Uil en droom

Hans Arp streefde ernaar beeldhouwwerken en gedichten te maken die niet de werkelijkheid afbeeldden. ‘Wir wollen nicht abbilden, wir wollen bilden’, is een bekende uitspraak van hem. Hij wilde geen áfbeelding maken van de werkelijkheid, bijvoorbeeld van een landschap, een model of een stilleven, maar hij wilde béelden maken, beelden die uit zichzelf ontstaan zonder iets af te beelden.

Arp noemde zijn kunst ook niet ‘abstract’, want abstracte kunst was volgens hem toch weer een afgeleide (een abstrahering) van de werkelijkheid. Liever sprak hij van concrete kunst; concrete sculpturen en concrete gedichten. Zijn gedichten willen niet ontroeren of verheffen of een andere emotie opwekken. Dat de gedichten en de beelden van Arp toch op je gevoel werken, heeft uitsluitend te maken met het kunstwerk zélf.

Songe de hibou, 1937, gips

Geen afspiegelingen van de werkelijkheid dus, in de kunst van Arp. Toch zitten zijn gedichten en beelden vol met toespelingen op bekende vormen en begrippen uit de werkelijkheid. Hij neemt de dingen die we kennen uit het dagelijks leven en speelt ermee, plaatst ze in een onverwachte context en laat ze associatief in elkaar overvloeien. Als in een droom.

Een mooi voorbeeld van een concreet kunstwerk dat speelt met iets bekends uit de werkelijkheid is de Songe de hibou (Droom van een uil), een gipsen sculptuur uit 1937. Dit beeld is een van de Rundplastiken die Hans Arp vanaf de dertiger jaren ging maken; vloeiende, organische vormen die een associatieve logica hebben waarmee ze uit zichzelf lijken te ontstaan. Opvallend aan de Songe de hibou is dat er te midden van alle gestroomlijnde vormen een scherpe knik zit.

Voor mij is de associatie met de Kerkuil snel gemaakt, gezien de titel. Zeker in dit jaargetijde, waarin ik elke dag even een kijkje neem op de webcams van Beleef de Lente. Op deze website van Vogelbescherming is te volgen hoe verschillende vogelsoorten nestelen, baltsen, paren, broeden en uiteindelijk hun jongen verzorgen. Veel vogels zijn overdag actief, maar niet de kerkuilen. Die slapen.

Kerkuilen

De kerkuil slaapt soms wel tweeëntwintig uur per dag. Als een prachtige, bruin-gespikkelde, bolle vorm zit hij dan op één poot en de gesloten ogen vormen samen met de snavel een schuin-oplopende knik in het witte ‘gezicht’. Ziedaar de Droom van een uil.

Waar droomt een uil van? Van de muizen die hij gaat vangen op zijn geruisloze vlucht? Van het grote gezin dat hij gaat stichten? Van het tegenstrijdige imago dat hij heeft, dom of juist wijs?

Maar misschien is de Songe de hibou van Hans Arp ook wel ónze droom van een uil. Net als in Arps gedicht De grote vlieg, de knevel en de kleine mandoline:


Dromen lieten zich leiden door een parel. Ik hoorde de klacht van de nachtegaal. In de spiegel zag ik een giraf voorbijkomen met een muis op zijn kop. In de zomer hoorde ik in de verte het gebulder van een oorlog. De buren spraken onder mijn venster over vrede, muziek, bedden, driehoeken, dieren.

(uit: Auch das ist nur eine Wolke, 1951)

De beelden die Arp oproept met zijn sculpturen en met zijn gedichten zijn gedroomde beelden. Gedroomd door mens en uil.

Op 28 mei en 28 juni geef ik weer mijn lezing Arps Fluïdum. Informatie en reserveren: zie Agenda

Wakker worden in een droom

Op 6 maart werd in museum Beelden aan Zee de expositie Arp: A Petrified Forest geopend. In de Zuidzaal zijn 22 gipsen sculpturen opgesteld van Hans Arp en bij de ingang van de zaal nog een bronzen beeld. Ik erheen natuurlijk! Voor Arp kun je mij midden in de nacht wakker maken. En zo werkte het ook nu weer; ik werd wakker in de droom van het werk van Arp.

Het woord ‘droom’ is ingepikt door de commercie, maar bij Arp betekent droom niet het ideaal (als in ‘droomhuis’ of ‘partner van je dromen’), maar het staat voor de associatieve logica waarmee zijn kunstwerken zich ontwikkelen. Als gebeurtenissen in een droom vloeien de vormen van zijn beelden in elkaar over, er is geen voor- of achterkant aan (de meeste van) zijn werken en soms zelfs geen boven- of onderkant. Zijn sculpturen bieden vanuit elke hoek waarin je ze bekijkt weer een ander beeld, een andere associatie.

Ganymed, 1954, gips

In A Petrified Forest kun je vrij tussen de sculpturen van Arp dwalen en ervaar je hoe ze, hoewel van gips, geenszins statisch zijn. De vormen vloeien voortdurend over in nieuwe welvingen, soms zie je een vorm opeens weer terug in een andere sculptuur en je komt bijna vanzelf in een vloeiende geestestoestand, de droomwerkelijkheid, waarin alles associatief in elkaar overgaat.

Voor Arp was dit de echte werkelijkheid. Niet de lineaire, causale ontwikkeling van dingen is werkelijk, maar de associatieve samenhang en het vervloeien van de dingen; de droom.

In mijn lezing Arps Fluïdum komen veel gedichten voor waarin de dichter wakker wordt in een droom. Het gedicht Wolkenherder – dat gaat over zijn sculptuur Kaboutervorm, die verrassend vader wordt van een reus; de Wolkenherder – begint met de woorden: Bij het wakker worden vond ik op mijn beeldhouwkrukje een kleine, speelse vorm, schrander en met een buikje …

Het gedicht De grote vlieg, de knevel en de kleine mandoline is gebaseerd op zijn sculptuur Hoofd met drie onaangename voorwerpen. De eerste regels zijn: Ik werd wakker uit een diepe, droomloze slaap met onaangename voorwerpen op mijn gezicht. Sophie zei dat het een grote vlieg was, een knevel en een kleine mandoline. …

Expositie ‘Arp: A Petrified Forest’, met foto van Arp in zijn tuin, 1949, fotograaf M. Sima

Aan de wand van de expositiezaal in het museum hangt een mooie foto uit 1949 van Hans Arp in de tuin van zijn woonhuis en atelier bij Parijs. Hij staat daar tussen zijn gipsen sculpturen als in een woud van beelden. Dit woonhuis/atelier is nu het museum van de Fondation Arp, waar je vrij kunt rondlopen en kunt (ver-)dwalen tussen de gipsen en bronzen beelden van Arp. In mijn lezing laat ik u ook dwalen door die tuin, terwijl ik het gedicht voordraag Schuilplaats van dromen:


Vergankelijk tapijt
tussen de mooiste kronen.
Schuilplaats van dromen.
Pleisterplaats van dromen.

Een orang die slechts
half was
wordt wakker met zijn ontbrekende deel
met de oetan.
Klaarwakker klimt hij in een boom
en zingt: “Cacao, cacao, oh, cacao!”

Ik eindig mijn lezing met het gedicht Die große Firgelei, waarin Arp gedeeltelijk een fantasietaal gebruikt; die Firgelsprache, een lichte, etherische taal. In het gedicht zegt hij:

die schöne firgelsprache
ist das verweilen das träumen
das sinnen und überspinnen
sind himmlische traumblumenlieder
also unsichtbare wolken

Te vertalen als:

De mooie Firgeltaal
is het er zijn, het dromen,
het peinzen en mijmeren,
zijn hemelse droombloemenliederen,
onzichtbare wolken dus

Wakker worden in de droomwerkelijkheid van Hans Arp is heerlijk. Het gebeurt in het museum en bij mijn lezing Arps Fluïdum. Op 28 juni geef ik de lezing in de bibliotheek van museum Beelden aan Zee. Boek HIER de tickets.

Fragmenten

Een bekende uitspraak van Hans Arp is: ‘Ik ga met de woorden om als een kind met zijn bouwstenen. Ik betast ze en buig ze om alsof het sculpturen zijn.’ Arp boetseert als het ware met woorden, hij voegt ze samen, kneedt en buigt de woorden tot er nieuwe betekenissen ontstaan. Maar het omgekeerde gebeurt ook; hij breekt woorden in stukken en vormt uit de fragmenten weer nieuwe woorden.

Een mooi voorbeeld van dat opbreken en weer samenvoegen is te vinden in de dichtregel: Das Schnee- und Hagelwittchen fällt. Dat is te vertalen met: Het Sneeuw- en hagelwitje valt. ‘Sneeuwwitje’ wordt opengebroken en ‘sneeuw’ vormt nu een combinatie met ‘en hagel’. Dan wordt ‘-witje’ er weer aan vastgeplakt en zie je een soort vlinder (Koolwitje) voor je, die zich laat vallen.

Het gedicht (uit de bundel Der Pyramidenrock, 1924) gaat als volgt:

Das Schnee- und Hagelwittchen fällt
wie Fallsucht und von Fall zu Fall.
Es fällt weil es gefällig ist
und jedesmal mit lautem Knall.

Te vertalen met:

Het sneeuw- en hagelwitje valt
als vallende ziekte en van geval tot geval.
Het valt omdat het bevallig is
en telkens met een luide knal.

Het bevallige vlindertje valt alsof hij Fallsucht heeft; met veel energie, zou je kunnen zeggen. Hij laat zich vallen van geval tot geval (bloem naar bloem) met telkens een luide knal. Een echt Dadaïstisch gedicht.

Dat opbreken in fragmenten waaruit vervolgens weer nieuwe vormen ontstaan, doet Arp ook in beeldhouwwerken. Zijn gipsen sculpturen laten zich makkelijk verzagen en nieuwe elementen zijn vrij eenvoudig toe te voegen. Arp zegt daarover: ‘Een klein fragment van een van mijn sculpturen, waarin een ronding of een tegenstelling me aanspreekt, is vaak de kiem van een nieuw beeld. Ik versterk die ronding of die tegenstelling. Dit resulteert in nieuwe vormen.’

links: Wolkenherder, Hans Arp, 1953, foto: Ernst Scheidegger, rechts: Unesco-Entwurf, Hans Arp, 1953-1958

Zo heeft hij bijvoorbeeld in 1953 een deel van zijn sculptuur Wolkenherder afgezaagd om te onderzoeken of het een wandsculptuur kon worden voor het Unesco-gebouw in Parijs. Hij was al aan de Wolkenherder bezig, toen hij van de Unesco de opdracht voor een wandsculptuur. Hij verfde het gipsen fragment bronskleurig en hing het aan de wand van zijn atelier. Uiteindelijk koos hij voor een ander ontwerp voor het Unesco-gebouw, maar het is wel een illustratie van deze manier van werken.

In het beeld Scrutant l’horizon (De horizon afturend), een van de laatste beelden van Hans Arp, dat hij in 1965 maakte in opdracht van de Gemeente Den Haag, zie je hoe hij met afgesneden en ingesneden fragmenten van bestaande vormen weer een nieuw beeld laat ontstaan. Het verbluffende is dat als je ’s nachts om dit beeld heen loopt (zie filmpje), de uitgelichte vormen van dit beeld weer nieuwe fragmenten lijken, knoppen als het ware, waaruit opnieuw vormen kunnen groeien. Het beeld is niet statisch, het groeit!

Scrutant l’horizon, Hans Arp, 1965. Links overdag, rechts ’s nachts

Die oplichtende fragmenten in de duisternis zijn een mooie illustratie van hoe Arps werk, zijn sculpturen én zijn gedichten, voortdurend in beweging is. Uit vormen die hij heeft geschapen laat hij nieuwe vormen ontstaan. ‘Kunst is een vrucht die in mensen groeit’ zei Arp, en die groei, die beweging gaat altijd door.

Op 23 maart geef ik mijn lezing ‘Arps Fluïdum’ voor de leden van het Sculpture Network. Daarna zal ik de lezing nog een aantal malen geven gedurende de looptijd van de expositie ‘A Petrified Forest’ in museum Beelden aan Zee. Informatie en reserveren: zie Agenda

Pure nacht

De nacht, dromen, wolken, sterren, oneindigheid; het zijn begrippen die in de poëzie en de sculpturen van Hans Arp vaak opduiken. Zijn werk is ontstaan uit – en te verstaan met – de logica van dromen. In een droom vraag je je nooit af waarom gebeurtenissen elkaar opvolgen. Het is een realiteit waarin je je volstrekt vanzelfsprekend beweegt. Je volgt de stroom van gebeurtenissen.

Zo is het ook met de gedichten en beeldhouwwerken van Hans Arp. Ze ontwikkelen zich organisch, vloeiend, als een associatieve stroom. De ene vorm ontstaat uit de andere, woorden vloeien associatief voort uit andere woorden. Ze evolueren, niet lineair of vanuit een concept, maar als in een droom. Kunstenaars zijn dan ook dromers volgens Arp; ze beeldhouwen niet (of dichten, of schilderen), maar dromen. Dromen is een creatief proces.

In het gedicht Schuilplaats van dromen, dat ik in mijn lezing voordraag, staan deze prachtige regels:

De oneindigheid
daalt neer op de aarde.
De oneindigheid komt met blote voeten op deze aarde aan.

Vanuit de duiventil van de oneindigheid
vliegen de sterren uit
en nemen hun plaats in aan de hemel.
Pure nacht.

Sterren komen veel voor in het werk van Arp. In de gipsen sculptuur Dromende ster uit 1958 verenigt hij twee begrippen die belangrijk voor hem zijn: droom en ster. Dat aan-elkaar-koppelen van twee verschillende begrippen die samen weer een nieuw beeld vormen is een voorbeeld van de ‘object-spraak’ van Hans Arp. Hij plakt als het ware twee woorden aan elkaar en er ontstaat een nieuw woord én een nieuw beeld.

links: Dromende ster, gips, 1958, en rechts: Melkwegtraan, gips, 1962

Een ander kunstwerk waarin twee verschillende begrippen op een poëtische manier aan elkaar zijn gekoppeld is de gipsen sculptuur Melkwegtraan uit 1962. Dit beeld doet mij denken aan de aangrijpende, ‘stamelende’ Sophie-gedichte die Arp tussen 1943 en 1945 schrijft om de dood van zijn vrouw Sophie Taeuber te verwerken. In een van die gedichten, vol herhalingen en tastende zinnen, staan deze woorden:

Die Meere sind Blumen.
Die Wolken sind Blumen.
Die Sterne sind Blumen,
die im Himmel blühen.
Der Mond ist eine Blume.
Der Mond ist aber auch eine große Träne.

In 1939, dus nog voor deze noodlottige gebeurtenis, maakt Arp een prachtige Ster. Met één van de stralen staat deze ster een beetje scheef op een sokkel. In het midden zit een opening die, net als de stralenkrans, de indruk wekt steeds van vorm te veranderen. Deze ster twinkelt. Twintig jaar later, als Arp internationaal doorbreekt, maakt hij een grotere versie van de Ster. Met zijn typerende mengeling van ernst en humor poseert hij achter die grote Ster.

links: Ster, gips, 1939, en rechts: Arp met Ster, 1958, foto Keystone
Het graf van Hans Arp, Sophie Taeuber en Marguerite Hagenbach in Locarno

Op het graf van Arp in Locarno ten slotte staat een bronzen versie van deze dynamische Ster. Hier werd Arp in 1966 begraven en een jaar later werden de stoffelijke resten van Sophie Taeuber in dit graf bijgezet. Ook Arps tweede vrouw, Marguerite Hagenbach, ligt hier begraven. Misschien zijn zij alledrie vanuit deze duiventil van de oneindigheid uitgevlogen als sterren, om hun plaats aan te nemen aan de hemel. Pure nacht.

Op 23 maart geef ik mijn lezing ‘Arps Fluïdum’ voor de leden van het Sculpture Network. Daarna zal ik de lezing nog een aantal malen geven gedurende de looptijd van de expositie ‘A Petrified Forest’ in museum Beelden aan Zee. Informatie en reserveren: zie Agenda

Ai

 

In de Kunsthal in Rotterdam is tot en met 3 maart de expositie In Search of Humanity te zien, een overzichtstentoonstelling van het werk van Ai Weiwei. Deze Chinese kunstenaar wordt altijd een mensenrechtenactivist genoemd, maar volgens Ai Weiwei zelf is er geen onderscheid te maken tussen artist en activist; alle kunst is activistisch, volgens hem.

Nieuwsgierig, maar toch een beetje gereserveerd, ging ik naar de expositie toe. Zou zijn ‘activistische’ kunst op mij niet werken zoals World Press Photos dat vaak bij mij doen, pas als je de toelichting hebt gelezen zie je hoe schrijnend het beeld op de foto is. Maar tot mijn verrassing komt Ai’s activisme rechtstreeks binnen doordat het kunst is; het gaat over misstanden in de wereld, maar de kunstzinnige ‘vertekening’ maakt het direct toegankelijk voor het gevoel.

Tianan-mannen, 2019, lego

Zo doet de kunstenaar een briljant appel op het gevoel met kunstwerken gemaakt van legosteentjes. Ai Weiwei maakt afbeeldingen van iconische of historische gebeurtenissen na in lego. De gepixelde beelden, opgebouwd uit speelgoed dat wereldwijd bekend en geliefd is, zijn indringend en ontroerend. Bijvoorbeeld het werk Tianan-mannen (2019), een enorm wit legovlak dat met gekleurde klodders besmeurd lijkt te zijn.

Dit legokunstwerk is een weergave van de protestactie die ‘de eierwassing van Mao’ wordt genoemd. Tijdens de protesten op het Tiananmenplein in 1989 gooiden enkele studenten met verf gevulde eieren tegen het levensgrote portret van Mao. Ze werden gearresteerd. Ai Weiwei laat in dit werk alleen de verfspatten zien, uitgevoerd tot in de kleinste legosteentjes (een ‘ééntje’). De wonderlijke vermenging van kunst, speelgoed, politieke betekenis, humor en esthetiek levert een indringend kunstwerk op.

Een ander legokunstwerk dat veel indruk op mij maakte is Illumination uit 2019. Het is de uitvergroting (uitgevoerd in legosteentjes) van de selfie die Ai Weiwei maakte in de spiegel van de lift direct na zijn arrestatie in 2009. Boven zijn hoofd houdt Ai de telefoon die flitst. Achter hem staan zijn vriend Zuoxiao Zuzhou, die ook werd gearresteerd, en een politieagent. Ook hier zijn het de legosteentjes, de vrolijke kleuren van de individuele steentjes die een sterk contrast vormen met de gruwelijkheid van de situatie (Ai was net daarvoor ernstig mishandeld door de agenten). Het levert weer een indringend kunstwerk op met een diepere ‘reikwijdte’ dan als het alleen maar een foto zou zijn geweest.

Illumination, 2019, lego
Kristallen bol, 2017, Kristal, reddingsvesten

Ook Ai’s engagement met vluchtelingen geeft hij op een aangrijpende manier weer, onder andere in het kunstwerk Kristallen bol uit 2017. In een klein, druk zaaltje (er worden video’s vertoond, een grote stalen deur met enorme gaten van granaatinslagen staat tegen de wand en mensen drommen samen voor een nauwe doorgang naar de volgende zaal) ligt middenin een berg sleetse zwemvesten. Bovenop die berg ligt een enorme kristallen bol.

Tussen alle indrukken in dat propvolle zaaltje – beelden van onrecht, protest, vluchten – is die massieve kristallen bol een prachtig rustpunt. Kleine luchtbelletjes hangen glanzend in de bol als sterren aan het firmament. Er spreekt een enorm verlangen naar rust uit, of een belofte van rust. Deze compositie – de imposante, serene bol bovenop de haveloze reddingsvesten – maakt dit kunstwerk tot een ontroerend ‘activistisch’ statement.

Zwervend door deze expositie begrijp ik Ai Weiwei heel goed: “Everything is art. Everything is politics.” Kunst die je in het hart raakt is per definitie activistisch.

Platz da für die Natur da

Diegenen van u die mij al wat langer volgen weten dat ik een groot liefhebber ben van het werk van Hans Arp. Deze Frans-Duitse beeldhouwer en dichter, die leefde van 1886 tot 1966, liet een groot oeuvre na van Duitstalige en Franstalige (proza-)gedichten en een heerlijk universum van aan de natuur ontleende gipsen en bronzen sculpturen. Er is een nauwe samenhang tussen de gedichten en de sculpturen van Arp; zijn poëzie is beeldend en de beelden zijn poëtisch.

Van links naar rechts: Präadamitische Frucht, 1938, Zu den Wolken gerichtet, 1961, Freund des kleinen Fingers, 1963

Museum Beelden aan Zee ontving onlangs een schenking van 21 gipsen sculpturen van Hans Arp. Daarmee wordt van 6 maart tot 15 december 2024 een expositie opgezet in de Zuidzaal van het museum. A Petrified Forest is de titel van deze expositie, waarin het accent zal liggen op de inspiratie die Arp uit de natuur haalde. Ik ga binnenkort met het museum in gesprek over de mogelijkheid om bij deze expositie een Arplezing te geven. Ik zal dan zeker zijn poëzie weer laten klinken; de geestige, vernieuwende (Arp was in 1916 in Zürich een van de oprichters van het Dadaïsme) en ontroerende gedichten die zo mooi samengaan met zijn beeldhouwwerken.

In 1932 verwoordde Arp zijn verbondenheid met de natuur èn zijn Dadaïstische ideeën over de kunst in de gedichtenreeks Strassburgkonfiguration. Het eerste gedicht gaat aldus:

Stele oder torso, Hans Arp, gips, 1961

ich bin in der natur geboren. ich bin in straßburg geboren. ich bin in einer wolke geboren. ich bin in einer pumpe geboren. ich bin in einem rock geboren.
ich habe vier naturen. ich habe zwei dinge. ich habe fünf sinne. sinn ist ein unding. natur ist unsinn. platz da für die natur da. die natur ist ein weißer adler. platz dada für die natur dada.
ich modelliere mir ein buch mit fünf knöpfen. die kunsthauerei ist der schwarze blödsinn.
dada ist in zürich geboren. zieht man straßburg von zürich ab so bleibt 1916.

Vrij vertaald:

ik ben in de natuur geboren. ik ben in straatsburg geboren. ik ben in een wolk geboren. ik ben in een pomp geboren. ik ben in een rok geboren.
ik heb vier naturen. ik heb twee dingen. ik heb vijf zintuigen. zin is een onding. natuur is onzin. maak plaats voor de natuur. de natuur is een witte adelaar. maak dadaplaats voor de natuur.
ik modelleer voor mezelf een boek met vijf knopen. De beeldhouwkunst is de zwarte waanzin.
dada is in zürich geboren. trek je straatsburg van zürich af dan blijft 1916 over.  

Er zitten heel veel associaties en klankgrappen in dit gedicht. Sinn, het Duitse woord voor ‘zintuig’, komt even later terug in unsinn. Arp was als Dadaïst fel gekant tegen het idee dat kunst zin moest hebben. Kunst heeft volgens hem net zo min zin als de natuur. En dus: platz da für die natur da. Ruim baan voor de natuur.

En met dat prachtige klankbeeld platz da für die natur da speelt Arp dan weer en maakt er platz dada für die natur dada van. De (klassieke) kunstzinnige beeldhouwkunst is zwarte waanzin. De natuur – de ware bron van inspiratie – is een witte adelaar. Maak plaats. Maak dadaplaats!

Ik houd u op de hoogte van de lezing via mijn blogs en mijn Nieuwsbrief.

Afbeelding boven dit artikel: Freund des kleinen Fingers, Hans Arp, 1963, gips, 

Oud en nieuw

Vorige week was ik een paar dagen in Antwerpen. Een groot deel van de tijd heb ik doorgebracht in het pas gerestaureerde Koninklijk Museum voor Schone Kunsten. Elf jaar lang is dit museum gesloten geweest vanwege een ingrijpende verbouwing en het resultaat is verbluffend. Het museum is niet uitgebreid, maar ‘ingebreid’ door in de binnenplaatsen van het oude, pompeuze fin-de-siècle gebouw kraakheldere, witte nieuwbouw te plaatsen die als het ware van bovenaf in de oude vorm is gegoten.

Aanbidding door de koningen, Peter Paul Rubens, 1624-1625
Canapé van dromedarissen in de Rubenszaal

De oude meesters zijn gehuisvest in het oude gebouw, de moderne meesters in de nieuwbouw. Het is een genot om rond te dwalen door het museum, want de kunstwerken zijn op een ongekend klantvriendelijke manier opgesteld. Ten eerste is er rust; er is een goed getimede regelmaat van topstukken in zalen met gedempte achtergrondkleuren. Er is humor; in sommige zalen staan grappige objecten die zijn ontleend aan een van de schilderijen. Zo staat in de Rubenszaal met het overdonderende schilderij Aanbidding door de koningen een draaimolenachtige canapé van twee dromedarissen waarop de bezoeker (zonder schoenen!) zich kan neervlijen.

Maar het meest spectaculair is de terloopse manier waarop oude en nieuwe werken naast elkaar zijn geplaatst. In de zaal met het thema ‘Lijden’ staat tussen de middeleeuwse schilderijen van kruisigingen opeens een indringend beeld van Berlinde de Bruyckere: Schmerzensmann I, uit 2006. De ‘oude’ beelden van lijden en smart, maar ook het beeld van De Bruyckere zelf worden hierdoor heel actueel.

links: Calvarie, Antonello da Messina, 1475, rechts: Schmerzensmann I, Berlinde de Bruyckere, 2006

In de zaal ‘Portretten’ valt er door deze ingreep wat te lachen en tegelijkertijd geeft het verdieping. Naast het plechtstatige Portret van een predikant, geschilderd door Rembrandt in 1637, hangt De mandril van Oscar Kokoschka uit 1926. Een woest en veelkleurig schilderij van een dier naast een stemmige dominee, maar het wérkt! Beide figuren zijn heel ‘aanwezig’ en ze lijken zelfs op elkaar. Het samenvoegen van deze schilderijen beïnvloedt je manier van kijken; je ziet en voelt de overeenkomsten en de verschillen beter en je ervaart elk kunstwerk veel intensiever.

links: De mandril, Oskar Kokoschka, 1926, rechts: Portret van een predikant, Rembrandt, 1637

Bij de moderne meesters gebeurt iets dergelijks in de helder witte omgeving van de zaal ‘Kleur’. In het schilderij De roze strikken van Paul Delvaux uit 1937 dwalen enkele grootogige, naakte dames, sommige getooid in roze strikken, door een desolaat landschap. Naast dit schilderij hangt een middeleeuwse Madonna van Dieric Bouts. Het is verbluffend hoe de kleurschakeringen van Maria’s mantel corresponderen met die van de strikken in het schilderij van Delvaux. Maar wat me echt van mijn sokken blies was de bijna een-op-een gelijkenis tussen de vrouw op de achtergrond bij Delvaux en Bouts’ Madonna.

links: De roze strikken, Paul Delvaux, 1937, rechts: Madonna, Dieric Bouts, 1470-1500. Rechterzijde van afbeelding: vergelijking figuur van Delvaux met Madonna

Zo wordt je manier van kijken in dit museum keer op keer verdiept door de verrassende en speelse samenvoeging van oud en nieuw. En je ziet hoe Oud en Nieuw elkaar verrijken. Ik wens dat dat ook voor u en voor mij geldt in het komende jaar. Dat wat er gebeurd en ontstaan is in het Oude jaar een positieve en verrijkende uitwerking heeft op wat er staat te gebeuren in het Nieuwe jaar.

Ik wens u een goed Oud en Nieuw in 2024.

Een soort kerstverhaal

 

Wat maakt de dieren van Tom Claassen in museum Beelden aan Zee zo aansprekend? Dat is wat mij betreft hun autonomie. Ze zijn niet aaibaar of knuffelbaar, zoals dieren vaak worden afgebeeld. Maar ze gaan volstrekt hun eigen gang, of we nou naar ze kijken of niet. Zoals dieren doen.

Tom Claassen houdt naar eigen zeggen niet van dieren, anders zouden zijn beelden sentimenteel worden. Zijn dieren zijn verre van dat, ze hebben eerder iets eigenzinnigs, op het nurkse af, en zitten vaak slordig in hun vel. Ze hebben duidelijk een eigen leven, waarin jij als bezoeker maar een toevallige passant bent.

Ezel, 2012, gietijzer

Toch zijn ze heel benaderbaar, misschien omdat ze zulke herkenbare, menselijke trekken hebben. De Ezel staat met gebogen kop stevig met zijn poten op een sokkel. Zijn lichaam zit vol bulten en blutsen; hij heeft al heel wat meegemaakt. Daarin doet hij denken aan de levenswijze/levensmoede ezel Eeyore uit Winnie de Poeh. Dit altijd mopperende dier, nooit verlegen om een sombere wisecrack (‘Het kan erger. Ik weet niet precies hoe, maar het kan.’) is ook danig door het leven getekend.

Een van Eeyore’s ‘vrienden’ is Rabbit; een druk en betweterig konijn. ‘Geef Rabbit de tijd en hij komt altijd met het antwoord’, aldus Eeyore. In museum Beelden aan Zee loopt ook zo’n konijn rond, genaamd Jo. Dit bronzen konijn volgt zijn eigen route en staat overal met zijn neus bovenop. Voor Claassen is dit konijn een verbeelding van ‘bemoeizuchtige mannetjesachtige nieuwsgierigheid’ en hij noemde het naar zijn vader.

Daarnaast zijn er nog de talloze witte konijnen, min of meer het handelsmerk van Tom Claassen. Deze konijnen, die met gespitste oren op hun achterpoten zitten, zijn niet zo betweterig als Jo, maar ze zijn wel overal aanwezig; op de binnenplaats, in het museum zelf en op de affiches en merchandise van deze expositie. De rugnummers geven aan dat er heel veel van zijn.

Naar beneden kijkend konijn en Liggend konijn, 2002, polyurethaan met laklaag

Een van die witte konijnen ligt op zijn buik op een rode ponton. Hij kijkt over de rand naar beneden waar een klein gouden konijntje stralend op een kussen ligt. Dat roept een soort kerstverhaal op. Het bronzen konijn Jo, het dier met de meest menselijke trekken, heeft witte, kunststoffen geestverwanten die overal door de zaal ‘zweven’. Een van die witte konijnen kijkt ‘van alzo hoge’ neer op een pasgeboren, gouden konijn in de armoedige omgeving van een afgebladderde ponton. Het lijkt wel een kerststal.

Model voor zittende Buffel, 2010

De Ezel, vaste bewoner van de kerststal, is ook van de partij en de reusachtige, staande Buffel is de os. Of misschien past de Buffel die als model in de Gipsotheek te bewonderen is nog wel beter bij deze kerststal. Deze ‘os’ is erbij gaan zitten. Een echte kerststal-attitude; hij neemt de tijd om alles te bewonderen.

Een kerstverhaal met de dieren van Tom Claassen? Waarom niet? De autonome, levendige dieren van deze kunstenaar nodigen je uit om je eigen verhaal te maken. Van Olifant tot Kleine Muis, van Yp, het Ypenburgse vogeltje, tot de fantasievogel Kleine Hark, de dieren van Tom Claassen leveren fantastische verhalen op.

Ik wens u en uw dier-baren fijne kerstdagen.

Jutten!

Wie dezer dagen naar museum Beelden aan Zee gaat, waant zich aan het strand. In de grote, zandkleurige ruimte liggen her en der objecten die lijken te zijn aangespoeld. Er staan hoge torens van gestapelde pallets en in het zandtapijt op de vloer zijn dierkoppen te zien. De expositie Tom Claassen geeft je een juttersgevoel; je zwerft rond tussen wonderlijke figuren die door de zee op het strand zijn geworpen.

Het begint al met de manshoge blauwe pontons die de toegang tot ‘het strand’ blokkeren. Als je er tussendoor loopt ervaar je het gevoel van beschutting zoals je dat ook in de duinen kunt hebben; voor je ligt de open vlakte van het strand, met allerlei spannende voorwerpen. De pontons lijken willekeurig te zijn neergesmeten, maar als je de trapjes beklimt naar het uitzichtpunt, zie je dat het een menselijke figuur is die uitgestrekt op de grond ligt. De blauwe blokken vormen het lichaam en de gele boei is het hoofd. Deze reus is Gulliver, aangespoeld op het strand van de wonderlijke wezens.

Gulliver en dieren vanaf het uitzichtpunt op de expositie ‘Tom Claassen’ in museum Beelden aan Zee

Gulliver heeft het nieuwsgierige konijn Jo aan zijn zijde. Een wijsneuzig en tikje eenzelvig konijn, dat, staand op zijn achterpoten, op verschillende plaatsen op de expositie opduikt en zo zijn eigen gedachten heeft over wat er allemaal te zien is. Tussen het hoofd en de schouder van Gulliver scharrelt een Kleine Muis, die elders op de expositie in een grotere gedaante is te zien, samen met een Big. De dieren zijn van brons, maar hun lichaam is opgebouwd uit boomstammetjes.

Palletmannen, 2023, houten pallets

De stapels pallets blijken Palletmannen te zijn; reuzen zoals Gulliver die hoog boven de dieren uitsteken. Een van de Palletmannen is tegen een muur gaan zitten, een been opgetrokken en het andere been ontspannen voor zich uit. De dieren laten zich niet van de wijs brengen door de aanwezigheid van de reuzen om hen heen. Een glanzend witte Pony staat met gebogen kop rustig ponywisete peinzen naast Gulliver, net als de Ezel even verderop. Dit laatste dier, hoewel van gietijzer, ziet er met zijn gewelfde vormen en vele blutsen en deuken doorleefd uit.

Man van Taal naast de staande Buffel, 2010, polyester

Een dier dat zich qua statuur met de reuzen kan meten is de enorme waterbuffel. Staand op zijn achterpoten torent deze reusachtige Buffel boven de bezoeker uit, terwijl een tweede Buffel zich op de vloer heeft neergevlijd. Het zwarte polyester van de dieren hangt in plooien om hun lichaam, waardoor ze, ondanks hun formaat, toch heel benaderbaar zijn, als goedmoedige, slordige ooms op een verjaardagspartijtje.

Je wandelt in de zaal van de ene verrassing naar de andere. Een zandtapijt op de vloer blijkt een collage te zijn van leeuwenhuiden; koppen, poten en staarten steken uit in het midden en aan de rand van dit Zandleeuwentapijt. Tom Claassens bekende zittende konijnen (Zonder titel) van glanzend polyester met ‘broeken’ in verschillende kleuren zitten op een rijtje. Hun bolle vormen, de heldere kleuren en de rugnummers roepen associaties op met ballen op een pooltable.

Zonder titel (konijn), 2003, polyester

Op een sokkel staat een zwarte, glimmende Mol met een fantastische schroefstaart. Hetzelfde beest vind je als model in de gipsotheek, waar je nog mooier de gedraaide lijnen in zijn lijf kunt zien.  En in een afgelegen hoekje van de museumzaal treffen we konijn Jo weer aan, die eigenwijs naar buiten staat te staren, waar twee morsige mussen (Toon en Toon) op hoopjes grind in de patio zitten.

Jo (Staand konijn) 2020, brons, kijkt naar buiten

Stap het museum binnen en je kunt gaan strandjutten naar de prachtige dieren van Tom Claassen.

Afbeelding boven dit blog: Big, 2003, brons

Het regent en het is november

Het regent en het is november:
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.

En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.

De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove errinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.

Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.

Over dit prachtige gedicht November van J.C. Bloem heb ik al eerder een blog geschreven. Daarin legde ik de nadruk op de ‘vierslag’ aan het einde van het gedicht; het vier keer herhalen van het woord ‘altijd’. De stijlfiguur drieslag staat voor volledigheid (bijvoorbeeld: ‘te land, ter zee en in de lucht’), het vormt een driehoek met een punt. Maar een viervoudige herhaling staat voor geslotenheid, het is een omheind vierkant. Het lege hart is hier aan vier kanten ingesloten door ‘altijd’.

Ik ken dit gedicht uit het hoofd en reciteerde het de afgelopen dagen veelvuldig voor mezelf, terwijl de regen tegen de ramen kletterde en een ongekleurd namiddaglicht in de kamer hing. En, hoe deprimerend de sfeer ook is die in het gedicht wordt beschreven, toch ontroert het me en geeft het troost. En dat komt misschien wel door de klank en het metrum van die laatste twee regels.

Het is als een ontroerend stuk muziek; op papier gebeurt er niets, maar als je de klanken voortbrengt, de noten in hun samenhang laat klinken, gaan ze werken. Zo ook bij dit gedicht. Ik begrijp de betekenis van de woorden, maar als ik de dichtregels hóór, gaat er een troostend gevoel van uit. Een gevoel dat sterkt.

Er gebeurt in deze grauwe november-maand een hoop dat me somber stemt. De verschrikkelijke oorlogsbeelden, de polarisatie in de samenleving, de schijnbaar onbeheersbare klimaatproblemen, het vraagt veel veerkracht om daar niet blijvend somber van te worden.

De melancholie die dit gedicht bij me oproept is een krachtig gevoel. Het biedt geen oplossing, maar het brengt me bij de kern; het hart. In mijn vorige blog Deutschland im Herbst heb ik ook al geschreven over de ´heilzame´ werking van de melancholie. Het is een sterke impuls om bij jezelf te rade te gaan.

Door de tranen van de melancholie spoelt de opsmuk weg en beland je bij de kern, een hart dat misschien leeg is, maar dat weer gevuld kan worden. November biedt geen oplossing voor de somberheid, maar als je het gedicht hardop uitspreekt, raakt het je in je hart. Dat is de kracht van de melancholie.