Go Gunay!

Het nieuwe kabinet heeft weer een eigen staatssecretaris van cultuur en media: Gunay Uslu. Eindelijk, na drie kabinetten zonder vergezichten (want ‘Als je visie zoekt moet je naar de oogarts’, aldus de premier), is er weer een bewindspersoon die gaat over de vergezichten die cultuur de maatschappij biedt.

Bij de tv-uitzending van de installatie van het nieuwe kabinet op 10 januari viel ik net in het moment dat de staatssecretarissen werden beëdigd, en mevrouw Uslu sprong er voor mij uit. Ze droeg een elegant kostuum (waarom gaan vrouwelijke bewindslieden bij de beëdiging eigenlijk ook niet gekleed in een jacquet?) en zei licht en zonder poeha: ‘Dat verklaar en beloof ik.’

Gunay Uslu wordt beëdigd als staatssecretaris van cultuur en media

Direct na haar aantreden moest zij al een harde noot kraken; het openbreken van de lockdown voor de cultuursector. Ze sleepte het maximaal haalbare eruit; de muziekscholen gaan weer open. Teleurstellend voor iedereen (ook voor mij) die ernaar smacht om weer naar een museum, theater of concert te kunnen gaan. Maar wél goed dat deze bewindsvrouw het voor elkaar heeft gekregen dat cultuureducatie weer kan plaatsvinden; dat is immers een belangrijk onderdeel van cultuurbeleving.

Gunay Uslu

Op haar eigen pagina van de website van de rijksoverheid staat een hoopgevend citaat: ‘Cultuur is samen maken, samen beleven. Dat hebben we zo moeten missen. Ik wil me inzetten voor herstel van de culturele en creatieve sector en samen met makers en instellingen werken aan een bloeiend cultureel leven.’ Go Gunay!

Dat zal niet meevallen in een land dat geregeerd wordt door crisisoplossingen bij een pandemie. Het zal ook niet meevallen in een land waar al drie kabinetten lang alles getoetst wordt aan het nut dat het heeft. Cultuur is een blinde vlek. Toen premier Rutte, vlak voor de beëdiging, de nieuwe staatssecretaris voorstelde aan de koning, was hij even kwijt welke beleidsterreinen zij ook alweer onder haar beheer kreeg: ‘Mevrouw Gunay Uslu. Staatssecretaris voor … uhm uhm … cultuur en media.’

Wat me ook voor deze staatssecretaris inneemt is dat zij zich via een lange weg heeft gevormd tot wat ze nu is. Via mavo, havo, lerarenopleiding Geschiedenis en een studie Kunstgeschiedenis kwam ze in de culturele wereld terecht. Ze was curator en conservator bij verschillende Amsterdamse musea, en voorzitter van de Raad van Toezicht van Eye Filmmuseum. Ze is dus echt aan de basis begonnen en dat geeft het ‘samen’ in haar credo ‘cultuur is samen maken, samen beleven’ een bijzonder perspectief.

Haar afstudeerrichting was Cultuurgeschiedenis van Europa, variant Beleid & Management. Op een grappige manier heeft ze laten zien hoe zij haar zakelijke en haar kunstzinnige kwaliteiten verenigt. Voor haar broer Atilay Uslu, oprichter van vakantieorganisatie Corendon, richtte ze een aantal hotels in. Bij het Corendon Village Hotel in Badhoevedorp liet ze in 2019 een Boeing 747 plaatsen. Gasten kunnen hier een rondleiding krijgen. Ik ben niet van het vliegen, maar als ik het wel was zou ik in dat hotel boeken.

Gunay Uslu met haar broer Atilay, na de installatie van een Boeing 747 bij het hotel

We hebben het moeten missen, het ‘samen maken, samen beleven’ van cultuur. Al langer dan de afgelopen twee pandemiejaren. Maar met iemand als Gunay Uslu als staatssecretaris is er weer kans op herstel. Go Gunay!

Mijn lezing ‘Arps Fluïdum’ in Pulchri Studio is uitgesteld tot juni 2022. Zie Agenda.

Getijden

Het begin van een nieuw jaar; een mooi moment om stil te staan bij de getijden. En wel in het bijzonder bij het prachtige getijdenboek Les Très Riches Heures du duc de Berry uit de vijftiende eeuw. Dit getijdenboek, dat ook wel de ‘koning van de verluchte manuscripten’ wordt genoemd, is beroemd door de adembenemend mooie verluchtingen van de gebroeders Van Limburg.

Een getijdenboek is eigenlijk een ‘light’ versie van het brevier, een gebedenboek dat in kloosters het ritme van de dag aangaf aan de hand van de kerkelijke gebeden. Veel vrome – en kunstzinnige – edellieden hadden in de middeleeuwen een of meerdere ‘huisversies’ van de gebedenboeken die waren verlucht met versieringen en illustraties.

Januari, uit Les Très Riches Heures du duc de Berry, omstreeks 1415, Chantilly, Musée Condé

Hertog Jan van Berry liet omstreeks 1415 drie miniatuurschilders, de gebroeders Van Limburg, een uitgebreide versie maken van een getijdenboek, rijkelijk geïllustreerd met schitterende miniaturen. Een kunstwerk dat nu nog verbaast en verrukt door de kleuren, de liefdevolle details en de accurate weergave van het dagelijks leven in de vijftiende eeuw.

De bekendste afbeeldingen uit het getijdenboek van de hertog zijn die van de kalendermaanden. Twaalf paginagrote (A4-formaat), weelderige gekleurde platen waarin de werkzaamheden worden getoond die in die maand plaatsvinden. Of, in het geval van de adel, de activiteiten waarmee de adel zich onledig hield. Boven de activiteiten spant zich de hemelboog, waar in een lapis-lazuliblauwe lucht de sterrenbeelden van de maand voorbijtrekken.

Januari speelt zich geheel binnenshuis af; de hertog geeft een drukbezocht banket in zijn kasteel. In een stralend blauwe mantel zit de hertog aan het banket. In de grote schouw achter hem brandt het haardvuur dat wordt afgeschermd door een rieten haardscherm. De gasten warmen hun handen aan het vuur. Naast de hertog staat een kamerheer die de gasten welkom heet met de woorden ‘aproche, aproche’. ‘Kom verder’, een mooi thema om het jaar binnen te komen, lijkt me.

Februari, uit Les Très Riches Heures du duc de Berry, omstreeks 1415, Chantilly, Musée Condé

Februari vind ik zo mogelijk nog fascinerender qua verhalende details. We zien een winters landschap, met gewone mensen die onder een grijze lucht ploeteren in de sneeuw. Het is koud! In kleine wolkjes komt de adem uit de mond van de man met de omslagdoek. In de sneeuw zijn voetstappen te zien. Links vooraan zit een gezelschap bij het haardvuur in de boerenhoeve. De vrouw vooraan heeft haar blauwe jurk iets opgeschort. Het duo daarachter is radicaler en heeft de kleding tot aan het middel opgetrokken. Achter hen staat het bed; dit duo zal voor nageslacht gaan zorgen en warmt ‘de apparatuur’ eerst even op, zo lijkt het.

De anatomische mens, uit Les Très Riches Heures du duc de Berry, omstreeks 1415, Chantilly, Musée Condé

Hertog Jan van Berry had een levendige belangstelling voor astrologie, zoals blijkt uit de sterrenbeelden die boven de kalendermaanden door de hemel draaien. De reeks afbeeldingen van kalendermaanden wordt afgesloten met een boeiende illustratie, De anatomische mens, waarin te zien is hoe verschillende onderdelen van het lichaam samenhangen met de tekens uit de dierenriem.

Op het (voor-)hoofd van de bevallige figuur in de mandorla zit de Ram, in haar nek ligt de Stier. Op elke schouder zit één van de Tweelingen, hoog in de borst de Kreeft en op het hart de Leeuw. De maag lijkt de regio te zijn van de Maagd en de ingewanden van de Weegschaal. De Schorpioen huist in de geslachtsdelen en dan dalen we af met de Boogschutter in de dijen, de Steenbok in de knieën, de Waterman in de kuiten en uiteindelijk de watervlugge Vissen onder de voeten.

De prachtige illustraties in dit rijke getijdenboek geven het ritme van het jaar weer. En op een ontroerende manier ontsluiten ze de wereld van de vijftiende-eeuwse mens.

Oom Drosselmeiers Kerst

Van alle tradities die de Kerst aankleven, is in Nederland het ballet De Notenkraker een van de jongste. Vanaf 1996 wordt tijdens de feestdagen dit sprookje van een meisje, Marie, en haar pop/droomprins over ons uitgestrooid. Zelf heb ik nooit een live uitvoering van het ballet van Tsjaikovski bezocht, maar ik koester een (video!-)opname van de versie uit 1991 van de Britse choreograaf Mark Morris. Morris’ ballet The Hard Nut is niet suikerzoet, zoals veel Notenkrakerballetten, maar tangy (= bitterzoet) zoals een goede Engelse marmelade betaamt.

Drosselmeier, tekening van Charles Burns voor The Hard Nut

Voor de vormgeving liet Morris zich inspireren door de comics van de Amerikaanse striptekenaar Charles Burns. De strips en graphic novels van deze cartoonist zijn duister en unheimisch. Voor The Hard Nut ontwierp Burns decors en kostuums die de gedroomde wereld van Marie een sinister nachtmerriekantje geven. Maar Morris stopt zoveel humor, dansplezier en genialiteit in zijn ballet, dat het bittere en het zoete heerlijk met elkaar in evenwicht zijn.

De humor van Morris zit in zijn onconventionele rolverdelingen en de energieke, sprankelende choreografieën die levenslust en gein uitstralen en die – zoals in een goede comedy – je op bepaalde momenten ontroeren en bij de strot grijpen.

Sommige vrouwelijke karakters – Marie’s moeder, met drankprobleem, en het kindermeisje, een prachtige ‘soulsister’ die bij voorkeur op de spitzen loopt – worden zeer overtuigend en met veel humor gedanst door mannen. De gasten op het Kerstfeest zijn swinging-sixties-koppels. De dansen die ze uitvoeren zijn uit improvisatie ontstaan en kunnen per avond door de dansers worden gevarieerd. Dat zie je eraan af: geen esthetische poses en strak afgetelde danspassen, maar dansers die elkaar uitdagen en plezier maken.

The Hard Nut, Dansen op het Kerstfeest, rechts Marie’s moeder, midden het kindermeisje

Marie heeft een merkwaardige oom, Drosselmeier, een speelgoedmaker met een ooglapje die het feest naar zijn hand zet. Hij geeft haar als kerstcadeau een notenkrakerpop. Als Marie, nog vol van het feest, naar bed gaat, begint haar wonderlijke droom. De notenkraker komt tot leven en speelt een heldhaftige rol in een veldslag met de muizen. Vervolgens danst oom Drosselmeier een pas de deux met de notenkraker/prins. In meer conventionele versies van De Notenkraker is dit een duet tussen Marie en de prins, maar hier danst de ‘tovenaar’ met zijn creatie, de lelijke notenkraker die een prins is.

The Hard Nut, Pas de deux van Drosselmeier en de notenkraker/prins

Na dit duet komt Marie’s droom pas goed op gang met de Wals van de Sneeuwvlokken. Dit is wat mij betreft het hoogtepunt van Morris’ ballet. Het complete corps de ballet treedt hier aan; mannen en vrouwen in unisex tutu’s, glittertopjes en asymmetrische badmutsen. De dansers warrelen over het toneel in een oogverblindende choreografie waarbij ze wolken witte confetti rondstrooien. Wat een vreugde en wat een levenslust!

The Hard Nut, Wals van de Sneeuwvlokken

In de tweede acte die hierop volgt komen nog meer fantastische scènes voor. Drosselmeiers zoektocht naar een geliefde voor de betoverde prinses voert hem langs allerlei landen, waarvan de romantische clichés heerlijk tongue-in-cheeck worden gedanst. Spanje heeft een hanige stierenvechter en stier, Rusland is een pastiche van het folkloristisch danstheater en Frankrijk wordt gedanst door nuffige hautecouture-modellen.

De wereldberoemde Bloemenwals is bij Morris een buitengewoon geestige oefening in ritmische gymnastiek onder aanvoering van de moeder. Marie en haar prins dansen een weids duet, terwijl alle figuren uit het verhaal in prachtige golven om hen heen vloeien. En even later zal Marie, als een verliefd kalfje, blootsvoets de eveneens beroemde Dans van de Suikerfee dansen.

The Hard Nut, Marie danst de Dans van de Suikerfee

Als u deze Kerst behoefte hebt aan een wat minder zoete vorm van vermaak, dan raad ik u van harte deze tangy Notenkraker aan. De integrale versie van The hard nut uit 1991 is op Youtube te zien in twee delen (Part One en Part Two) die elkaar wat ongelukkig overlappen.

Namens Marie, oom Drosselmeier en het complete corps de ballet uit The Hard Nut wens ik u fijne feestdagen.

Op Depot

Het voordeel van het nadeel van het afzeggen van mijn lezing is dat ik nu meer tijd heb voor andere dingen. Een bezoek aan het nieuwe Depot van museum Boijmans Van Beuningen stond bovenaan mijn verlanglijstje, dus stapte ik in de trein om dit sterke staaltje Rotterdamse lef-architectuur te bekijken.

Het gebouw is inderdaad verbluffend. Naast het museum Boijmans rijst een grote, glanzende bloempot op. Maar hoe groot het gebouw ook is, het werkt niet intimiderend omdat de bolle buitenkant de omgeving spiegelt. Als een vriendelijke lachspiegel neemt de façade je op in het prachtige, weidse panorama van de stad.

Het Depot, interieur

Eenmaal binnen waan je je in een Escher-prent. Aan de buitenschil liggen de afgesloten opslagruimtes. Maar het hart van het gebouw is voor het publiek toegankelijk. Dit ‘kloppende’ hart is een grote lichtschacht, doorsneden door trappen die diagonaal de zes verdiepingen met elkaar verbinden. Op elke etage loopt een open galerij om de lichtschacht heen met uitzicht op de trappen.

De trappen zijn voorzien van glazen leuningen waardoor je tot hoog in het gebouw het gelijkmatige ritme van de traptreden kunt volgen. Tussen de afgesloten opslagruimtes aan de buitenschil zijn open werk- of expositieruimtes die uitzicht bieden op de stad. Hierdoor dringt het daglicht door tot in het trappenhuis zodat de ritmische treden ook van opzij belicht worden.

Het Depot, interieur

Glazen liften zoeven op en neer langs de trappen. En overal lopen mensen; omhoog, omlaag. Mensen wandelen rond over de etages, leunen over de balustrades om naar de bedrijvigheid in het trappenhuis te kijken. Of ze staan stil bij de verlichte vensters die een inkijkje bieden in de opslagruimtes. Dat menselijke verkeer in het gebouw geeft het zijn Escherachtige spanning: Kijk, ook dáár loopt iemand, en dáár gebeurt ook wat!

In de centrale lichtschacht zijn vitrines waarin een aantal kunstwerken is opgesteld. De vitrines strekken zich uit in de verticaal en gaan met de lift en de trappen mee ‘over de verdiepingen heen’. In deze vitrines zijn schilderijen te zien, maar ook sculpturen en mode.

Untitled, Maurizio Catellan, 2001 (2021)

In een van die verticale vitrines staat het kunstwerk Untitled van Maurizio Cattelan, beter bekend als ‘het mannetje dat zijn hoofd door de vloer steekt’. Omdat nu ook het gedeelte onder de museumvloer zichtbaar is, maakte Catellan speciaal voor deze opstelling het beeld af. Het mannetje staat op zijn tenen op een krukje op een pallet met boeken op dozen met boeken op een dossierkast en kijkt zo nieuwsgierig naar de volgende verdieping.

Dan zijn er ook de vitrines die zich uitstrekken in horizontale richting. Deze vitrines, met keramiek en serviezen, dienen als glazen loopbrug of balkon. Dit is voor de durfals; je loopt als het ware boven de afgrond met een dun laagje kunst tussen jou en de diepte.

Helemaal bovenop het Depot is een restaurant met een prachtige daktuin. IJle berkjes en grassen staan wuivend in de wind en rondom ligt Rotterdam. Een aanwinst voor de stad, dit Depot, dat van de Rotterdammers het koosnaampje de Pot heeft gekregen. En geef ze eens ongelijk; een dagje op Depot en je bent verliefd op dit gebouw.

Het Depot, daktuin

N.B. De lezing ‘Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko’ in Utrecht is verplaatst naar 18 maart 2022. Zie Agenda

 

Poëzie van de luchtfiets

Veel liefhebbers van Panamarenko’s werk spreken over de poëzie van zijn kunst. Ook ik voel de poëtische kracht van zijn fantastische lucht-, land- en watertuigen. Volgens Panamarenko moet kunst ook poëzie zijn. ‘En poëzie is: tien seconden aan de macht ontsnappen’, zegt hij in een interview in 2002. Zijn uitvindingen helpen je te ontsnappen aan de macht van de conventies, aan de zwaartekracht, aan de ideeën over wat kunst moet zijn, aan de ideeën over techniek, over schoonheid. Niet voor niets heet mijn lezing Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko.

Het poëtische zit hem er ook in dat zijn uitvindingen niet perfect werken. Daar gaat het Panamarenko niet om. Hij zet je op het spoor dat ze zouden kúnnen werken. Je zou zo op zijn luchtfiets Das Flugzeug kunnen stappen. Het ‘vlieg-tuig’ heeft een zadel, een stuur en trappers waarmee je de Ronde van Vlaanderen zou kunnen fietsen. Maar met propellers in plaats van wielen fiets je niet over de kasseien, maar ga je hop! de lucht in. Poëzie!

Das Flugzeug, 1967
00.PZ Paradox, 1975

Die poëtische vrijheid komt in al zijn kunstwerken terug, vaak vermengd met een forse dosis humor en zelfrelativering. De ontwerptekening voor zijn vliegende tuig 00.PZ Paradox, een door een propeller aangedreven parachute, is van een grote schoonheid en het is een grappige uitvinding. Op het dak van een kleine cabine blaast een grote propeller lucht in een parachute. Het paradoxale is dat de cabine eigenlijk naar beneden gedrukt zou worden door de propeller, maar dat de parachute hem toch omhoog trekt.

De tekening van de 00.PZ Paradox heeft voor mij de schoonheid van een Japanse prent. Als een grote kwal zweeft een parachute met stuurzeil door de lucht en een klein, stripachtig luchtscheepje bungelt onderaan. De humor zit in de titel. Panamarenko: ‘Die dubbele 00 is niets meer dan het landnummer van België voor de luchtvaart, alle vliegtuigen hebben dat, dat is zoals een nummerplaat, en die PZ staat voor Panamarenko Zeppelin. En samen, als ge dat uitspreekt, is dat Oeps! Paradox!’

Sommige kunstwerken van Panamarenko zijn louter poëzie. De luchtfietsen IJsvogel en Grote Quadru Flip-Flop zijn van een adembenemende schoonheid, terwijl je je toch kunt voorstellen dat je met deze tuigen op ijle vleugels door de lucht vliegt.

(l.) IJsvogel, 2004 en (r.) Grote Quadru Flip-Flop (1998)

De poëzie van Panamarenko komt ook tot uiting in het naïeve van zijn uitvindingen. Zijn vliegtuigen, onderwaterbootjes en futuristische ruimtevaartuigen roepen een wereld op waarin alles kan. Zoals speelgoed dat doet voor een kind. Panamarenko had zijn huis vol staan met opwindpoppetjes, blikken speelgoedautootjes en modellen van vliegtuigen: ‘Ik maak in feite alleen maar speelgoed, want dat is de echte kunst: de poëzie van een stuk speelgoed.’

Aan het eind van zijn carrière legt Panamarenko zich toe op het maken van bewegende Kiekskes, fantasievogels die vrij rondstappen. Zijn meest ontroerende kunstwerk is wel de Vogelmarkt; drie vreemde vogels lopen rond op tableautjes onder afdakjes zoals op de Vogelenmarkt, die elke zondag in Antwerpen plaats vindt. Als een soort marktkoopman die een demonstratie geeft, staat Panamarenko tussen zijn Kiekskes die nieuwsgierig rondtrippelen. Vraag niet hoe het kan, profiteer ervan: gratis poëzie!

Affiche en demonstratie van Vogelmarkt, 2005

LET OP: In verband met de nieuwe coronasituatie gaan de lezingen op 16 en 19 december NIET door. Ze worden verplaatst naar voorjaar 2022. Kijk ook in de Agenda.

 

Stripheld Panamarenko

De uitvindingen van Panamarenko; zijn vliegende, zwevende, varende en hink-stap-springende ‘tuigen’, hebben een hoog stripverhaalgehalte. Ze zien eruit alsof ze zo uit een Kuifje- of Suske-en-Wiske-album komen. Niet zo gek voor een kunstenaar uit een land waar de strip als kunstvorm wordt gezien.

Neem het onderzeebootje dat Panamarenko in 1996 maakte, de PAHAMA – Spitsbergen – Nova Zemblaya. Dit compacte bootje van nog geen zeven meter lang met het profiel van een walvis, heeft in de neus een groot venster ‘om naar de viskes te kijken’. Het interieur is in een mooie zeegroene kleur geschilderd en heeft langs de zijwanden twee zitbanken voor de bemanning/passagiers. Het zou zomaar een onderzeebootje kunnen zijn dat is ontworpen door professor Zonnebloem als opvolger van de haaienduikboot die hij voor Kuifje had gemaakt in De Schat van Scharlaken Rackham.

(l) duikboot PAHAMA – Spitsbergen – Nova Zemblaya, tekening van Panamarenko, 1996, (m) schetsen van Hergé voor De Schat van Scharlaken Rackham, 1944, (r) Arlikoop, Panamarenko, 2004

Het duikbootje PAHAMA – Spitsbergen – Nova Zemblaya brengt onze held naar de Noordpool. Daar beleeft hij een avontuur in het gezelschap van een robot; de Arlikoop. Dit is de robot die Panamarenko in 2004 maakte. Met de Arlikoop reisde hij af naar de Noordpool en maakte schitterende foto’s in de sneeuw en het felle licht.

Panamarenko ondernam meer van die Kuifje-achtige reizen. In 1989 trok hij door de woestijn in Egypte en ging hij duiken in de Rode Zee. Daar kreeg hij zijn ideeën voor het duikpak dat hij ontwierp en dat hij de naam gaf van een grote kwal; de Portuguese Man of War. Het zou zomaar de titel van weer een Kuifje-album kunnen zijn.

Reis naar Egypte I en II, Panamarenko, 1990
K2, The 7.000-Meter-High Flying Jungle and Mountain Machine, along the Yellow River banks in China discovering a giant Tillannia flower, Panamarenko, affiche, 1991

In 1991 bouwt Panamarenko de K2, the 7000-Meter-High Flying Jungle and Mountain Machine. Het is een fantastisch vliegend voertuig met vier propellers in plaats van wielen. De machine zou een hoogte van 7000 meter kunnen halen. De propellers zijn afgedekt met bolle beschermkappen, zodat onze held vrij door de jungle kan vliegen zonder verstrikt te raken in de bomen.

Panamarenko maakt – in het predigitale tijdperk – een collage van een polaroidfoto van hemzelf in de K2. Hij plakt deze foto tussen de planten die hij thuis in de vensterbank heeft staan en noemt dit avontuur:  K2, The 7.000-Meter-High Flying Jungle and Mountain Machine, along the Yellow River banks in China discovering a giant Tillannia flower.

De reizen van Panamarenko beperken zich niet tot de aarde; hij gaat ook de ruimte in. Voor zijn project Reis naar de sterren in 1985 ontwerpt hij niet alleen prachtige ruimteschepen in de vorm van vliegende schotels, maar maakt hij ook een vliegende rugzak waarmee je uitstapjes in het heelal kan maken.

Reis naar de sterren, detail van tekening, Panamarenko, 1985

In de rugzak zit een machine die via twee gebogen pijpen krachtige luchtstralen naar beneden wegblaast. De kosmonaut bedient de machine via twee hendels in zijn handen die met een snoer aan de rugzak vastzitten. Het ruimtepak is een soort overal die beplakt is met plastic ringen. Op zijn neus staat ook een uilenbril van twee plastic ringen.

Tijdens de reis naar de sterren draagt onze held een helm waar rode sterren op staan en zijn naam. Zo kunnen we elkaar altijd herkennen als we mee op reis gaan in het heelal met onze stripheld Panamarenko.

Mijn lezing Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko gaat op 16 december in première. Zie Agenda

Omwenteling

Hoe inspirerend Panamarenko’s werk ook is, het valt me af en toe niet mee om het wetenschappelijke gehalte van zijn uitvindingen te vatten. Ik ben tenslotte geen bèta-, maar een alfaMan van Taal. Maar ik begin steeds beter begrijpen hoe revolutionair Panamarenko’s kunstzinnige benadering van de wetenschap was. Hij stelde kunst en wetenschap niet als twee tegengestelde werelden voor, maar paste wetenschappelijke inzichten toe op een kunstzinnige manier. Dat is wat mij betreft wel een omwenteling te noemen in het denken over kunst en wetenschap.

100.000 Revoluties/Minute Jet Turbine, Panamarenko, 1976, Collection M HKA, Antwerpen

Een goed voorbeeld van Panamarenko’s kunstzinnige interesse in de wetenschap is zijn ‘sculptuur’ getiteld 100.000 Revoluties/Minute Jet Turbine. In 1976 bouwde Panamarenko deze ronddraaiende machine die, eenmaal op gang gebracht, zichzelf almaar zou versnellen tot een snelheid van honderdduizend omwentelingen per minuut. Een eenmalige input van energie (de oorspronkelijke aandrijving) zou door de machine zelf eindeloos kunnen worden hergebruikt en de beweging zou zichzelf versterken.

Dit idee klinkt voor mij als een perpetuum mobile, een eeuwigdurende beweging waar wetenschappers en aanverwante uitvinders al eeuwen naar zoeken. Onmogelijk, maar Panamarenko laat je dromen over de uitvoerbaarheid van dit soort ideeën. Waarom ook niet, vraag je je af als je zijn machines ziet. Tuigen waarmee je van bergtop naar bergtop kunt springen, of zweven door de ruimte, of wandelen over de zeebodem. Panamarenko’s uitvindingen maken je los van de beperkingen en conventies in het dagelijks leven.

Panamarenko hechtte er aan om de schoonheid van de techniek te laten zien. Bij al zijn machines is zichtbaar en begrijpelijk hoe ze worden aangedreven. Ze hebben echte motoren of ze werken op mensenkracht – MK zoals hij dat noemde –  via een simpele set fietspedalen. Dat geeft zijn machines de naïeve, bijna kinderlijke bekoring dat je je er ook werkelijk mee kunt verplaatsen door de ruimte.

Flying (Magic) Carpet, Panamarenko, 1979, collectie EPA, München

Neem zijn uitvinding Flying (Magic) Carpet; een vliegend tapijt dat hij in 1979 ontwierp voor het gebouw van het Europese Octrooibureau in München. In een begeleidend document schrijft Panamarenko: ‘Er is nu een manier om een ​​vliegend tapijt te maken. De droom van 1001 nacht en 1001 uitvinders. De oplossing bestaat uit sterke Nikkel-Cadmium batterijen en lichte elektromotoren.’

Het vliegende tapijt is een rechthoekig vlak dat bestaat uit veertig plexiglazen dekplaten waaronder zichtbaar veertig propellers draaien. Het ‘tapijt’ kan in vieren worden opgevouwen en heeft rondom franje, zoals een vloerkleed betaamt. Je ziet dus de techniek (de veertig propellers, de elektromotoren en de bedrading) én je ziet een magisch vliegend tapijt uit de sprookjes van 1001 nacht.

Als Panamarenko de techniek had weggemoffeld onder een niet-doorzichtig oppervlak, of – nog conventioneler – de technische aandrijving alleen maar had gesuggereerd met hier en daar een kabel en een propeller, had deze uitvinding niet de magische werking gehad die er nu van uitgaat. De Flying (Magic) Carpet is een combinatie van het oerbeeld van een vliegend tapijt met moderne techniek (uit 1979). Deze mix van wetenschap en kunst zet ons aan het dromen.

Dat is de bekoring van Panamarenko’s uitvindingen. Hij wendt de wetenschap aan op een kunstzinnige manier. Waar andere kunstenaars verf, hout, steen en brons als materiaal gebruiken, zijn voor Panamarenko wetenschappelijke wetmatigheden het materiaal voor een kunstwerk. Een omwenteling, een revolutie in het denken over kunst.

Vliegend Tapijt, tekening van Panamarenko, niet gedateerd. Foto: archief Panamarenko Collectief

De lezing Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko gaat in première op donderdag 16 december in Utrecht. Daarna lezingen in Den Haag. Zie Agenda.

 

Verbeeldingskracht

‘Wij maken ons bestaan door onze verbeeldingskracht.’ Deze prikkelende zin kwam uit de mond van Bas Heijne in het gesprek in de Haagse Duinzichtkerk op 10 oktober. De verbeelding maakt het leven, volgens Heijne, dat moet je niet overlaten aan de algoritmen en de managers. Ik zat in het publiek bij dit Duinzichtgesprek en Heijnes pleidooi voor de verbeelding was mij uit het hart gegrepen. Mijn boek Tot de verbeelding, dat vorig jaar verscheen, is een statement over de kracht van de verbeelding. Op de cover staat een mannetje dat roept: ‘Tot de verbeelding!’ Á l’art in plaats van á l’arme!

Net in de week van het gesprek met Bas Heijne was de inlijsting voltooid van de oorspronkelijke illustraties uit het boek Tot de verbeelding. De zeven originele tekeningen van Peter Oosterhout zijn in kleine eikenhouten lijstjes gevat, die in een losse reeks opgesteld staan op een elegant balkje. Zo vormen ze één geheel en zijn ze toch vrij in de ruimte. De levendigheid en de subtiliteit van de tekeningen komen nu volledig tot hun recht.

De zeven illustraties van Peter Oosterhout voor het boek ‘Tot de verbeelding’

Voordat het boek in 2020 verscheen, hadden de illustrator en ik uitgebreid gesproken over de beelden bij de hoofdstukken. In elk van de zeven hoofdstukken gaat het om de verhouding van het ‘mannetje van taal’ op de cover met het thema van het betreffende hoofdstuk (de kunstenaars Arp, Rembrandt, Zadkine, Niki de Saint Phalle en Picasso en de onderwerpen Natuur en Taal).

In zeven schitterende, fijnzinnige tekeningen heeft Peter Oosterhout die vervlechting weergegeven; het mannetje gaat, in verschillende gedaantes, op in de wereld van de kunstenaar. Daarbij is telkens één aspect uit de kunst uitgelicht, een aspect dat het meest tot de verbeelding spreekt. Bij Rembrandt zijn dat de handen, bij Niki de betoverende mozaïeken, bij Zadkine de muziek, enzovoort.

Peter Oosterhout is ook met een mooi werk vertegenwoordigd op de groepsexpositie Het gewicht van woorden, die tot 12 december in de Oranjekerk in Amsterdam is te zien. Tien kunstenaars hebben het gedachtengoed van filosofe Hannah Arendt (1906-1975) verbeeld. Van Peter Oosterhout hangt er een digitale collage met de titel Bij Hannah Arendt aan tafel.

Bij Hannah Arendt aan tafel, digitale collage van Peter Oosterhout

In een fraai uitgelicht decor zit Hannah Arendt als een soort talkshowhost aan een grote ronde tafel. Haar gasten zijn de in een lichtgeel kostuum gestoken wiskundige Alan Turing (1912-1954), de man die de enigma-code kon ontrafelen, en een luid kwakende figuur, een zekere Donald. In de rook van Arendts sigaret staat een van haar beroemdste citaten over de banaliteit van het kwaad. Zoals altijd heeft Oosterhout allerlei elementen en figuren toegevoegd die een rijke wereld vol beelden en associaties oproepen.

Ook Hannah Arendt onderkende de kracht van de verbeelding. Zij stelde vast dat het ontbreken van verbeelding dodelijk is; SS’er Eichmann, wiens proces zij in 1961 volgde, was een onbeduidend mannetje, een boekhouder ‘zonder verbeelding’ die alleen maar regeltjes uitvoerde. Verbeelding is de kracht die we nodig hebben om te leven.

De zeven illustraties uit het boek ‘Tot de verbeelding’

Nu de avonden weer lengen en de feestdagen eraan komen is Tot de verbeelding een heerlijk boek om te lezen, c.q. cadeau te geven. Bestellen gaat eenvoudig via de pagina Boek van mijn website. In december geef ik mijn lezing over Panamarenko, de kunstenaar die ons verlangen om te vliegen verbeeldt. Zie Agenda.

Vleugels krijgen!

Instituut Helikon in Utrecht, waar op 16 december mijn Panamarenkolezing in première gaat, heeft voor het nieuwe seizoen het thema Vleugels krijgen! gekozen. Vanaf december 2021 tot juni 2022 gaat Helikon aandacht besteden aan ‘alles wat te maken heeft met engelen, demonen en ander kunst- en vliegwerk’ schrijft Heleen Rippen, directeur en programmeur van Helikon, in de Nieuwsbrief van september.

Ik heb mijn lezing over Panamarenko gemaakt in opdracht van Helikon. En ik ben bijzonder blij met die opdracht, want Panamarenko is een heel inspirerende kunstenaar. Zijn speelse en ingenieuze vlieg-, vaar- en voertuigen maken het kind in mij wakker en in mijn verbeelding beweeg ik vrij door de ruimte. Panamarenko weekt je los van alle conventies en beperkingen en geeft je vleugels. Mijn lezing heet dan ook Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko.

Meikever (Salto Arte), 1975. Foto: Joost De Bock

In de zestiger jaren maakte Panamarenko zijn eerste vliegende tuigen. Hij liet zich hiervoor inspireren door de vleugels en vliegbewegingen van insecten. Een van de allereerste vliegende objecten van Pana is zijn Meikever uit 1968. Het is een installatie die bestaat uit een tafeltje met daarop een kistje. Uit het kistje komt een snoer dat het elektromotortje voedt in de meikever, gemaakt van ijzerdraad, papier en balsahout. In 1975 maakt hij een grote versie van de Meikever. De vleugels hebben een spanwijdte van vijftig centimeter en zijn bedekt met circusachtige sterren. Verkleed als Chinese tovenaar laat hij het beest op 23 mei in een circustent vliegen, in een act die Salto Arte heet. Het insect stijgt fladderend op, maar het snoer trekt hem uit balans en hij stort ter aarde. Nadat hij weer geplakt is, komt de Meikever in het museum.

Tweevleugel, 1974. Museum Boijmans Van Beuningen (depot)

Uit deze Meikever komen in de zeventiger jaren de Meganeudons voort; door menskracht aangedreven tuigen (luchtfietsen in feite) met insectenvleugels. De bestuurder zit op een zadel en brengt met een trapmechanisme de vliesvleugels in trilling. De Tweevleugel uit 1974 is een heerlijk voorbeeld van de speelsheid en simpelheid van Panamarenko’s ontwerpen. Het is een grootogig ‘insect’ met een spanwijdte van 175 centimeter. Je zou zo op dit vertederende voertuigje willen stappen en de lucht in willen fietsen.

Voor deze Meganeudons laat Panamarenko zich inspireren door een prehistorische waterjuffer, die een spanwijdte van anderhalve meter zou hebben gehad. In de wetenschappelijke literatuur komt dit dier niet voor, wel de Meganeuron, een voorloper van de libel uit het Carboon. Panamarenko verandert de ‘r’ in een ‘d’, want ‘dat klinkt zo wat meer dinosaurusachtig.’

Later ontwerpt Panamarenko ook viervleugelige luchttuigen, zoals de Grote Quadru Flip-Flop uit 1998. Ook dit is weer een verbluffend eenvoudig en aanstekelijk luchtvoertuig; de piloot neemt plaats op een stoeltje en zet al trappend de vier vleugels in beweging.

Grote Quadru Flip-Flop, 1998, Foto: Valerie Clarysse

Al deze vliegende tuigen worden aangedreven door mensenkracht, MK genoemd door Panamarenko, als tegenhanger voor de PK’s, Paardenkrachten. Zijn MK is een stellingname tegen de technisch-mechanische processen die ons dehumaniseren. Panamarenko laat de mens vliegen op éigen kracht. Door zijn fantastische ontwerpen ontpoppen wij, mensenlarven, ons tot vliesvleugelige insecten en kiezen we het luchtruim. Krijg nou vleugels!

De lezing Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko is op 16 december bij Helikon in Utrecht en op 19 december bij De Beeldhouwwerkplaats in Den Haag. Zie Agenda.

Vliegende schotel

In het Kunstmuseum Den Haag kwam ik de Spatiovore tegen, een sculptuur uit 1960 van de Cobra-kunstenaar Constant (1920-2005). Het kunstwerk bestaat uit een plexiglazen oestervormige kom, die een maquette van een (gedroomde) architectonische ruimte omhult. Het geheel lijkt te zweven boven een woest en ledig landschap van zwarte, golvende heuvels. Ik zag er een vliegende schotel in.

Ik was in het museum op zoek naar werk van Panamarenko (1940-2019), de kunstenaar die allerlei vliegende tuigen ontwierp waarmee de mens de ruimte kon doorklieven. Van Panamarenko kwam ik niets tegen, maar dit ‘ruimteschip’ van Constant trof me door de overeenkomst die ik erin zag met Panamarenko’s beelden. Beide kunstenaars geven vorm aan de utopie dat de mens in vrijheid kan bewegen en kiezen voor een zwevende bol.

Spatiovore, Constant , 1960

In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw werkte Constant aan zijn project New Babylon. Hij ontwierp maquettes voor de ideale stad, een plek waarin arbeid geautomatiseerd is en de mens vrij kan spelen. Het zijn fantastische werelden die Constant schiep, met coulissen, terrassen, trappen en verhogingen, beschutte hoekjes, raadselachtige balustrades en speels kronkelende tunnelbuizen. Als miniatuurmensje val je daar van de ene verbazing in de andere door het voortdurend wisselende perspectief.

Met de Spatiovore laat Constant die utopische stad ook nog eens vrij zweven door de ruimte. Ook Panamarenko, twintig jaar jonger dan Constant, laat de mens vrij zweven door de ruimte. Zo bedacht hij in 1997 Ferro Lusto, een enorm ruimteschip van achthonderd meter lang en geschikt voor vierduizend personen. Hier gaat het er alleen wat minder vredig aan toe, want volgens Panamarenko zullen de passagiers zich tijdens de reis naar de sterren zo vervelen dat ze voortdurend aan het kibbelen zijn.

Ferro Lusto, Panamarenko, 1997

Als onderdeel van de Ferro Lusto ontwierp Panamarenko de vliegende schotels Bing of the Ferro Lusto (1997) en Bing II (2002). Deze schotels, die hij construeerde op ware grootte, fungeren als transportmiddel tussen het moederschip Ferro Lusto en de planeten. De vliegende schotels hebben de klassieke vorm die we in alle strip- en sciencefiction-verhalen tegenkomen; een bol met een schijf eromheen. Een beetje zoals de ‘oester’ Spatiovore van Constant.

Bing of the Ferro Lusto, 1997 (l.) en Bing II, 2002 (r.) Panamarenko
Snoepgoed: Vliegende Schotels of Zure Ouwels

Als kind was Panamarenko al dol op het snoepgoed ‘vliegende schotels’. Een snoepje bestaand uit een dubbele ouwel in roze, geel of blauw, met in de bolling een zuurzoet poeder. Hij kocht ze bij de lokale kruidenier en terwijl hij de vliegende schotel op zijn tong liet smelten, fantaseerde hij over een grote versie van dit voertuig, die hij zelf zou bouwen en waarmee hij naar de maan kon vliegen.

Constant en Panamarenko gebruiken allebei de vliegende schotel als een inspirerende vorm om de vrijheid van de mens uit te drukken. Zij laten ons door de ruimte vliegen in die mooie, dynamische bol met een schijf eromheen. Een utopie, een droom, een schotel waar we graag op meeliften.

Op 16 december gaat mijn lezing Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko in première. Zie Agenda.