Rembrandts jonge handen

De flauwgevallen jongeman, Rembrandt van Rijn, 1624

Ophef op de TEFAF! Tijdens de meest recente editie van deze kunst- en antiekbeurs in maart 2016 dook een verloren gewaande Rembrandt op. Het gaat om een jeugdwerk dat Rembrandt schilderde toen hij 18 jaar oud was. Het kleine paneeltje is duidelijk het werk van een beginner; Rembrandt wil heel veel zeggen in dit kleine beeld. Het is erg vol en de mededeling is nogal nadrukkelijk.
We zien een oudere man en vrouw met hun gezicht in halfschaduw. Ze kijken naar een jongeman die in het volle licht achterover in een stoel ligt, de ogen dicht, het hoofd opzij gezakt. Hij is buiten bewustzijn. De oude man is een chirurgijn die net een aderlating op de jongen zou hebben toegepast. Er is geen bloed te zien, maar de rechter onderarm van de jongen is ontbloot.

Het is de jongen te veel geworden; hij is flauwgevallen. De vrouw houdt een doek (met ammoniak?) onder zijn scherp afgetekende neus om hem weer bij te brengen. Het schilderij is een van een reeks van vijf over de zintuigen. Rembrandt beeldt hier de reuk af. Niet met zoete of smakelijke geuren, maar met het paardenmiddel van een stoot ammoniak die iemand weer bij kennis moet brengen. Zoals gewichtheffers nog even een snuif ammoniak nemen voor ze het podium betreden om beter bij hun positieven te zijn.

De taal van de handen, hét kenmerk van Rembrandts schilderijen, is in dit vroege werk al heel duidelijk. Veel elementen die we later terugzien, zitten al in dit werkje. De chirurgijn ondersteunt de kwetsbare, witte arm van de jongeman met een doek. Dat komt terug bij Simeon, de oude priester die het Christuskind in zijn armen neemt en op een doek draagt als een kostbaar wezen.

De vrouw houdt in haar hand een doek als een prop, kleine knoopjes bungelen er onderaan.  In de portretten die Rembrandt schilderde van oudere vrouwen in een huiselijke omgeving  (bijvoorbeeld Catrina Hooghsaet met haar papegaai) houden zij vaak een doek in hun hand, waar dezelfde knoopjes aan bungelen. Een symbool dat zij de linnenkast beheren?

Maar het meest sprekend zijn natuurlijk de handen van de flauwgevallen jongeman. Of eigenlijk spreken ze juist níet, omdat hij niet bij kennis is. Bijna als in de portretten die Rembrandts tijdgenoot Van Dijk van hooggeplaatste lieden maakte, hangen de handen als nutteloze verlengstukken van de afgebeelde persoon aan zijn lijf. Slapjes verdwijnen ze uit beeld. Het hangende van de handen wordt benadrukt doordat de onderarmen horizontaal liggen.

Die afhangende handen zien we terug op de twee aangrijpende tekeningen die Rembrandt maakte van de geëxecuteerde Elsje Christiaens. Dit Deense dienstmeisje werd in 1664 veroordeeld tot de dood aan de wurgpaal wegens moord op haar Amsterdamse hospita. De executie trok massale belangstelling. Na de voltrekking van de executie bleef het lichaam nog een aantal dagen hangen. Rembrandt tekende Elsje Christiaens, sereen en kwetsbaar, dood aan de wurgpaal.

Opvallend in de tekeningen is dat de onderarmen van het dode meisje naar voren steken, waardoor de handen slap afhangen. Net zo slap als de handen van de flauwgevallen jongen. Allebei hebben ze een jong, scherp getekend gezicht waarop geen strijd valt te bespeuren.

Veertig jaar zit er tussen deze flauwgevallen jongeman en Elsje, maar de “kracht” van hun krachteloze handen, de overgave en de rust die er uit spreken, is in allebei de afbeeldingen sterk voelbaar. Rembrandt spreekt ons aan door de taal van de handen.

 

Afbeeldingen van boven naar beneden:
– De flauwgevallen jongeman, 1624
– Elsje Christiaens, 1664
Op 15 mei geef ik weer een lezing ‘Rembrandts Handen, de taal van de handen in Rembrandts werk’. Zie Agenda.

 

Monet ontketend

Belle-îsle-en-mer, het mooie eiland in de zee voor de kust van Bretagne, heeft weinig van de lieflijkheid die de naam suggereert. Op een uur varen vanaf het vasteland rijst dit langwerpige eiland op uit de Atlantische Oceaan. Aan de kant van vasteland heeft het nog wel iets van een vakantiefoto met beschutte zandstranden tussen rotsen, begroeid met weelderig bloeiende gaspeldoorn, geruststellende dennen en wuivend Engels gras. Je ontdekt zelfs hier en daar een palmboom.

Maar het eiland dankt zijn faam vooral aan de ruige Côte Sauvage aan de oceaanzijde. Hier sta je in een landschap dat zich teweer stelt tegen het beukende geweld van de oceaangolven. Kaal steken de gekartelde rotsen af tegen de woeste zee, kleine veldjes laag gras trotseren de snijdende zoute wind die over de vlakte waait. De kleuren grijs en bruin overheersen en contrasteren met de blauwen en witten van de oceaan. Blauwen in oneindig veel variaties, van loodgrijs en violet tot zeegroen, turquoise en hemelsblauw.

Op dit eiland strijkt in 1886 Claude Monet neer, op zoek naar nieuwe landschappen. De ruigheid van  de Côte Sauvage overrompelt hem en dwingt hem zijn stijl aan te passen. Geen lieflijke verstilde landschappen met klaprozen of dromerige vijvers, maar grillig gevormde, hoog-oprijzende rotsen waar de golven tegen uiteenspatten. Zelf zegt hij daarover: ‘De zee heeft een ongelooflijke schoonheid en is bezaaid met fantastische rotsen… Ik ben enthousiast over deze verschrikkelijke omgeving, omdat die mij ertoe dwingt mijn gewoonte te verlaten.’

Hoewel hij oorspronkelijk van plan was om slechts twee weken op het eiland door te brengen, verblijft hij er uiteindelijk tien weken. Hij huurt een kamer in het piepkleine dorpje Kervilahouen en laat zich door de lokale gepensioneerde loods Hyppolyte Colin, bijgenaamd Poly, op sleeptouw nemen naar woeste rotsen waar alleen kustvogels zich wagen of naar piepkleine strandjes tussen de steile kliffen.

En hij schildert! In tien weken vervaardigt hij 39 doeken met een woestheid en grilligheid die hem door het landschap en het klimaat van de Côte Sauvage worden ingegeven. Vaak ligt in de schilderijen de horizon hoog, zodat het hele beeldvlak wordt gevuld door vibrerende donkere rotspartijen en onstuimig woelende watermassa’s. Het telkens wisselende licht brengt hem ertoe om een thema meerdere keren te schilderen. Zo ontstaat Monets manier van in series te schilderen.

De vibraties in de verf lijken bijna een afspiegeling van de grillige lijnen en patronen in het gesteente van het eiland. Waar elders in Bretagne de kust met onwrikbaar graniet het hoofd biedt aan de Atlantische Oceaan, bestaan de belliloise rotsen uit een brossere en grilliger steensoort: schist. In het grijs en donkerbruin van het gesteente tekenen zich allerlei wilde kronkelingen en pulserende lijnen af

Landschap en klimaat op dit eiland-met-de-naam-als-een-lief-belletje zijn van een overrompelende en dwingende kracht. Ze hebben ons een ontketende Monet opgeleverd.

Haydn in zeven bewegingen

Nu Goede Vrijdag voorbij is, kan ik terugkijken op het concert-met-lezing in het Dordrechts Museum ‘Muziek ontmoet Beeld’. Terugkijken met voldoening; het avontuur dat ik ben aangegaan met dirigent en artistiek leider Anneke Huitink van Ensemble Archipel heeft een mooie apotheose gekregen.

Het samenvoegen van beeld en muziek werkte; ze reflecteerden op elkaar. De toelichting die ik gaf vormde een goede verbinding tussen de twee kunstvormen. Ik kreeg positieve reacties op ‘het verhaal’, maar het mooie is dat dat verhaal er al was. We –  Anneke en ik –  moesten alleen de goede middelen vinden om het te vertellen.

Het verhaal wordt verteld door de bewegingen in de muziek van Haydns ‘Die sieben letzten Worte’. Per kruiswoord maakt de muziek een andere beweging, een ander gebaar, en dat gebaar is ook terug te vinden in de schilderijen die ik bij de muziek toonde.

Het blijkt dat daar een heel mooie balans in zit. In de muziek van het eerste kruiswoord –  ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen’ – zit een gebaar van reiken naar de hemel; een krachtig verticaal gebaar, duidelijk afgetekend. Dat verticale gebaar is te vinden in het laatromantische schilderij ‘Landschap bij Mount Desert in maanlicht’ van Alexander Wüst. Rusteloze contouren van bomen strekken of slingeren zich omhoog.

Daartegenover staat het horizontale, omvattende, liefdevolle gebaar in de muziek van het tweede kruiswoord: ‘Voorwaar, ik zeg U: Heden zult gij met mij in het paradijs zijn.’ In het schilderij ‘Het Drielse Veer’ van Paul Gabriël vind je die brede horizontale bewegingen in de wolken, de bootjes, de einder. Alles is laag en breed, alles is in rust.

 

In de muziek van het derde kruiswoord – ‘Vrouw, zie, uw zoon. Zie, uw moeder’ – is een gebaar van verbinding te herkennen. Verbinding met mensen om je heen. De tekening van Bouke Ylstra  ‘zitten-staan-lopen-liggen’ maakt dat gebaar in beeld. In het vierde deel, bij het kruiswoord ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’, is juist helemaal geen sprake van verbinding. De muzikale delen zijn in zichzelf gekeerd, geïsoleerd ten opzichte van elkaar. In Piet Ouborgs schilderij ‘Uitdrijvende’ zie je die geïsoleerde, naar binnen gerichte vormen. Er is geen verbinding.

 

Het vijfde kruiswoord – ‘Jezus roept: Ach, mij dorst!’- krijgt van Haydn een andere behandeling dan de andere zes. Hier zit de tegenstelling al in de muziek van dit ene deel, zou je kunnen zeggen. Zachte, lange melodische lijnen van compassie worden onderbroken door heftig bewogen, korte maten van ontzetting. Je wordt in de muziek als het ware heen en weer geslingerd tussen die twee. Dat is ook te zien in het schilderij ‘Zonder titel’ van JCJ Vanderheyden. Een conflict tussen zacht vloeiend en heftig bewogen.

Dan is er in het zesde kruiswoord – ‘Het is volbracht’- de onontkoombare dood. Monumentaal is hij daar in de eerste vier maten. Maar de muziek gaat verder; de dood is niet het einde. De monumentaliteit én de zachtheid van de vruchten in Pyke Kochs ‘Stilleven met appels en peren’ sluit goed aan bij deze muzikale beweging.

Het zevende en laatste kruiswoord – ‘Vader, in uw handen beveel ik mijn geest’ – is weer aan de Vader gericht. Maar hier, anders dan in het eerste kruiswoord, is het niet een smeekbede om vergeving (van boven naar beneden) maar een gebaar van loslaten, overgeven, laten gaan. De muziek beweegt naar de verte en lost uiteindelijk op. Het prachtige schilderij ‘Caryatide’ van Jan Andriesse heeft dit gebaar van loslaten en overgave in zich. Hier is geen fysiek houvast meer, hier laat je je geest zweven.

 

Dit verhaal in zeven bewegingen vertelden we in de ontmoeting tussen Beeld en Muziek.

 

Afbeeldingen van boven naar beneden:
– collage
– Landschap bij Mount Desert in maanlicht, Alexander Wüst
– Het Drielse Veer, Paul Gabriël
– zitten-staan-lopen-liggen, Bouke Ylstra
– Uitdrijvende, Piet Ouborg
– Zonder titel, JCJ Vanderheyden
– Stilleven met appels en peren, Pyke Koch
– Caryatide, Jan Andriesse
Alle werken in de collectie van het Dordrechts Museum.

zitten-staan-lopen-liggen

Vandaag opent in het Dordrechts Museum de expositie ‘Bouke Ylstra. Het werk.’ Deze Dordtse kunstenaar was graficus, tekenaar en schilder. Maar hij maakte ook naam met sculpturale wandwerken, onder andere in de Doelen in Rotterdam.

Op de website van het Dordrechts Museum wordt hij omschreven als ‘een verhalenverteller in woord en beeld. Een levenskunstenaar die vormgaf aan het intrigerende van het dagelijks leven.’ Hij was bevriend met een andere grote Dordtenaar; de dichter Cees Buddingh’; schepper van die prachtige Blauwbilgorgel. Dat gedicht begint als een onschuldig kinderliedje over een fantasiedier, maar eindigt met een aangrijpende uitroep als het gaat over de dood:

[mk_blockquote style=”line-style” font_family=”none”]

Ik ben de blauwbilgorgel,
Eens sterf ik aan de schorgel,
En schrompel als een kriks ineen
En word een blauwe kiezelsteen.
Ga heen! Ga heen! Ga heen!

[/mk_blockquote]

Die lichtvoetigheid met een ernstige ondertoon zit ook in het werk van Bouke Ylstra. Je ziet bij hem bijna altijd mensen die basale menselijke handelingen verrichten.  Ze lopen, zitten, dansen, vallen. Ze eten een appel of aaien een poes. En ook al is de handeling lichtelijk bizar, dan is de omschrijving ervan toch weer geruststellend alledaags: ‘Man huilt uit in glaasje op schouder van een vrouw’ of, bij vier figuren die een huis dragen: ‘Huizen hebben Vaders’. Het is grappig én aandoenlijk.

Het museum heeft één pentekening van Ylstra in zijn bezit waarin de figuren niet zijn gestileerd. Waarschijnlijk is deze pentekening gemaakt als voorstudie. We zien vier figuren, twee mannen en twee vrouwen. Ze zijn naakt en ze doen wat de titel zegt; zitten, staan, lopen, liggen. Door de richting van hun ledematen, vooral de armen en handen, en door hun blikrichting, staan ze in een sterke onderlinge relatie.

Deze tekening heb ik gekozen om te tonen tijdens mijn lezing ‘Muziek ontmoet Beeld ’ op Goede Vrijdag in het museum. Door het beschouwende karakter van de tekening en door het onderwerp past hij heel goed bij het derde kruiswoord in Haydns ‘Sieben letzten Worte’: ‘Vrouw, zie, uw zoon. Zie, uw moeder.’ In de muziek zit hier een gebaar van verbinding. Je hoort hoe op een zorgvuldige en simpele manier verbindingen worden aangegaan. Solostemmen, hoog en laag, verbinden zich met elkaar en met het koor tot een weefsel.

Er ontstaat een familie, zou je kunnen zeggen. Niet gebaseerd op bloedverwantschap, maar op verwantschap in de simpelheid van de alledaagse menselijke handelingen die we allemaal doen. Degene die naast je zit, staat, loopt of ligt, is je verwant. Wees een moeder voor hem. Wees een zoon voor haar. Die verwantschap helpt ons ‘wenn wir mit dem Tode ringen’, zoals een tekstregel uit dit derde deel luidt. De mens op zijn kwetsbaarst staat de ander bij als een verwant.

 

Afbeelding: zitten-staan-lopen-liggen, pentekening van Bouke Ylstra, collectie Dordrechts Museum

Verlaten

Over twee weken is mijn – eenmalige – lezing ‘Muziek ontmoet Beeld’ in het Dordrechts Museum. Bij Haydns passiemuziek ‘Die sieben letzten Worte’, uitgevoerd door Ensemble Archipel, zal ik acht beelden tonen van kunstwerken uit de collectie van het museum. Acht; één bij elk kruiswoord en één bij de introductie.

De reeks beelden die zo ontstaat gaat in een grote lijn van figuratieve oude kunst naar abstracte moderne meesters. We beginnen met een duidelijk herkenbare ‘Kruisiging’ uit 1554 en eindigen met een ongrijpbaar, bijna monochroom werk van Jan Andriesse uit 1994. Een mooie lijn, vind ik, die laat zien hoe beelden van zo’n vier-en-een-halve eeuw geleden en muziek van twee-en-een-halve eeuw geleden nog heel dichtbij kunnen komen.

Via schilderijen uit de late romantiek en de Haagse School komen we halverwege het concert uit bij het eerste abstracte werk. Dan klinkt het vierde kruiswoord: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?”, de meest wanhopige uitroep van alle zeven kruiswoorden. Volgens het Evangelie van Mattheüs, waar dit in hoofdstuk 27 staat opgetekend, klonken deze woorden na drie uur duisternis en riep Jezus ze “met een grote stem”.

Zoals in alle zeven delen van de compositie, laat Haydn ook hier weer de musici op een contemplatieve manier reageren op het kruiswoord. Maar waar in de andere zes delen altijd wel een doorgaande lijn in de muziek zit, stokt hier elke keer opnieuw de beweging. In bijna iedere tweede maat valt een stilte, de muziek klinkt met horten en stoten. Gebroken. Niet vloeiend.

Of je nu gelooft in een My God! of niet, godverlatenheid is een gevoel dat je je goed kunt voorstellen. Een gevoel van op jezelf teruggeworpen te zijn, alleen. Een gevoel dat zich uitdrukt in het gebaar van terugtrekken in de kern, afschermen.

Dat gebaar van afscherming, van terugtrekken in de kern is ook te vinden in het abstract expressionistische schilderij ‘Uitdrijvende’ van Piet Ouborg. Wat we zien is een veld vol ronde en ovale vormen, vaak afgesloten naar de buitenwereld met dikke lijnen, maar ook verschrompeld, aangeslagen. Binnen in de vormen lopen grillige lijnen als spaken naar het centrum. Tussen de figuren lijkt de ‘ondergrond’ gebarsten te zijn, wat nog meer een gevoel van isolatie en droogte geeft.

Het schilderij houdt niet op bij de rand van het doek; de kosmos van ‘godverlatenheid’ breidt zich verder uit. Toch hebben alle figuren een samenhang door hun kleuren; ze horen bij elkaar. Ze kunnen elkaar alleen niet bereiken door hun centripetale vorm. Ze liggen als geïsoleerde cellen, als verschrompelde bessen, als geblutste nullen naast elkaar, ieder voor zich. Een aangrijpend beeld bij dit aangrijpende kruiswoord.

Meer informatie over ‘Muziek ontmoet Beeld’ in de Agenda.

 

Afbeelding: Piet Ouborg, Uitdrijvende, 1952, collectie Dordrechts Museum       

JUBILEUMBLOG

Officieel verschijnt mijn blog op de 10e, de 20ste en de 30ste van elke maand. Maar vandaag, 1 maart 2016, wil ik een uitzondering maken. Het is namelijk drie jaar geleden dat ik met dit blog begon. Oorspronkelijk noemde ik het ‘GUT taalgevoel’, omdat ik er het gut feeling mee wilde beschrijven dat sommige woorden of zegswijzen bij mij opriepen.

In het blog ‘Duits’ bijvoorbeeld, geplaatst op 21 april 2013, beschrijf ik hoe ik de taal van de Duidelijkheid en de Zorgvuldigheid ervaar, die ook de taal is van Sturm und Drang. In ‘Centripetale taal’ (11 december 2013) ga ik in op het gevoel dat het Vlaams bij me oproept.

Behalve dat je in bovenstaande blogs mijn vakantiebestemmingen uit 2013 kunt vinden, geeft de onderwerpkeuze ook aan dat ik aanvankelijk dicht bij mijn GUT taalgevoel bleef in mijn blogs.

Ook over de (on)mogelijkheid om met taal uit te drukken wat je bedoelt blogde ik. ‘Zegge en schrijve’ (1 oktober 2013) gaat over de dwingelandij van bestaande begrippen met als voorbeeld dat dappere Franse jongetje uit de film ‘Être et avoir’ die zeker weet dat Papa een copain is en geen ami.

Later ging ik ook schrijven over de andere twee onderwerpen die me na aan het hart liggen: cultuur en natuur. Bijvoorbeeld ‘Waterwachters’ (21 mei 2014), over de prachtige sculpturen van Ruud Kuijer langs het Amsterdam-Rijnkanaal die de structuur van verstedelijking markeren. Of ‘Variaties’ (1 maart 2015) over het verlangen de tijd stil te zetten zoals Anna Enquist het beschrijft in haar aangrijpende roman ‘Contrapunt’.

Ook over de natuur schreef ik, bijvoorbeeld in ‘Van de raven gepikt’ (31 oktober 2014). Maar altijd is de taal mijn ingang in het onderwerp. In het woord ‘specht’ zie ik die vinnige, scherpgesnavelde vogel, maar ook in het Franse woord ‘pic’. En fauvette (zwartkop) is de perfecte Franse naam voor dat vogeltje dat met zijn vrolijke zang past in het rijtje musette, Odette, trottinette (blog ‘Lezwazoo’, 10 augustus 2015).

Taal is mijn medium. Taal is mijn tool. Daarom publiceer ik sinds 1 april 2015 mijn blogs op mijn website Man van Taal. Ik schrijf tot de verbeelding.

En ik spreek tot de verbeelding. De verbeelding van de muziek van Haydn bijvoorbeeld, op Goede Vrijdag in het Dordrechts Museum. Dit bijzondere samenwerkingsproject met Stichting Archipel beschreef ik in mijn vorige blog ‘Hoe klinkt een schilderij?’ (20 februari 2016). Ik nodig u van harte uit om deze ‘ontmoeting tussen beeld en muziek’ bij te wonen. Reserveren via de concertagenda van Stichting Archipel.

Hoe klinkt een schilderij?

Goede Vrijdag wordt dit jaar voor mij bijzonder goed. Op die dag krijgt het project zijn bekroning dat ik heb ontwikkeld samen met initiatiefnemer Anneke Huitink van Stichting Archipel. Zij is de dirigente van het 24-koppige koor en strijkkwartet dat het passie-oratorium ‘Die sieben letzten Worte unseres Erlösers am Kreuze’ van Joseph Haydn uitvoert.

We geven dit concert in het Dordrechts Museum en bij elk van de zeven muzikale delen – de zeven kruiswoorden – toon ik een schilderij uit de collectie van het museum. Een schilderij waarin dezelfde gemoedsbewegingen te bespeuren zijn als die in de muziek klinken. Muziek ontmoet beeld en ik ben de moderator, ik geef de toelichtingen.

Haydn heeft ‘Die sieben letzten Worte’ in eerste instantie alleen voor orkest geschreven. Een priester sprak het kruiswoord waarna de muziek klonk. De zeven delen van het oratorium zijn als het ware gevoelsmatige overwegingen bij het kruiswoord. Later heeft Haydn de vocale partijen toegevoegd. Het koor geeft in beschouwende teksten commentaar op het kruiswoord van Jezus.

Het stuk begint bijna als een opera met een woelige, instrumentale ouverture waarin de emoties rond de kruisiging in kort bestek worden geschetst. In die introductie ‘hoor’ ik het schilderij de ‘Kruisiging van Christus’ uit 1554 van de Dordtse schilder Jacob Gerritsz. Bornwater. Op een voor die tijd ouderwetse, maar heel expressieve manier toont de schilder ons de drie kruisen die tegen een dramatische, Willinck-achtige lucht afgetekend staan.

Aan de voet van het kruis zien we taferelen die voorafgingen aan dit moment; de Judaskus, de Heilige Veronica, het vastspijkeren van Jezus met de twee moordenaars terzijde op een rots, wachtend op hun beurt. Verder is het een gekrioel van mensen, die verschillende emoties uitdrukken: wanhoop, stille ontzetting, betweterige wraakzucht, verwondering.

Na de ouverture volgen de zeven kruiswoorden en ‘strekt de muziek zich uit’. Er zit vaak een gebaar van reiken in de muziek, reiken naar de verlossing van de hemel, de hand reiken aan de vijanden, reiken naar je naasten. Er zit liefde in, mededogen, maar ook een aanmaning om alert te blijven, rechtop. Er is ontreddering, er is acceptatie, er is vertrouwen en het gevoel van loslaten.

De gemoedsbewegingen in de muziek worden op een verrassende manier gereflecteerd in sommige werken uit de collectie van het Dordrechts Museum. Vooral in de abstracte schilderijen zijn veel raakvlakken te vinden. In de abstractie word je niet gehinderd door de voorstelling, maar kun je de grote gevoelens uit de muziek herkennen in de compositie, de kleuren, de lijnen en de textuur van de verf.

Er is echter één kruiswoord dat heel nauw samengaat met een extreem realistisch schilderij. Dat is het zesde en kortste woord “Es ist vollbracht”. Daar sluit het surrealistische ‘Stilleven met appels en peren’ van Pyke Koch goed op aan. Nergens is de fysieke dood zo sterk aanwezig als hier; de massieve appels en peren zijn rijp, overrijp. Ze zijn mooi, maar geschonden. We zien laag licht, een dode tak op de voorgrond en heftig wuivende, gele bomen op de achtergrond. Turbulente witte wolken tegen een loodgrijze lucht.
De muziek van dit zesde kruiswoord ‘constateert’ in massieve akkoorden het einde van het leven. Maar in zachtere delen wordt ook perspectief geboden op iets dat deze realiteit overstijgt; misschien wel verlossing. Het harde realisme en het transcendente van het schilderij klinken door in de muziek.

Zo ontmoet muziek beeld. De rijkdom en gelaagdheid van de muziek wordt gespiegeld in de schilderijen. Of andersom. Op Goede Vrijdag 25 maart in het Dordrechts Museum.

 

Afbeeldingen van boven naar beneden:
– Pyke Koch, Stilleven met appels en peren, 1944 – 1946
– Jacob Gerritsz. Bornwater, Kruisiging van Christus, 1554

In de porseleinkast

De nieuwe reeks colleges ‘Revoluties in de Kunstgeschiedenis’, die deze week van start ging, opende met een college gewijd aan ‘Glas en Porselein’. Beide materialen hebben misschien geen revoluties teweeg gebracht in de kunsten, maar ze zijn wel veelvuldig gebruikt als grondstof voor (toegepaste) kunstvoorwerpen.

In musea bezoek ik nooit porseleincollecties. Hooguit loop ik er als sluitstuk van mijn bezoek nog even doorheen en vergaap me aan het geschitter zonder me er echt in te verdiepen. Al dat glanzende serviesgoed bij elkaar is een mer à boire voor mij. Maar in dit college werden stap voor stap individuele stukken getoond en zo ging er een fascinerende porseleinen wereld voor me open.

Wat spreekt er uit porselein? Het is een materiaal dat tegenstellingen in zich verenigt. Het is breekbaar en ongenaakbaar tegelijk. Het is een beleggingsobject, een luxeartikel, maar het staat ook bij tante Mien uit de Eerste Anjeliersdwarsstraat op het dressoir. Het is elegant en het is mierzoet. Het is kunst en kitsch. Het is teer en keihard, kwetsbaar en eeuwig. Het is gestold leven, het is de dood.

De basisgrondstoffen van porselein zijn een kleisoort met de vloeiend klinkende naam kaolien en het ‘hoekige’ mineraal veldspaat. Om de extreem hoge baktemperatuur te bereiken werden in China rond het jaar 1000 speciale ovens ontwikkeld die in serie achter elkaar geschakeld tegen een heuvel opliepen. In elk volgende compartiment was de temperatuur hoger. Zo’n gloeiend, vuurspuwend monster dat tegen de heuvel opslingerde werd uiteraard een Drakenoven genoemd.

Porselein omarmt zijn eigen misbaksels en verleent ze zelfs de status van exclusiviteit.  Het celadon porselein, met die prachtige, onnavolgbaar groengrijze schimmelkleur, is ontstaan uit een ongelukje. Asresten van het vuur kwamen in het glazuur terecht en de ijzeroxiden uit de as zorgden voor de wonderlijke kleur. Ook het craquelé van het kostbare Ru-porselein is eigenlijk een productiefoutje: het glazuur stolt sneller dan de klei waardoor het onder druk komt te staan en barst.

Maar de porseleinrage die in de het zeventiende eeuw in Europa woedde, ging over het gladde, witte porselein, het witte goud. Het maakprocedé van dit porselein was gehuld in geheimzinnigheid. De porseleingekke Dresdner keurvorst August der Stärke zette zijn hofalchemist aan het werk om deze geheime formule, het arcanum,  te ontrafelen. Samen met de hofnatuurkundige slaagde hij er in 1704 in om, met behulp van een kaolien-achtige kleisoort uit de buurt van Meissen, de code te kraken. De eerste porseleinfabriek in Europa was een feit. Naast het kopiëren van originele Chinese ontwerpen ontwikkelde deze fabriek ook een menagerie met allerhande dierfiguren.

Het mooiste dier uit deze collectie is voor mij de zogenaamde Rinoceros van Dürer. Een 3D-print avant la lettre zou je kunnen zeggen, van een dier dat de Renaissance-kunstenaar Albrecht Dürer in 1515 in een houtsnede had vastgelegd. Hij had zijn kennis van horen zeggen, hij had nog nooit een neushoorn in het echt gezien. Vandaar dat Dürers rino bestaat uit allemaal gepantserde onderdelen, een geschubde huid en een gedraaide ‘eenhoorn’-hoorn in zijn nek.

De neushoorn waar Dürer zich op baseerde was een geschenk van koning Manuel I van Portugal aan Paus Leo X. De Portugese koning zelf had het dier gekregen van Alfonso de Albuquerque, onderkoning van Portugees Indië. Voordat Manuel I het dier naar Rome liet verschepen, organiseerde hij nog een toernooi waarbij de neushoorn het moest opnemen tegen een olifant. De olifant – een jong dier en waarschijnlijk totaal in shock door het lawaai van het toernooi  – vluchtte van het toernooiveld. Daarmee ‘was aangetoond’ dat de neushoorn de aartsvijand is van de olifant. Nog erger voor je porseleinkast, zou ik denken.

De onfortuinlijke neushoorn van Manuel I heeft overigens Rome niet gehaald. Hij verdronk in een storm tijdens de zeereis en zijn kadaver spoelde aan op de Franse kust vlakbij Nice. Zijn huid werd teruggebracht naar Lissabon. Daar werd hij opgezet en alsnog naar Rome gestuurd. Hier was de belangstelling voor de dode rino niet zo groot en mogelijk heeft  de broer van paus Leo X, Lorenzo de Medici, het beest meegenomen naar zijn rariteitenkabinet in Florence.

Maar ik zou graag dit schatje uit Meissen op mijn dressoir willen hebben. Een porseleinen Dürerneushoorn;  twee uitersten verenigd in een prachtig verhaal uit de kunstgeschiedenis.

 

Afbeeldingen van boven naar beneden:
– Dürers porseleinen rinoceros
– Drakenoven bij  Jingdezhen (China)
– Ru bakje, Princessehof, Leeuwarden

Witregel

Januari 2016. Narcissen bloeien in de berm, in de tuin zingen merels en aan de elzen en de hazelaars wiegen de katjes. Naadloos gaat de zachte herfst over in het zachte voorjaar. Heel Nederland is in de greep van de lente. Héél Nederland? Nee, de noordoost kant van het land heeft zich dapper teweergesteld tegen deze overheersing van de bovengemiddeldheid en zich drie dagen overgegeven aan ijs en sneeuw.

Dat had ik graag ook hier in het westen gehad; zo’n witregel in de lopende tekst van het jaar. Even een adempauze, zodat je het voorafgaande op je kunt laten inwerken. Daarna kan je er weer met volle kracht tegenaan. Ik mis het, die koude witheid van de winter.

Ik ben niet de enige die het mist, vermoed ik. Met Kerst wensen we elkaar massaal fijne feestdagen met prachtig uitgevoerde kaarten van winterlandschappen. Roodborstjes, rendiertjes, verzakte boerderijtjes; alles staat met Kerst in een blinkend witte wereld. Een stille wereld. Een eindeloze wereld.

Helaas wordt dat blinkend witte snel weer opgevuld met familiediners en ho-ho-ho-kerstcadeaus, maar in principe is die heldere kou een prikkel om even een pas op de plaats te maken. Even niet te groeien en te bloeien en altijd weer te boeien.

Het Teylers Museum in Haarlem zet met de expositie ‘Echte winters’ het romantische beeld van de winter neer. Het museum toont de negentiende-eeuwse interpretatie van de Kleine IJstijd die tot ongeveer 1850 in Nederland woedde.  We zien de prachtige bevroren landschappen van Andreas Schelfhout met glashelder, donker ijs en nijver schaatsende mensen. Holland op zijn mooist met koek en zopie, arrensleeën op het ijs en schaatswedstrijden met fier wapperende driekleuren.

Er is weinig wit te zien bij de romantische schilders; de schilderijen worden gedomineerd door zachtroze avondluchten of blauwe uitspansels boven het ijs. Bij de Haagse School wordt de lucht grauwer en komt er meer sneeuw in beeld. De wereld is wit (in allerlei nuances) en er wordt ook minder zwierig in rondgeschaatst. Een enkeling zwoegt moeizaam en voorovergebogen door de sneeuw. De ontberingen van de winter zijn duidelijker voelbaar.

Bij Willem Witsen is ook de menselijke activiteit verdwenen uit de winterlandschappen. Zijn landerijen en stadsparken liggen er verlaten bij, bedekt met een “veelkleurige” witte deken onder een stille, melkachtig witte lucht.

En dan is er het sublieme ‘Sneeuwlandschap met sloot’ van Jan Mankes. Je houdt halt voor een brede grijsblauwe sloot. Daarachter een wit landschap met alleen de essentiële horizontalen en diagonalen van de sloten. Een paar kriebelige kraaien accentueren de verlatenheid. De horizon is hoog, ver weg. Een aanzet tot abstractie.

Dat is de witregel waar ik naar verlang. Een leegte die je op jezelf terugwerpt. Er is rust. Je kunt op adem komen en dan weer verder gaan.

Rauw

Als afsluiting van de collegereeks ‘Revoluties in de Kunstgeschiedenis’ van de Vrije Academie kreeg ik vorige week een rondleiding in het Rijksmuseum. Docent Peter Wagemakers nam ons mee en maakte inzichtelijk wat het verschil is tussen tempera en olieverf, tussen een romantisch ‘collage’-landschap van Koekkoek en een impressionistisch zeegezicht van Monet, en hoe de Haagse School ‘fotografische uitsnedes’ maakte van de werkelijkheid.

Voor en na de rondleiding zwierf ik nog op eigen houtje door het museum. Ik liet me bekoren door de twinkelende snuifdoosjes van de rococo en door de sierlijke eenvoud van neoclassicistische stijlkamers. Ter voorbereiding op mijn lezing ‘Rembrandts Handen’, die ik op 14 december weer geef, ging ik binnendoor nog even langs de Nachtwacht om een blik te werpen op de hand van Frans Banning Cocq.

Toen ik daarna de eregalerij indraaide, stond ik opeens oog in oog met het rauwe vlees van Anish Kapoor.  Zijn drieluik ‘Internal objects in three parts’ hangt in de zijzaal vlak voor de Nachtwacht, tegenover die van de Joodse Bruid en de Staalmeesters. Omdat ik vanuit de Nachtwacht-zaal kwam, had ik de ‘Internal objects’ niet zien aankomen.

Het was enorme dreun, dit werk van Kapoor. Drie levensgrote panelen, van boven tot onder bedekt met een  kolkende, opzwellende, bloedkleurige massa. Er  droop geen bloed af en het rook ook niet naar bloed, maar ik zag woest en kapot vlees. Vlees dat niet geordend was in spierbundels en organen, maar openlag als een grote, rauwe, omgewoelde massa. Het binnenste lag bloot, verwoest én verwoestend.

Ik kreeg associaties met het meedogenloze geweld van IS. Die rauwe, bloederige kracht die een spoor van verwoesting  trekt door allerlei beschavingen.  En die ook verwoestende tegenkrachten oproept van angst, wraak, bloeddorst en chaos.

Het strak vormgegeven interieur van het Rijksmuseum maakte het overdonderend geweld van dit drieluik enigszins dragelijk. Het parket glom, het mauve van de muur stak decoratief af tegen het rood van de vleesmassa’s en bezoekers liepen keuvelend door de eregalerij. De huid van de beschaving was hier slecht plaatselijk opengereten. Toch kon de Joodse Bruid mij na de ‘Internal objects in three parts’ even niet ontroeren.

Op de maandag na de aanslagen van IS in Parijs was ik in de sportschool. Daar vond om twaalf uur een herdenking plaats van de slachtoffers.  Om één minuut voor twaalf ging de upbeat-muziek uit in die grote hal, waar het vlees wordt getuchtigd, getraind en getemd. Langzaam verstomden de machines en kwam iedereen tot stilstand.  Om twee minuten over twaalf was het helemaal stil.

In die sportschool, waar normaal iedereen zich individueel in het zweet staat te werken en waar nauwelijks contact is tussen de sportschoolbezoekers, ontstond even een gevoel van saamhorigheid. Je zou kunnen zeggen dat ons eerbetoon een tere huid vormde die het rauwe, bloederige geweld bedekte.

De huid is het grootste orgaan van het lichaam. Vol gevoelige zenuwbanen, voedende bloedvaten en warmte-regulerende klieren. Je kunt ermee blozen. Je kunt hem strelen. Hij houdt de boel bij elkaar en beschermt het rauwe vlees. Zonder huid geen spieren. Zonder beschaving geen kracht.