vast te houden zie ik een strijd met het vergankelijke of vluchtige van schoonheid en liefde. Ik kan navoelen hoe pijnlijk die strijd is.

Piede con Mano, 2001

Zo kan ik ook de hoofden begrijpen die, in doeken gewikkeld, op hun kant op een sokkel liggen. De hoofden hebben de titel Éclipse, Zonsverduistering. De doeken zijn helemaal om het hoofd gewikkeld, van onder de hals tot boven de kruin. Er spreekt een verlangen uit om iets heel moois, iets dierbaars, te bewaren. Afstand doen van dit lieve hoofd is te pijnlijk.

Eclisse Grande III, 2010

De beelden van Mitoraj zou je kunnen zien als een memento mori, een herinnering aan de vergankelijkheid. Mitoraj laat echter ook zien, met de handen die willen vasthouden en de in doeken gewikkelde hoofden, hoe moeilijk het is om los te laten.

Door Mitorajs beelden van handen en voeten moest ik denken aan mijn lezing over Niki de Saint Phalle. Daarin stond ik stil bij de wandsculptuur die zij maakte na het overlijden van haar geliefde, Jean Tinguely. Twee reliëfs uit die sculptuur waren op de expositie in museum Beelden aan Zee op een prachtige manier naast elkaar opgesteld: Your Foot en My Hand. Haar hand en – lós – zijn voet. Ze laat hem los en toch waren ze in deze opstelling intens met elkaar verbonden.

Your Foot en My Hand, twee reliëfs uit de wandsculptuur Remembering, Niki de Saint Phalle, 1997

Kunst laat ons zien dat loslaten niet een kwestie is van een ferm besluit nemen en een knop omzetten, maar een pijnlijk, smartelijk proces. Dat is wat ons menselijk maakt.

Afbeelding boven dit blog: Teseo Screpolato (2011)

Italiaanse zomer aan zee

Na de lockdown heeft museum Beelden aan Zee zijn deuren weer geopend voor een Estate Italiano, een Italiaanse zomer. De hoofdmoot van deze Italiaanse zomer is de expositie Façade met beelden van de Pools/Italiaanse beeldhouwer Igor Mitoraj (1944-2014). De marmeren beelden en levensgrote bronzen hoofden – waarvan de bekendste het masker Light of the Moon is, dat sinds jaar en dag op het duin bij het museum ligt – roepen de sfeer op van zomerse vakantiedagen in Italië.

Musei Capitolini, Rome (l.) en expositie ‘Façade’, Museum Beelden aan Zee (r.)
Stadio dei Marmi, Rome
Iniziazione, Igor Mitoraj, 1987

En inderdaad waande ik mij in Rome toen ik op een warme dag de expositie bezocht. De gefragmenteerde lichaamsdelen van Mitoraj deden mij denken aan de fragmenten van het reusachtige beeld van Constantijn de Grote op de binnenplaats van de Capitolijnse musea en zijn geïdealiseerde marmeren figuren riepen associaties op met de martiale beelden uit het Stadio dei Marmi, het in de twintiger jaren gebouwde Olympische sportcomplex.

Veel van de bronzen beelden van Mitoraj zijn open van achteren. Vaak ontbreken de hoofden en armen van de klassieke tors of is juist de romp weg en is alleen (een deel van) een gezicht te zien. De beelden zijn als het ware kostuums en maskers waarmee je je kunt vermommen of kleden. Het kwam op mij dan ook logisch over dat de vormgeving van de expositie is gedaan door couturier Mart Visser.

Façade is een streling voor oog, oor en neus. De bronzen en marmeren beelden van Igor Mitoraj zijn van een klassieke schoonheid. In de zaal klinkt cryptoklassieke muziek en eens in de zoveel tijd gaat een medewerker rond met een parfumverstuiver, waarna er een speciale geur door de zaal zweeft. Met deze styling wil Mart Visser de expositie aanbieden als een totaalervaring.

Ithaka, 1991

Toch zijn er in al deze gestileerde schoonheid, goddank wat mij betreft, af en toe haakjes waar je oog aan blijft hangen en die uitnodigen tot vragen stellen. Zo zitten in de fraai gewelfde vormen van het bronzen beeld Ithaka overal roestige spijkers. De mooie, golvende vrouwelijke figuur, die een vierkante bak vasthoudt met een hoofd erin, lijdt pijn. Is het Penelope, die wacht op de terugkeer van Odysseus?

Een ander mooi dramatisch element zag ik in het marmeren beeld Eros Alato con Mano. Een grote, omzwachtelde hand legt zich om de buik van een gevleugelde vrouwentors. In dat gebaar zit tederheid maar misschien ook wel het verlangen om eros vast te houden. In een gipsen versie van het beeld, Gips Eros II, is hetzelfde te zien, maar net iets anders. Hier is de tors niet gevleugeld en legt de hand zich op de heup, alsof hij de figuur ondersteunt of stabiliseert.

Eros Alato con Mano, 2012 (l) en Gips Eros II (r)

Ook verrassend is het beeld Piede con Mano met de hand die zich om de enkel sluit. De hand en de voet zouden van een en dezelfde persoon kunnen zijn, die zich dan ongelukkig moet bukken, maar het kan ook een hand zijn die verhindert dat iemand anders zich uit de voeten maakt. In het bronzen beeld Ikaria op de binnenplaats zien we opnieuw een stevige hand die zich om de enkel van de ‘Ikarische’ sluit. Wil hij voorkomen dat ze wegvliegt? Of wil hij mee omhoog?

Piede con Mano, 2001 (l) en detail van Ikaria, 1996 (r)

In dit soort details zit een spanning die vragen oproept. Voor mij is dat de reden om goed naar de beelden te kijken. De ‘zomercollectie’ van museum Beelden aan Zee zit vol kleine ongerijmdheden en dat maakt deze expositie de moeite waard.

Afbeelding boven dit artikel: Gips nr. 39 Staande hand

NB. Op 5 juli vindt opnieuw een opname plaats van mijn lezing MEE NAAR HUIS. Kort daarna zal deze registratie online te zien zijn. Ik houd u op de hoogte.