De nerven van de winter

Het begint eindelijk een beetje winter te worden. De dagen worden korter, de avonden langer. Af en toe moet je ’s ochtends de handschoenen al weer aan op de fiets. De bomen verliezen steeds meer blad en tekenen zich met hun kale takken scherp af tegen de winterlucht. In Museum Voorlinden staat de ideale expositie voor dit jaargetijde: de overzichtstentoonstelling van Giuseppe Penone.

Net als de winter brengt deze kunstenaar je terug bij de kern. Voor het kunstwerk Ripertere il bosco (Het bos herhalen) bewerkt Penone enorme boomstammen. Jaarring na jaarring pelt hij de boomstam af, maar binnenin laat hij een kern zitten. Die kern ziet eruit als een stam waaruit takken ontspringen. Vervolgens zaagt hij deze smalle stam doormidden en zet de twee helften rechtop.

Giuseppe Penone aan het werk voor ‘Ripertere il bosco’, beeld uit de documentaire ‘Penone in de Rijksmuseumtuinen’, 2016
Ripertere il bosco, 1969-2022, cederhout, Douglas sparrenhout, sparrenhout

In Voorlinden staat nu een bos van zes bomen, die groeien uit vierkante sokkels. De sokkels zijn de uiteinden (boven en onder) van de oorspronkelijke boomstam, die Penone in de vorm van een vierkante balk heeft gezaagd. In deze sokkels zie je de takken van de ‘kernboom’ terug, maar nu zoals we ze vaak zien in afgezaagde oppervlakten; het zijn de knoesten in het hout.

In een ander kunstwerk, Spazio di luce (Ruimte van licht), heeft de Penone juist alleen de buitenkant van de boom behouden. Als een veelpotig, geleed dier staat daar een holle, omgevallen boom op zijn takken. De buitenkant is donker brons, de binnenzijde stralend goud. De stam is in acht stukken gezaagd; de ‘geledingen’ van het dier. Via de zaagvlakken en door gaten in de schors zie je de schitterende binnenkant. De kern is hier het stralende licht.

De holle boom fungeert ook als een soort telescoop die focust op de wandtekening Propagazione (Voortplanting). Op de muur is met viltstift een patroon getekend van grillige concentrische cirkels, die doen denken aan jaarringen. Het zijn echter de uitvergrote en geëxtrapoleerde lijnen van de vingerafdruk van Penone. Zijn ‘kern’ valt samen met die van een boom.

links: Spazio di luce, 2008, brons, goud en rechts: Propagazione, 1994-2022, inkt op papier, viltstift op muur

Het meest fysieke kunstwerk van Penone is Sculture di linfa (Lymfe sculpturen). Om dit kunstwerk goed te ervaren moet je je schoenen uittrekken. Dan loop je op kousenvoeten over marmeren tegels waarvan de aders voelbaar zijn gemaakt. Penone heeft het witte marmer om de zwarte aders weggehakt en daarmee de natuurlijke structuren van het gesteente blootgelegd. In de ribbels onder je voeten voel je de kern van het marmer in al zijn fijne vertakkingen.

Rondom in de zaal hangen aan de wanden gelooide koeienhuiden die op boomstammen zijn gedroogd. De afdruk van de schors is in het leer achtergebleven. De grillige plooien maken als het ware de fijne aderstructuur zichtbaar die je onder je voeten voelt. Of andersom. Je voelt wat je ziet en je ziet wat je voelt: een kern die zich in een eindeloos netwerk van fijne nerven vertakt.

Sculture di linfa, 2005-2007, leer, hars, wit Carraramarmer, larikshout

De winter legt de kern van bomen bloot; het leven dat zich in de takken in steeds fijnere ‘nerven’ splitst. Giuseppe Penone laat je die fijnvertakte kern aan den lijve ervaren.

De frames van Trenkwalder

Op de expositie Tuin der Lusten in museum Beelden aan Zee zijn behalve de grote sculpturen van de Oostenrijkse kunstenaar Elmar Trenkwalder ook prachtige keramieken ‘schilderijlijsten’ te zien. Deze kunstwerken hebben de toevoeging ‘B’ aan de titel met WVZ (Werkverzeichnis), omdat achter de weelderige lijsten een getekende afbeelding zichtbaar wordt. De lijsten vormen één organisch geheel met de afbeeldingen; het frame versterkt als het ware de afbeelding en leidt je het kunstwerk binnen. Een mooie vorm van framing.

WVZ 131 -B, Elmar Trenkwalder, 2021

U kent misschien het begrip framing uit de debatwereld. Het houdt in dat je je woorden zodanig kiest dat je het gevoel/de gevoeligheden van je gehoor in een bepaalde richting stuurt. Een boeiend verschijnsel voor mij als Man van Taal. Politici zijn zeer bedreven in het gebruiken van frames om hun electoraat (nog sterker) aan zich te binden. Dat kan op een positieve of op een negatieve manier.

Onder populisten is het gebruik van het woord ‘weer’, in de zin van ‘opnieuw’, heel courant. Overal in Europa horen we hoe oude waarden weer hersteld zullen worden. De Brexit-campagne kwam pas goed op gang toen de slogan Take back control werd gelanceerd: Neem de controle weer over. En we zien nog dagelijks hoe krachtig Make America great again werkt.

Er zijn ook voorbeelden van positieve framing. In de Trouw-rubriek Framing laat debatspecialist Hans de Bruijn regelmatig positieve frames zien, die niet gebaseerd zijn op rancune, maar op hoop. Zo citeert hij Barack Obama die in een debat met een rechtse Republikein het recht op sociale zekerheid verdedigt. Mensen hebben keihard gewerkt voor sociale zekerheid, zegt Obama. Hiermee haalt hij het beeld van de luie uitkeringstrekker onderuit.

Een frame is dus een kader voor je woorden waarmee je de ontvanger een bepaalde kant opstuurt. Ook bij schilderijlijsten zou je kunnen spreken van een zekere sturing. Er opent zich een venster naar een andere wereld. Zware, barokke lijsten zijn vaak bedoeld om de importantie van de geportretteerde of de afbeelding te benadrukken. Dat schept afstand.

Bij Trenkwalder overbrúggen de barokke vormen juist de afstand. Met humor en speelsheid leidt de lijst je de afbeelding binnen. Via de sensuele barokke vormen betreed je de ruimte ‘achter’ het frame; een lichte ruimte met mooie vergezichten.

Sommige van Trenkwalders tekeningen lijken geïdealiseerde barokke tuinen, met strakke symmetrische paden. Maar er zijn ook interieurs te zien met hoge gotische bogen die een sterke perspectivische werking hebben. De tekeningen doen denken aan de achtergronden van oude religieuze schilderijen waar zich achter de tronende Madonna of de Annunciatie-scene een sereen en ruimtelijk landschap of kerkinterieur ontvouwt.

WVZ 132 -B, Elmar Trenkwalder, 2012

De mooiste ‘lijst’ is voor mij WVZ 132 -B. Een architectonische vorm als een altaarstuk met drie bogen. In de bovenste boog is een tekening van een gesluierd gezicht te zien. In de linker en rechter boog zijn sierlijke symmetrische krullen getekend. Onderin zitten drie keramieken poortjes, waarvan het middelste een klein trapje heeft. Achter die poortjes zien we in ijle potloodlijnen een prachtig perspectief naar een lichte horizon.

WVZ 132 -B, detail van de poortjes en de linkerhand, Elmar Trenkwalder, 2012

Maar wat mij aan deze lijst het meest treft zijn de gespreide keramieken handjes, die links en rechts zich openen vanuit een pofmouw met een grappig gezichtje. Een fantastisch gebaar waarmee ik liefdevol word uitgenodigd het perspectief te betreden. Zo werken de frames van Trenkwalder; ze bieden hoop.

 

Scrutant

In het Kunstmuseum Den Haag is een kleine tentoonstelling ingericht rond het beeld Scrutant l’horizon (De horizon afturend) van Hans Arp uit 1965. Dit beeld van 4.40 meter staat sinds september 1966 aan de rand van Mariahoeve en kijkt uit over de weilanden van het landgoed Marlot. Arp heeft de plaatsing van het beeld nooit meegemaakt; hij overleed in juni 1966 in Zwitserland. Scrutant l’horizon was zijn laatste beeld.

Scrutant l’horizon als rustpunt. Foto: Haags Gemeentearchief

Hans Arp maakte dit beeld in opdracht van de Gemeente Den Haag. Hij bezocht van tevoren de locatie en kwam zo waarschijnlijk tot deze vorm en deze titel. Het ‘uitzicht’ van het beeld is een van de mooiste uitzichten van Den Haag. Waar de flats van Mariahoeve stoppen, strekken zich de weilanden uit, afgezoomd met de lommerrijke paden van het landgoed Marlot. Op de expositie in het Kunstmuseum hangen mooie foto’s uit de zeventiger jaren die de idylle van kunst als rustpunt in een moderne wijk uitstralen.

Ook zijn er foto’s van de grote overzichtsexpositie van Arps werk die het museum een jaar na zijn overlijden organiseerde. Opmerkelijk is een artikel over een speciale rondleiding voor blinden op deze tentoonstelling in 1967. Uiteraard mochten deze bezoekers met hun handen kijken, iets wat eigenlijk elke bezoeker van Arp-sculpturen zou moeten mogen. Pas dan ervaar je hoe zijn vormen zich ‘onder je handen’ ontwikkelen.

Gipsen maquette en bronzen afgietsel van Scrutant l’horizon, 1970, coll. Haags Kunstmuseum

Het museum verwierf in de zestiger jaren de gipsen maquette van Scrutant l’horizon, ongeveer een meter hoog. In 1970 heeft het museum, op verzoek van de weduwe van Arp, er drie bronzen afgietsels van laten maken. Twee daarvan staan nu met de gipsen maquette in het museum. Het is boeiend om deze beelden van alle kanten te bekijken. Je ervaart nu in één oogopslag hoe beweeglijk het beeld is; elke kijkrichting geeft weer een nieuw perspectief.

Behalve Scrutant zijn er op de expositie nog een paar andere werken van Arp uit de collectie van het Kunstmuseum tentoongesteld. Heel verrassend is het vilten kunstwerk Variable Bild uit 1964. Op een zwart doek ligt een aantal witte vilten vormen met typisch Arpiaanse rondingen. Het idee was dat de kijker zélf met deze witte vormen een compositie kon maken op de zwarte ondergrond. Wow! Arp maakt het kind in ons weer wakker; je kunt spelen met vilten opplakfiguren. Helaas zit de uitnodiging om kind te worden achter museaal glas.

Variable Bild, vilt, Hans Arp, 1964

Hans Arp, het laatste werk is een leuke kleine expositie in het Kunstmuseum. Je ervaart Arps Scrutant l’horizon op een andere manier, er hangen een paar mooie gedichten van zijn hand en je wordt verrast, onder andere door zijn Variable Bild en zijn Sterretje (goed zoeken!). Je wordt weer een beetje een kind dat speelt met de wereld om zich heen. Net als Arp: ‘Ik ga met de woorden om als een kind met zijn bouwstenen. Ik betast ze en buig ze om, alsof het sculpturen zijn.’

Op 15 december geef ik in Den Haag mijn lezing Hans Jean Arp – dromen, beelden, gedichten. Zie: Agenda

 

Hoe zit het?

Daags na mijn lezing Rembrandts Handen in het Theater van Villa Ockenburgh ging ik naar het Mauritshuis om de handen van de meester zelf te zien in de expositie Manhattan Masters. In deze expositie met topstukken uit de New Yorkse Frick Collection bevindt zich een zelfportret van Rembrandt waarin hij ook zijn handen heeft afgebeeld, iets wat hij niet vaak deed in zijn zelfportretten. Overigens was dit ook de dag na de aanslag door klimaatactivisten op Vermeers Meisje met de parel, het gezicht van het Mauritshuis, maar daarover schrijf ik in een later blog meer.

Zelfportret, 1658, The Frick Collection, New York

Rembrandts zelfportret uit de Frick Collection is een groot doek, 1.34 bij 1.03 m, daterend uit 1658. Dit was een moeilijk jaar voor Rembrandt; hij was bankroet en moest zijn mooie huis in de Sint Anthonisbreestraat verkopen plus een groot deel van zijn bezittingen. Met Titus, Hendrickje en hun dochter Cornelia verhuisde hij naar een kleine woning in de Jordaan. Maar ondanks, of juist omwille van, deze ellende beeldt Rembrandt zichzelf pontificaal af, in een gouden gewaad breeduit gezeten op een troon.

Maar zít hij wel? In het halfduister van de zaal is er iets vreemds aan de hand met de stoel waarin Rembrandt zit. Onder zijn linkerhand, die losjes een schilderstok vasthoudt, is de linkerarmleuning van een stoel te zien. De rechterhand ligt over een vreemde krul heen, die zeker niet parallel loopt aan de linkerarmleuning. Waarschijnlijk is het een plooi van de mantel die hij heeft omgeslagen. Die plooi zou dan over de rechterarmleuning heen liggen.

Details van rechter- en linkerhand uit Zelfportret, 1658

En hoe zit het met die rechterhand? Rembrandt schilderde met rechts en voor zelfportretten keek hij in de spiegel. Dan is rechts dus links. Zou dit verklaren waarom de geschilderde rechterhand zo veel krachtiger is afgebeeld dan de geschilderde linkerhand? Hij moest natuurlijk telkens opstaan of in ieder geval gaan verzitten om van de spiegel naar het doek te bewegen. Links kon hij zijn hand dan misschien nog wel fixeren, maar rechts was de hand voortdurend in beweging.

De mouw van de geschilderde rechterhand (dus eigenlijk de linkerhand) is met prachtige, geprononceerde verfstreken geschilderd en de handrug met glanzende knokkels springt er duidelijk uit. Rembrandt laat zichzelf hier zien als iemand die de situatie volledig in de hand heeft.

In 1665 schildert Rembrandt een ander zelfportret waarin hij zijn hand ‘afbeeldt’. Het is wat mij betreft een eerlijker zelfportret. Het is het beroemde Zelfportret met twee cirkels. In dit schilderij is Rembrandt minder beeldvullend en zijn kostuum is wat eenvoudiger. Maar het opmerkelijkste verschil zit in de handen. De rechterhand is nu onzichtbaar en de linkerhand, die het palet, penselen en de schilderstok vasthoudt, is een blur.

Zelfportret met twee cirkels, 1665 met re. detail van linkerhand. Kenwood House, Londen

Rembrandt laat hier niet meer zien dat hij alles in de hand heeft. En in zijn persoonlijk leven is dat ook zo; zijn tweede grote liefde, Hendrickje Stoffels, is twee jaar voor dit schilderij overleden en hij is zijn aanzien als schilder kwijt. Maar in de ‘bewogen’ linkerhand met schildersattributen kun je zien dat hij een nog sterke drift heeft om te schilderen. Er zullen ook nog prachtige schilderijen uit zijn handen komen, zoals De Joodse bruid, De verloren zoon en De lofzang van Simeon. Schilderijen waarover ik vertel in mijn lezing Rembrandts Handen.

Op 7 november geef ik in Zwolle mijn lezing over een andere kunstenaar die mij enorm inspireert:  Hans Jean Arp – dromen, beelden gedichten. Informatie en reserveren: zie Agenda

 

 

 

Im Trenkwald

Hoera! Museum Beelden aan Zee is weer een museum. Na maanden een catwalk te zijn geweest waar de creaties van Mart Visser te bewonderen waren, staat er nu weer een expositie die je omarmt, een expositie die je verbeelding op gang helpt: Tuin der Lusten van de Oostenrijkse kunstenaar Elmar Trenkwalder.

De Grote zaal van het museum heeft weer de luister van een grote zaal waar je vrij kunt ronddwalen tussen en door de fantastische keramieken sculpturen en installaties van Trenkwalder. Zijn kunstwerken hebben geen namen, dat zou de kijkervaring maar te veel beïnvloeden. Net zoals bij Bach de composities genummerd zijn volgens de BWV (= Bach-Werke-Verzeichnis) hebben de barokke beelden van Elmar Trenkwalder een WVZ (= Werkverzeichnis).

Pièce de résistance van de expositie is WVZ 360 -S, een fascinerende, mosgroene beeldengroep uit 2021/2022 in het centrum van de grote zaal. Deze sculptuur is een weelderig ‘parcours’ van zuilen en bogen, vol krullen en spiralen, met natuurlijke vormen als van slingerende planten of schelpen en met menselijke elementen als gezichten, putti en/of figuren uit Aziatische tempels die versmelten met de architectonische en natuurlijke vormen.

WVZ 360 -S, Elmar Trenkwalder, 2021-22

Door dit prachtige universum, bedekt in een sensuele, glanzende laag van groen/blauw glazuur, kan de bezoeker fysiek dwalen én zijn blik laten dwalen langs de ontelbare details en de betoverende vormen. Onverwachte doorkijkjes geven een heel nieuwe beleving. Barokke architectonische elementen bloeien op in de natuurlijke vormen. Handen en gezichten doemen op uit het groen. Het kunstwerk omarmt je, het streelt je en daagt je uit om te blijven kijken en nieuwe aspecten te ontdekken.

In de zaal staan nog meer keramieken sculpturen, die allemaal dateren van voor 2021. Hier zie je dat Trenkwalder oorspronkelijk modulair werkte. Met eindeloze variaties herhaalde hij bepaalde vormen en bouwde zo grote sculpturen die doen denken aan interieurstukken uit de paleizen of kerken van de Barok en de Gothiek. Zo staat er een goudkleurige ‘wand’ van opengewerkte en rijkelijk versierde bogen, WVZ 221 -S, een kunstwerk dat associaties oproept met koorhekken uit grote kathedralen.

WVZ 221 -S, Elmar Trenkwalder, 2009

Er is de prachtige installatie WVZ 203 -S, een flessengroene wand met daarvoor vijf zuilen met een diep roodbruine kleur. Het wemelt van de versierselen en decoratieve details. Veel vormen roepen associaties op met geslachtsdelen. Hierin zou je een heel ‘Oostenrijks’ aspect kunnen zien; in lijn met zijn illustere landgenoten als de psychoanalyticus Freud, de toneelschrijver Schnitzler en de hedendaagse filmmaker Michael Haneke, lijkt Trenkwalder in zijn werk de kracht van seksuele driften in het leven te erkennen.

WVZ 203 -S, Elmar Trenkwalder, 2007
WVZ 206 -S, Elmar Trenkwalder, 2008

In de grote witte ‘ijstaart’ WVZ 206 -S zou je zelfs seksuele standjes kunnen zien. Of misschien zien we ook wel iemand die haar behoefte doet. Net zoals in de Tuin der Lusten en de andere werken van Jeroen Bosch zijn alle geneugten van het onderlichaam ruim vertegenwoordigd ‘Im Trenkwald’. In volstrekte harmonie met de hogere geneugten van heiligen en goden.

Ga deze prachtige expositie bezoeken. Het oog en het gemoed worden er getrakteerd op een weelde aan figuren en motieven die je met levensvreugde vervullen. De kunst van Elmar Trenkwalder gaat over mij, over ons, het gaat over de condition humaine.

Op 27 oktober geef ik mijn lezing Rembrandts Handen, over ‘onze’ grote barokkunstenaar. De lezing zoomt in op de taal van de handen in Rembrandts werk. De emoties die spreken uit de handgebaren van de figuren in zijn schilderijen en tekeningen zijn heel herkenbaar. Informatie en reserveren: zie Agenda

Cesuur

Na mijn lezing over Hans Arp richt ik mij nu weer op Rembrandt. Op 27 oktober geef ik in Den Haag de lezing Rembrandts Handen, over de taal van de handen in Rembrandts werk. Beide kunstenaars hebben in het midden van hun carrière een dramatische gebeurtenis meegemaakt die een cesuur vormde in hun werk; ze verloren allebei hun partner. Als ze na een periode van rouw hun werk weer oppakken, zie je hoe dit verlies tot een nieuwe attitude heeft geleid.

Sophie Taeuber, 1914

Hans Arp verliest zijn vrouw, beeldend kunstenaar Sophie Taeuber, door een tragisch ongeval; ze overlijdt in januari 1943 door een koolmonoxidevergiftiging. Na de dood van Sophie stort Hans Arp volledig in. Ze was zijn maatje, een kunstzinnige duizendpoot; ze werkte met textiel (vernieuwend voor die tijd), ze kon houtbewerken, ze tekende, fotografeerde, beeldhouwde, was architect en Ausdruckstänzerin. Maar ze was vooral zijn strijdmakker, zijn geestverwant die samen met hem vocht voor een nieuwe kunst en die daarin vaak een voorbeeld was door haar pragmatische aard.

Arp stopt met beeldhouwen. ‘Als je dodelijk bent getroffen houd je je niet meer bezig met vormproblemen,’ zegt hij later, ‘Dan wil je dicht bij het onstoffelijke komen.’ Hij schrijft aangrijpende Sophie-gedichte waarin hij stamelend probeert haar dood te vatten. Pas na vier jaar kan hij weer sculpturen maken en schrijft hij weer Dadaïstische gedichten, met humor en anarchie.

Maar zijn gedichten hebben een andere toon. Ze zijn nog wel strijdbaar, maar minder bijtend en sarcastisch. Er zit nu een verdiepte menselijkheid in zijn poëzie, bijvoorbeeld in het gedicht Mensen uit 1951:

Lange lange dunne draadmensen
van een witte onbeschreven draad
die op een spoel gerold
gemakkelijk in een broekzak meegenomen kunnen worden.

Saskia en profil in rijk gewaad, 1633/1634-1642, Gemäldegalerie Alte Meister, Kassel

Rembrandt verliest zijn geliefde Saskia op het hoogtepunt van zijn carrière. Als hij in 1641 aan De Nachtwacht werkt, bevalt Saskia van hun zoon Titus. Dit is het vierde kind van Rembrandt en Saskia, maar tot drie keer toe is hun kind kort na de geboorte overleden. Titus overleeft, maar Saskia wordt ziek en sterft een half jaar na de geboorte. Een maand voor de onthulling van De Nachtwacht verliest Rembrandt zijn grote liefde.

In diepe rouw brengt hij een paar wijzigingen aan in het huwelijksportret dat hij in 1633 van Saskia had geschilderd. Op haar hoed voegt hij een grote witte struisvogelveer toe, die als een rookpluim in de duisternis vervliegt. En in haar handen schildert hij een takje rozemarijn, het kruid van de herinnering.

Ook voor Rembrandt is dit verlies een keerpunt. Hij besluit geen grote portretopdrachten meer aan te nemen. Hij wordt zelfs onhebbelijk tegen opdrachtgevers. Hij wil zich voortaan toeleggen op de schoonheid en de vrijheid van expressie. ‘Als ik mijn geest wil ontspannen, is het geen eer die ik zoek, maar vrijheid’, is een uitspraak van Rembrandt uit de periode na Saskia’s dood.

Voor zijn etsen en schilderijen kiest Rembrandt nu onderwerpen die niet in de mode zijn, bijvoorbeeld vervallen boerderijtjes in een landschap. Hij werkt zijn schilderijen uit in ruwe, pasteuze penseelstreken die indruisen tegen de esthetiek van de fijnschilders, die in de tweede helft van de zeventiende eeuw en vogue waren. Het leverde grote meesterwerken op, zoals De Joodse bruid.

Rembrandt en Arp; twee kunstenaars voor wie het verlies van de levenspartner een cesuur is in hun werk. Maar door deze ingrijpende gebeurtenis is hun werk rijker geworden.

Op 27 oktober geef ik de lezing Rembrandts Handen in Villa Ockenburgh in Den Haag. Informatie en reserveren: zie Agenda

Afbeelding boven dit artikel: links, Portret van Saskia Uylenburgh, Rembrandt, tekening, 1633, en rechts, Sophie Taeuber als Dadaïstische danseres, 1916

Danspaleis de Aubette

In 2020 dook op de TEFAF in Maastricht een kunstwerk op van Theo van Doesburg, een van de voormannen van De Stijl. Het zag eruit als een stuk karton, beschilderd met diagonale banen en heldere kleurvlakken. Maar een scherpzinnige medewerker van Het Nieuwe Instituut in Rotterdam herkende in dit kunstwerk de opengevouwen maquette van de Feestzaal in de Aubette. Dit danspaleis in Straatsburg werd in 1928 door Theo van Doesburg, Hans Arp en Sophie Taeuber-Arp ingericht tot een van de modernste danstenten van die tijd.

Ontwerp voor de Feestzaal van de Aubette, beschilderd karton, Theo van Doesburg, 1926/1927

Theo van Doesburg heeft zich er lange tijd op laten voorstaan dat de Aubette zijn project was, maar het was oorspronkelijk een opdracht voor Sophie Taeuber-Arp en Hans Arp. Na de Eerste Wereldoorlog woonden zij in bij Arps moeder in Straatsburg. Op die manier konden ze het Franse staatsburgerschap verwerven om zich in Parijs te vestigen. In Straatsburg werden zij benaderd door de gebroeders Horn, twee ondernemers die van de Aubette, een oude, vervallen kazerne, een grote uitgaansgelegenheid wilden maken met meerdere danszalen, bars, een restaurant en een filmzaal. Sophie Taeuber en Hans Arp kregen de opdracht om het complex een moderne uitstraling te geven.

Composition abstraite désaxée, glas-in-lood venster voor woonhuis van André Horn, Sophie Taeuber, 1928

Omdat het project zo omvangrijk was én zo prestigieus – de Aubette moest de hipste tent van Straatsburg worden – vroeg het echtpaar Arp hun vriend Theo van Doesburg ook deel te nemen. Ze dichtten hem veel ervaring toe met het uitvoeren van dit soort grote opdrachten. Theo van Doesburg ontwierp een maquette voor het hart van het complex, de Feestzaal. Met een voor die tijd gedurfde vormgeving bekleedde hij het plafond en de wanden met grote, heldere kleurvlakken, geplaatst in diagonale banen.

Sophie Taeuber ontwierp de glas-in-lood vensters in het trappenhuis in haar geometrische stijl. Hans Arp beschilderde de danszaal in de kelder met zijn karakteristieke golvende vormen en zijn ‘oervorm’ das bewegte Oval.  Op de wand van de catacomben liet hij twee grote paddenstoelachtige vormen groeien.

Bij de opening in 1928 werd de Aubette door kunstliefhebbers de hemel in geprezen. Men noemde het ‘de Sixtijnse kapel van de avant-garde’. Maar het uitgaanspubliek van Straatsburg was niet gediend van al die nieuwlichterij. Het bezoek aan het danspaleis bleef ver achter bij de verwachtingen. Er werden vaasjes en lampjes in de zalen gezet om meer aan te sluiten op de smaak van het publiek. Toen ook dat niet hielp volgde een radicale ingreep; de muren werden overgeschilderd. De geometrische patronen verdwenen en ook de paddenstoelen en das bewegte Oval werden gezellig overgeschilderd.

Muurschilderingen in de kelder van de Aubette met paddenstoelen en das bewegte Oval, Hans Arp, 1928 (vernietigd)

Hans Arp was woedend. Met het inmiddels verworven Franse staatsburgerschap verhuisde hij in 1929 naar Parijs onder het uitspreken van de verwensing dat hij nooit meer een voet zou zetten in dat burgerlijke Straatsburg. Later draaide hij nog wel bij en heeft hij prachtige gedichten geschreven over de stad en de kathedraal.

De feestzaal van Theo van Doesburg is in de jaren negentig weer in oude avantgardistische luister hersteld. Maar de paddenstoelen in de catacomben van de Aubette zijn niet meer herrezen. Op een of andere manier past dat ook beter bij de specifieke kwaliteit van het werk van Arp; het is indringend én vluchtig tegelijk. Als een droom.

Op 6 oktober geef ik mijn lezing Hans Jean Arp – dromen, beelden, gedichten, over de poëtische beelden en de beeldende poëzie van Hans Arp. Informatie en reserveren, klik hier

The world according to Arp

Op 6 oktober geef ik mijn lezing Hans Jean Arp – dromen, beelden, gedichten. Ik neem u dan mee naar de wereld van Hans Arp, de dichter en beeldhouwer die mij zo inspireert. In de wereld van Arp is de droom de werkelijkheid; zijn sculpturen en zijn gedichten hebben de schoonheid van dromen. Alles kan!

Ik bleef liggen en verroerde me niet en rook de geur van de eerste bloemen. Dromen lieten zich leiden door een parel. Ik hoorde de klacht van de nachtegaal. In de spiegel zag ik een giraf voorbijkomen met een muis op zijn kop. In de zomer hoorde ik in de verte het gebulder van een oorlog. Onder mijn raam spraken de buren over vrede, muziek, bedden, driehoeken, dieren.

Hoofd met drie onaangename voorwerpen, brons, 1930

Dit is een citaat uit het prozagedicht De grote vlieg, de knevel en de kleine mandoline dat Hans Arp schreef in 1951. Ik laat het horen in mijn lezing. In het gedicht wordt de dichter wakker met drie onaangename voorwerpen op zijn gezicht; een knevel, een grote vlieg en een kleine mandoline. Arp baseerde dit gedicht op een van zijn sculpturen, namelijk het bronzen beeld Hoofd met drie onaangename voorwerpen uit 1930. Dat is een vloeiende, plastische vorm met drie losse voorwerpen erop die eruit zien als een grote vlieg, een knevel en een kleine mandoline.

Vaak gebruikt Arp zijn beeldhouwkunst als uitgangspunt voor zijn poëzie. Hij noemde aanvankelijk zijn gedichten ook wel toelichtingen bij zijn sculpturen. Dat dien je niet letterlijk te nemen; zijn gedichten openbaren een poëtische droomwereld, waaruit ook zijn sculpturen voortkomen.

In de lezing laat ik u dwalen door het atelier van Hans Arp in Meudon, een voorstad van Parijs. Bij die wandeling tussen de gipsen sculpturen, de fluïde Rundplastiken die zo karakteristiek zijn voor Arp, laat ik u een gedeelte horen van het gedicht Mensen uit 1953.

In het gipsatelier van Hans Arp, Meudon, Frankrijk

Bescheiden grijsgeverfde stoelmensen
die niets anders willen zijn
dan stoelen waarop anderen gaan zitten

Wolkenmensen die zichzelf ter wereld brengen

Lange lange dunne draadmensen
van een witte onbeschreven draad
die op een spoel gerold
gemakkelijk in een broekzak meegenomen kunnen worden

Mensen die als een Arabische één
in een trein stappen
en als een Romeinse één
weer uitstappen

In de tuin van dit museum in Meudon staan de bronzen beelden van Hans Arp. Ook hier laat ik u dwalen tussen de poëtische beelden met een gedicht. Ik draag Schuilplaats van dromen voor, een gedicht uit 1961:

Concrétion humaine sur coupe, beeld in de tuin te Meudon, brons, 1935

In de diepe stilte van de Vogezen
ontmoette ik
grote zeilschepen zonder bemanning
die stil
door de wouden zeilden

Een orang die slechts
half was
wordt wakker met zijn ontbrekende deel
met de oetan
Klaarwakker klimt hij in een boom
en zingt: “Cacao, cacao, oh, cacao!”

Tedere eeuwigheden
schieten wortel in mij
Eindelijk eindelijk
kan ik tijd verliezen
eeuwigheidje voor eeuwigheidje
tijden lang
oneindige tijden

En ik sluit af met een beeld van Hans Arp dat in Den Haag staat: Scrutant l’horizon uit 1966, het jaar van zijn dood. Daarbij draag ik het heerlijke gedicht die große Firgelei voor, dat hij schreef in 1963, deels in het Duits, deels in de fantasietaal Firgel:

Scrutant l’horizon, 1966, Mariahoeve, Den Haag

knebs zabala dri di dri mn dri
sp sp tatagu

Hans Arp licht in het gedicht toe wat dat voor taal is:

die schöne firgelsprache
ist das verweilen das träumen
das sinnen und überspinnen
sind himmlische traumblumenlieder
also unsichtbare wolken

Das verweilen, das träumen, das sinnen und überspinnen; het er zijn, het dromen, het mijmeren, peinzen; dát is de Firgeltaal. En dat is ook de wereld volgens Arp. In de lezing neem ik u mee langs al deze poëtische beelden om ‘er te zijn, te dromen, te mijmeren en te peinzen.’

Ga mee op 6 oktober naar de wereld van Arp in de lezing Hans Jean Arp – dromen, beelden, gedichten. Informatie en reserveren: klik HIER

Nazomer in Straatsburg

Mijn liefde voor Hans Arp is in Straatsburg begonnen. In oktober 2001 was ik voor een korte vakantie in deze prachtige stad waar Franse en Duitse invloeden zo mooi vervlochten zijn. Het was een stralende nazomer en de stad baadde in het warme, verzadigde licht.

Glazen gevel van het Musée d’Art Moderne et Contemporain, Straatsburg. Foto: Edith Rodeghiero

Natuurlijk bezocht ik ook de musea van de stad; het Musée des Beaux-Arts, met de klassieke collectie, en het toen splinternieuwe Musée d’Art Moderne et Contemporain. Een open en licht gebouw, gelegen aan de Place Jean Hans Arp. Ik wist toen nog niet wie dat was en dat Straatsburg de geboortestad was van deze kunstenaar.

In het museum, met kunst vanaf 1870 tot heden, kwam ik langs een sculptuur van Jean Arp. Ik weet niet meer precies hoe het eruit zag, maar ik herinner me een gipsen beeld met ronde, vloeiende vormen. Ik dacht even dat het door een vrouwelijke kunstenaar was gemaakt met de voornaam Jean (spreek uit op z’n Engels, zoals Jean Harlow).

Portret van de Straatsburgse schilder Hans Jean Arp, Henri Beecke, omstreeks 1910

Maar verderop kwam ik een portret tegen van deze ‘Jean Arp’. Een schilderij van Henri Beecke, met de titel Portrait du peintre strasbourgeois Hans Jean Arp, vers 1910. Een portret dat me raakte door de zachtaardigheid die het uitstraalde. Een mooie, dromerige jongeman (Arp was hier 24 jaar oud) in een elegant kostuum staart in de verte. Ik begreep meteen dat dit de kunstenaar moest zijn die die zachtaardige, vloeiende sculptuur gemaakt had.

Toen ik mij later meer ging verdiepen in Arp, ontdekte ik hoe belangrijk de droom voor hem was. ‘Alle kunstenaars zijn dromers,’ aldus Arp. Een kunstenaar beeldhouwt niet, hij schildert niet, nee, een kunstenaar dróómt. Dromen is een scheppende kracht. De schilder Henri Beecke heeft op dit vroege portret de droom-kwaliteit van de dichter en beeldhouwer Hans Arp perfect gevangen.

Het werk van Arp heeft dan ook wat ik noem een ‘droomlogica’. In zijn sculpturen vloeien de vormen organisch in elkaar over met een logica die niet causaal is, maar volstrekt logisch als in een droom. En in zijn gedichten roepen woorden andere woorden op, associaties volgen elkaar op, beelden vloeien uit elkaar voort op een droomachtige manier. Het is niet causaal, het getuigt van een droomwereld.

La belle Strasbourgeoise, Nicolas de Largillière, 1703

Die souplesse in het dichten kon Hans Arp ontwikkelen doordat hij tweetalig werd opgevoed. Zijn vader was Duits, maar zijn moeder was een geboren en getogen Strasbourgeoise, Franstalig dus. Arp kreeg de twee talen met de paplepel ingegoten. ‘Ik ga met de woorden om als een kind met zijn bouwstenen. Ik betast ze en buig ze om, alsof het sculpturen zijn.’ Zo licht Hans Arp zijn poëzie toe; hij boetseert met de taal.

Of de familie van Arps moeder veel aanzien had in de achttiende eeuw weet ik niet, maar ik associeer haar (als in een droom?) met een ander portret dat ik zag in Straatsburg; La belle Strasbourgeoise. Een schilderij uit 1703 van Nicolas de Largillière, de portrettist van de Franse gegoede burgerij. Een onbekende dame is hier afgebeeld in traditioneel Straatsburgs gewaad uit de tijd van Lodewijk XIV. Met haar extravagante hoed maakt ze een onuitwisbare indruk.

In de gouden nazomer van oktober 2001 begon in Straatsburg mijn liefde voor Arp. Op 6 oktober aanstaande neem ik u mee in de droomwereld van deze kunstenaar met mijn lezing Hans Jean Arp – dromen, beelden, gedichten. Informatie en reserveren: klik hier

Over ontzag en duisternis

In de duinen bij Den Helder ligt beeldenpark De Nollen, het levenswerk van kunstenaar Rudi van de Wint (1942-2006). Vanaf 1980 heeft hij dit stuk binnenduin, dat dienst deed als vuilnisbelt, omgevormd tot een landschapspark waarin zijn enorme stalen sculpturen het best tot hun recht moesten komen.

Dat omvormen kan je letterlijk nemen; Van de Wint groef gedeelten van het duin weg om waterpartijen te creëren. Met het weggegraven zand wierp hij weer nieuwe duinen op. Hij beplantte het gebied met duinvegetatie en schiep zo een nieuw ‘natuurlijk’ landschap met prachtige doorkijkjes op zijn kunstwerken, intieme duinvalleien waar de kunst wordt weerspiegeld in het water en duintoppen met monumentale stalen sculpturen omgeven door wuivend helmgras.

Van de Wint werkte veel met cortenstaal; het onverwoestbare staal dat in de buitenlucht een prachtige roestlaag krijgt. Zo ligt er in het landschap een enorme roestbruine krul van cortenstaal, Beeld 4. De spiraalvorm met golvende randen roept associaties op met de schil van een enorme vrucht, maar het heeft ook iets van het monster van Loch-Ness, vooral omdat de vrijhangende ‘kop’ zachtjes beweegt in de wind.

Beeld 4, Rudi van de Wint, 1997-2001, cortenstaal
links: Tempestas, rechts: blik omhoog in één van de ‘bladen’, Rudi van de Wint, geoxideerd koper

Dezelfde golvende vormen zie je terug in de sculptuur Tempestas die bestaat uit drie 10-meter hoge lepelvormige bladen van geoxideerd koper. Van de Wint heeft met een bijtend zuur het oxidatieproces van het koper versneld en daarmee als het ware de bladen lichtblauw geverfd. Elk blad is zo breed dat het precies het menselijk lichaam kan omhullen. Als je erin gaat staan en omhoog kijkt zie je hoe de golvende vorm zich boven je naar de hemel uitstrekt.

Deze open sculpturen in de ruimte boezemen ontzag in, ontzag voor het zware materiaal, ontzag voor de volumes, ontzag voor de ruimte. Er is echter ook een aantal kunstwerken waarbij het ontzag bij mij omsloeg in een ongemakkelijk, duister gevoel van onmacht.

Aether II, Rudi van de Wint, 1994

Op het terrein staan zo’n twintig bunkers waarvan Van de Wint er een aantal bewerkt heeft tot kunstwerk. Eén van die bunkers is de koepelvormige ruimte die binnenin beschilderd is met kobaltblauw, dat naar de opening in het dak toe steeds meer overgaat in wit. Het kunstwerk heet Aether II en wil de geest van het donker naar het licht voeren. Maar als bezoeker sta ik in het onderste gedeelte met het donkerste blauw (‘Niet tegen de muur leunen, s.v.p.’) en kan ik alleen maar omhoog kijken naar het licht.

Voor een ander kunstwerk, Eidolon, moet de bezoeker door een meterslange, aardedonkeren gang, waarna je in een grijze koepel uitkomt met een duistere bromtoon. ‘Het geluid van de ruimte’, aldus de gids, maar wat ik ervoer was een benauwde grijze binnenruimte die na een dwingende wandeling door het donker werd bereikt.

Wonderlijk hoe ik bij de ene kunstenaar, Antony Gormley, waar ik in mijn vorige blog over schreef, duisternis heel anders ervaren heb dan bij de andere kunstenaar, Rudi van de Wint. Bij Gormley daagde de duisternis me uit en liet me mijn eigen lichaam op een andere manier ervaren. Bij Van de Wint voelde ik mij ‘weggedrukt’ in de duisternis.

Dat neemt niet weg dat zijn sculpturen in de buitenlucht ontzagwekkend zijn. U kunt de kunst van Rudi van de Wint aan den lijve ervaren in het Kunstproject De Nollen bij Den Helder en in het Stedelijk Museum Alkmaar op de expositie Reis naar het oneindige. 

Foto boven dit artikel: Tempestas, Rudi van de Wint