Leve de wolk!

Met de uitroep ‘Es lebe die Wolke’ rondde ik afgelopen zondag mijn lezing Arps Fluïdum af. Deze uitroep komt uit Die große Firgelei, Arps gedicht uit 1963 dat hij gedeeltelijk in de fantasietaal die Firgelsprache schreef. Het gedicht opent met de vraag aan het publiek of Firgel hen heeft verzekerd dat de dichter een wolk zal worden. Maar waarom ben ik dan nog geen wolk, vraagt de dichter zich af.

In het gedicht wordt de mooie Firgeltaal beschreven:

die schöne Firgelsprache
ist das verweilen das träumen
das sinnen und überspinnen
sind himmlische traumblumenlieder
also unsichtbare wolken

de mooie firgeltaal
is het er-zijn het dromen
het peinzen en mijmeren
zijn hemelse droombloemenliederen
onzichtbare wolken dus

Aha! De dichter is misschien al een wolk, maar het is een onzichtbare wolk, dus we kunnen het niet zien. Dadaïstische logica. Het gedicht Die große Firgelei eindigt met de volgende regels:

es lebe die wolke
und ganz besonderes
die wolke der engel
der göttlichen blume

leve de wolk
en speciaal
de engelenwolk
van de goddelijke bloem

Wolken komen heel vaak voorbij in Arps poëzie, bijna net zo vaak als dromen. De wolk staat voor vrijheid, inspiratie, openstaan voor kunst, voor het spirituele. Ook in het gedicht Schuilplaats van dromen uit 1961 passeert een wolk:

Een waterval
valt van zijn ladder
scheurt zijn bretels
en besluit van baan te veranderen
hij pelt zich af
en wordt wolk

Opnieuw een Dadaïstisch beeld; de waterval die een vaste baan heeft (de ladder) krijgt een ongeluk waarna hij een ferm besluit neemt. Hij trekt zijn oude kloffie uit – zijn bretels waren toch al stuk – en wordt wólk! Hij wordt vrij.

In het lange gedicht Gislebertus d’Autun, Arps hommage uit 1962 aan de middeleeuwse beeldhouwer Gislebertus die de beelden voor de kathedraal van Autun maakte, zien we droomwolken die afdalen uit en opstijgen naar het oneindige. Dit moeten wel engelenwolken zijn die de middeleeuwse beeldhouwer hebben geïnspireerd tot zijn prachtige beeldengroepen.

Wolkenschijven, Hans Arp, 1963, beschilderd hout

Ook in de sculpturen en de reliëfs van Arp zitten vaak wolkachtige vormen. Met het reliëf Wolkenschijven uit 1963 trakteert Hans Arp ons zelfs op plakjes wolk. Plakjes vrijheid, lekker voor op de dagelijkse boterham. Of gewoon tussendoor.

Met de lezing Arps Fluïdum net achter de rug en de zomer voor de boeg is de wolk een heerlijk thema. Languit in het gras naar de wolken kijken, of in je ligstoel op het strand. Staren naar de langzaam voorbijglijdende ‘wezens’ die veranderen van vorm, kleur, dichtheid. Kijk naar de vliegende krokodil, of de man met de grote neus. Of gewoon naar een prachtig volle witte wolk, die statig voorbijzeilt. En naar de windveren niet te vergeten, die lichte vegen in het blauw.

Wolken maken je vrij. Leve de wolk! Ik wens u een fijne zomer toe.

Der große Derdiedas

Toen ik in 2017 mijn eerste lezing over Hans Arp voorbereidde, ging ik op zoek naar zijn gedichten in het Duits. De Dadaïstische rijkdom van Arps poëzie, zoals bijvoorbeeld het gedicht uit 1920 dat begint met de fantastische regel Ich bin der große Derdiedas, komt het beste tot zijn recht in de originele taal. Op internet vond ik een antiquarische boekhandel, gespecialiseerd in Duitse kunstboeken, waar de Gesammelte Gedichte van Hans Arp te koop waren.

De boekhandel heet Die Schmiede, gelegen aan de kop van de Brouwersgracht in Amsterdam. Ik maakte een afspraak en ging naar Amsterdam om de boeken persoonlijk op te halen. Het winkeltje bevindt zich op de begane grond van een oud grachtenpand en ligt iets beneden straatniveau. De etalage is een venster met kleine ruitjes waarachter de pareltjes uit de collectie bescheiden zijn uitgestald.

Je betreedt hier een wereld waar de drukte van de stad gedempt wordt door de prachtige collectie antiquarische Duitse kunstboeken. Het vriendelijke echtpaar dat de winkel runt versterkt het gevoel dat je hier te gast bent bij liefhebbers van het Duitse culturele erfgoed die hun liefde graag met je delen.

De ‘Gesammelte Gedichte’ van Hans Arp in drie delen

Geïnspireerd door de bijzondere sfeer van liefde voor de kunst ging ik weer naar huis met de drie bundels Gesammelte Gedichte onder mijn arm. Ik vond in deze bundels de heerlijke gedichten die ik in mijn lezing voordraag, zoals Der große Derdiedas, Das Eierbrett, Weh unser guter Kaspar ist tot en Die große Firgelei, een titel die ik abusievelijk eerst las als Dás große Firgel-ei. Maar hoewel het bij Arp vaak over eieren gaat, gaat het in dit gedicht over het spel met de fantasietaal Firgel.

Originele uitgave van ‘Der Pyramidenrock’, Hans Arp, 1924

Toen het moment van de première van mijn eerste Arp-lezing naderde ging ik nog een keer bij Die Schmiede langs om er wat flyers achter te laten. Ik vertelde het echtpaar hoe dankbaar ik van de Gesammelte Gedichte gebruik had gemaakt en toen gebeurde er iets heel bijzonders.

De eigenaar gaf me een teken en trok de onderste la van een oude kast open. Hij nam er wat stapeltjes boeken uit en pakte toen een in vloeipapier verpakt boek. Hij opende het papier en het bleek de eerste druk van Hans Arps gedichtenbundel Der Pyramidenrock te zijn uit 1924, met het gedicht Ich bin der große Derdiedas in de originele opmaak. Ik was verbluft en ontroerd dat ik dit boek in mijn handen mocht houden.

Op het schutblad van deze eerste druk staat een portret van Hans Arp door Amadeo Modigliani en de cover heeft de Dadaïstische opmaak die zo goed de sfeer van die tijd aangeeft. Nadat ik het boek heel voorzichtig bekeken had, ging het weer terug in het vloeipapier in de onderste la. Het werd gekoesterd als een bijzonder bezit, niet als een product dat te gelde gemaakt moest worden.

‘Der Pyramidenrock’, links: schutblad met portret van Arp door Modigliani en rechts: gedicht ‘Ich bin der große Derdiedas’

Wat een prachtige gebeurtenis was dat, daar in dat verzonken winkeltje Die Schmiede! Een gebeurtenis helemaal in de geest van Hans Arp, die met zijn geestige en spirituele poëzie streed tegen de Überzermalmer, de mensen die met hun materialisme alles vermorzelen. Tegenover die vermorzelaars stelt Arp zijn große Firgelei, die eindigt met de uitroep waarmee ik ook mijn lezing op 26 juni afsluit: Es lebe die Wolke. Lang leve de wolk!

Op 26 juni geef ik mijn lezing Arps Fluïdum over de beeldende poëzie en poëtische beelden van Hans Arp in Pulchri Studio, Den Haag. Zie: Agenda.

Droomverstand

Over krap drie weken geef ik, ter afsluiting van de expositie OER, reflecties van Yke Prins, mijn lezing Arps Fluïdum. Een lezing met gedichten en beelden van Hans Arp, de Frans/Duitse beeldhouwer en dichter die leefde van 1886 tot 1966. Zijn werk, en vooral zijn manier van werken, vertonen een sterke zielsverwantschap met het werk(en) van Yke Prins.

The source, Yke Prins, inkt, 2017

In het mooie boek OER Reflecties, dat bij de expositie verscheen, spreekt Yke Prins in vijf open gesprekken met collega kunstenaars over haar werk en haar drijfveren. Opvallend is dat het er vaak over gaat hoe ze werkt zonder te denken. ‘Iets doemt op in samenspel met mijn handen’, zegt Prins.

Ze omschrijft haar grafische werk, dat ontstaat uit vallende druppels, als ‘…een heel fluïde proces waarbij handelingen elkaar opvolgen zonder denken. En dan gebeurt er van alles. Je bedenkt het niet van tevoren. Als het voltooid is ziet het er vaak uit alsof het zo heeft moeten zijn, alsof je altijd hebt geweten dat het zo zou zijn.’

Dat doet heel sterk denken aan Arps uitspraak: ‘Kunst is een vrucht die in mensen groeit.’ Het kunstwerk ontwikkelt zich onder de handen van de kunstenaar volgens een eigen logica. Dat is geen cerebrale, causale logica, maar het is de logica van de droom. ‘Alle kunstenaars zijn dromers’, aldus Arp, ‘Een kunstenaar beeldhouwt niet, een kunstenaar droomt.’

In Arps eigen sculpturen vloeien de vormen ‘vanzelf’ in elkaar over. Het is niet bedacht, maar de vormen ontstaan uit elkaar met een eigen (droom)logica. Er is vaak geen voor of achter in zijn sculpturen en soms zelfs geen onder of boven. Als in een droom bewegen de vormen vrij in de tijd en de ruimte.

Concrétion humaine sur coupe, Jean Arp, brons, 1935

Ook de poëzie van Arp heeft de logica van een droom. De beelden die hij oproept in zijn gedichten zijn ongerijmd als je ze probeert te vatten met je waakverstand, maar ze zijn prima te volgen als je je mee laat voeren met je ‘droomverstand’. Alles vloeit volstrekt logisch in elkaar over, zoals in een droom de ‘ongerijmde’ beelden soepel in elkaar overvloeien. Daarom roep ik aan het begin van mijn lezing Arps Fluïdum het publiek op om het waakverstand op de waakvlam te zetten en het droomverstand wijd open te draaien.

In Jours effeuillés, het gebundelde Franse werk van Jean Arp, staat een prachtige oproep om te dromen:

Het is pas goed als muziek, poëzie en kunstwerk één geheel vormen, zoals bij een weefsel de schering, de inslag en de draad. En wat altijd de voorrang heeft is de droom, het sprookje.

Laten we daarom dromen voorbij het lachen en huilen, de top en de afgrond, de atheïstenkliek, de grenzen, de gordijnen, de bezetenen van geld of macht. Laten we daarom dromen tot aan het transcendente licht.

Uit: L’ Arbre à Kakis, 1957

Zet uw droomverstand wijd open en kom naar de lezing Arps Fluïdum op 26 juni in Pulchri Studio. Na afloop kunt u de expositie OER, reflecties bezoeken onder leiding van Yke Prins. Informatie en reserveren: zie Agenda.

Afbeelding boven dit artikel: Silent Music, Yke Prins, corten staal, 2019. Foto: Wisse van de Guchte

Veel kleurenliefde

Drie dagen geleden vierde ik mijn verjaardag. Ik ben een Mei-tweeling. En ik weet niet of het er iets mee heeft te maken, maar ik houd ‘van nature’ erg van voorwerpen met veel kleuren. Liefst in kleine vlakken verdeeld. Zo heb ik een veelkleurig overhemd, een veelkleurig bord en een veelkleurige dekbedovertrek.

Mijn verjaardag. Foto: Berend van Dooren

Onlangs had ik een overrompelende kleurervaring in Kunsthal KAdE in Amersfoort. Ik ging naar dit museum om de expositie Schurend Paradijs te zien, een expositie waarin met bestaande schilderijen en met werk van twaalf hedendaagse kunstenaars wordt gereflecteerd op Mondriaans utopie van een maakbaar paradijs. Bij binnenkomst kijk je neer op een grijze tegelvloer, waar een duister tropisch woud doorheen breekt. Op de wanden rondom hangen grijze, monochrome werken, zoals Armando’s Schuldige Landschaft of Erwin Olafs Im Wald, Am Wasserfall.

En dan, in de gang die om de grote zaal heen loopt, sta je ineens in het overrompelende veelkleurige werk van de Nederlandse kunstenaar Hadassah Emmerich, geboren in 1974. Van plafond tot plint heeft zij de wanden van de gang en trappenhuis voorzien van kleurvlakken, die in grote banen van boven naar beneden vloeien. Scherp uitgelijnde kleurvlakken tekenen zich af tegen een minstens zo veelkleurige vage achtergrond. Wat een feest!

Dazzled Perpetuation, Hadassah Emmerich, 2022

Haar kunstwerk heet Dazzled Perpetuation. Een duizelige oneindigheid van kleur. Het is een sensationeel en prikkelend kleurenfestijn waar mijn Mei-tweelingenhart sneller van ging kloppen. De kleurbanen wekken de suggestie van menselijke of plantaardige vormen, of misschien zijn het juist buizen en bolle vormen van kunststof. De afwisseling scherp-onscherp lost je gevoel van houvast op; je kunt je maar het beste overgeven aan de kleuren.

De toelichting die de kunstenaar geeft op het werk is minstens zo prikkelend en aanstekelijk als het werk zelf: ‘Mens, plant en bloem smelten voortdurend samen tot nieuwe soorten; kleurrijker, vitaler, maar ook giftiger. (…) Sappig uitziende exotische vruchten op een drankverpakking beloven een zorgeloze gezondheid die op het tweede gezicht puur chemisch is (…)’ ‘Verfsluiers, beschilderd vloervinyl en hergebruikte stukken druksjabloon creëren een illusoire ruimte met uiteenlopende scherptedieptes. Frisse en gedempte groenen, zwavel- en cadmiumgelen, geraffineerde en toevallige kleurcombinaties. Het verlangen naar het opzwepende, de onderdompeling en de overrompeling.’

Dazzled Perpetuation, Hadassah Emmerich, 2022

Op de website van Hadassah Emmerich ontdekte ik dat zij in 2018/2019 de Nederlandse ambassade in Jakarta van prachtige wandschilderingen heeft voorzien. Ook hier zijn veelkleurige, wervelende vlakken in vloeiende banen op de muren aangebracht, waarbij onscherpe vlakken worden doorsneden door scherp afgetekende banen. Voor dit werk liet de kunstenaar zich inspireren door batik-motieven, die ze eigenzinnig heeft ‘opgeblazen’ tot grote, verrukkelijke kleursensaties.

Wandschilderingen in de Nederlandse ambassade in Jakarta, Hadassah Emmerich, 2018/2019. Foto’s: Carel de Groot

In de ambassade in Jakarta zijn er wat meer rustige kleurvlakken tussen de wilde motieven en ook de suggestieve vrouwelijke vormen ontbreken, want, hey, er moet wel gewerkt worden. Maar in de gang van Kunsthal KAdE is Emmerichs Dazzled Perpetuation één groot feest. Of, in haar eigen woorden: ‘Vette beats en diepe bassen die van tribal naar industrial gaan; de dansvloer is hier 24/7 open.’

Stampen, dampen en je hoofd verliezen in een duizelig kleurenparadijs. Heerlijk!

Arp actueel

Ter gelegenheid van de expositie OER, reflecties van Yke Prins geef ik eind juni een speciale lezing over de Frans/Duitse kunstenaar Hans Arp (1886-1966). In deze lezing, Arps Fluïdum, zal het accent vooral komen te liggen op het vloeiende in Arps werk, in zijn sculpturen, in zijn gedichten. Maar ook de samenhang en vloeiende overgangen tussen het beeldhouwwerk en de poëzie van deze kunstenaar komen aan bod.

Droomdier, Hans Arp, gips, 1947

In 2016 heb ik ook al een lezing over Hans Arp gegeven, waar een mooie registratie van is gemaakt. Wat me toen vooral aansprak is de droomkwaliteit van Arps beelden en poëzie. Net als in een droom vloeien de vormen en betekenissen vanzelf in elkaar over. Onlogische overgangen misschien voor het waakverstand, maar volstrekt te volgen met je ‘droomverstand’. ‘Alle kunstenaars zijn dromers’ is een aforisme van Hans Arp, ‘Een kunstenaar beeldhouwt niet, of schildert niet, maar dróómt.’ Dromen is een scheppende activiteit.

Nu ik, ter voorbereiding van de lezing Arps Fluïdum, opnieuw in het werk van deze kunstenaar ben gedoken, viel me – naast de droomkwaliteit ervan – vooral de grote sociale bewogenheid op. Onder de soms esoterische beelden waar Arp zich van bedient, voel je een sterke drang om zich uit te spreken. Tegen de waanzin van oorlog, tegen het blinde geloof in techniek en vooruitgang, tegen materialisme en passiviteit.

Hans Arp, ca. 1925, fotograaf onbekend

Een gedicht dat me dit keer bijzonder trof, is het prozagedicht Le grand sadique à tout casser, te vertalen als: De grote, alles-vernietigende sadist. Arp schreef het in 1943, in het Frans. In dit prozagedicht drukte hij zijn woede en frustratie uit over de Tweede Wereldoorlog. Voor de tweede keer maakte hij een oorlog mee op wereldschaal, een oorlog die door een losgeslagen sadist was aangejaagd.

Het gedicht De grote, alles-vernietigende sadist heeft voor Arps doen een ongewoon felle toon. Bij het lezen ervan resoneren in mij sterk de gevoelens van woede en onmacht die ik voel bij de gruwelijke beelden van de oorlog in Oekraïne. Arp schetst hoe een angstaanjagende, manische figuur, naakt en ingesmeerd met fosfor, voor een groot venster staat en alles wat hij maar vinden kan door het venster naar buiten te pletter gooit. Ik geef hieronder een eigen vertaling van het laatste deel van het gedicht:

Alles wat zijn bedienden aandragen, dood of levend, zoet of zout, zwaar of licht, smijt hij door het raam: sigaren, oorlogsschepen, flatgebouwen, spoorwegen, koffie verkeerd, sexappeals, huizen, paddenstoelen, etc. Het raam zit zo hoog dat de objecten door de val sinaasappelmarmelade worden, waar duizenden kindertjes als vliegen op af komen om te likken met hun kleine mondjes. De kindertjes klappen opgetogen met hun pootjes en roepen: ‘Marmelade, marmelade, marmelade’ naar het raam van de grote, alles-vernietigende sadist.
Onophoudelijk, met wilde armzwaaien, gooit hij piano’s, zeppelins, monumenten, diplomaten, etc. door het raam. Hij schuimbekt, hij zweet, hij knerst met zijn tanden en bedenkt dat hij zichzelf moet overtreffen en zijn reeds onvoorstelbare werk moet bekronen. Aangezien hij niets meer voor het grijpen heeft, rukt hij zijn witte haar uit, zijn handen, zijn voeten, smijt ze door het raam, en uiteindelijk werpt hij wat er nog over is van hemzelf door het raam onder het slaken van een angstaanjagende gil, en door zijn val verandert hij, net als alle andere voorwerpen, tot groot genoegen van de duizenden kindertjes, in sinaasappelmarmelade.

Dit gruwelgedicht zal ik niet voordragen op mijn lezing, maar de sterke sociale betrokkenheid van Hans Arp zal hopelijk doorklinken in andere gedichten van de lezing Arps Fluïdum op 26 juni.

De lezing Arps Fluïdum vindt plaats in Pulchri Studio in Den Haag. Na afloop is het mogelijk de expositie OER, reflecties te bezoeken onder leiding van Yke Prins.
Informatie en reserveren: zie Agenda.

 

De moeder van

Met de Panamarenkolezing en moederdag nog vers in het geheugen, plaats ik vandaag nog één keer een blog over Panamarenko, en wel over zijn moeder. Deze vrouw, Hortense, heeft een beslissende rol gespeeld in de carrière van haar zoon als kunstenaar. Zestig jaar lang woonde ze met hem samen, waarvan de laatste helft in de creatieve chaos in het huis aan de Biekorfstraat, het huidige Panamarenkohuis. Door haar voortdurende zorg kon Panamarenko zich helemaal wijden aan zijn fantastische uitvindingen.

Hortense was een volksvrouw, die aanvankelijk weinig moest weten van de artistieke aspiraties van haar enige zoon. Toen Panamarenko in 1955 was toegelaten aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen, kwam hij uitgelaten thuis. ‘Ge moogt eens laten zien wat ge kunt’, zei zijn moeder, ‘Schilder maar een Bambi op die kale muur in de gang.’ En aldus geschiedde, op de muur in de gang keek Bambi je met grote ogen aan.

Panamarenko met zijn moeder, ca. 1980, foto: ARGOS

In 1970 verhuisde het gezin naar het huis aan de Biekorfstraat. Kort daarna overleed de vader van Panamarenko. De weduwe bleef nog 28 jaar met haar zoon in dit huis wonen, een huis dat zich steeds meer vulde met de materialen en gereedschappen die Panamarenko voor zijn tuigen nodig had. Ook kwamen er steeds meer dieren in huis; papegaaien, een toekan, een beo, een duif en een hond en al die dieren bewogen zich vrij door het huis. Temidden van die creatieve chaos bestierde Hortense het huishouden, ze kookte, deed de was, maakte (voor zover mogelijk) schoon.

Met een licht-ironische oogopslag bezag ze het werk van haar zoon. ‘Wanneer gaat ge nu eens iets schoons maken?’ vroeg ze hem vaak als hij weer een nieuwe uitvinding had gedaan. Maar toch hielp ze hem ook bij zijn eerste projecten; ze naaide het zeil voor het vliegtuigje Donderwolk en hielp mee met vlechten van rotan voor de kajuit van zijn zeppelin The Aeromodeller.

Hortense met een papegaai, foto in het Panamarenkohuis

Hoewel Hortense niet uit een kunstzinnig milieu kwam en haar familie haar kommer en kwel voorspelde met een ‘kunstenaar’ als zoon, is ze altijd achter haar zoon blijven staan. Ze accepteerde de gekte en anarchie die Panamarenko om zich heen verspreidde. In het Panamarenkohuis hangen mooie foto’s van Hortense in gesprek met een papegaai of van Hortense die een dutje doet op de bank met een van die vogels op haar schouder.

Ze ging zelfs mee in het avontuur van Panamarenko’s projecten als hij weer eens een proefneming deed. Op haar oude dag  (ze was al 71 jaar oud) liet ze zich nog duchtig door elkaar rammelen toen ze, met haar zoon aan het stuur, een proefritje maakte in een hovercraft. Op hoge leeftijd (92) kreeg ze Alzheimer en moest ze het huis aan de Biekorfstraat verlaten. Haar laatste jaren sleet ze in een ‘ouwmannekeshuis’ waar ze in 2002 overleed.

Het is volkomen terecht dat het pleintje vóór het Panamarenkohuis vernoemd is naar deze vrouw die altijd achter haar zoon is blijven staan en die met haar toewijding en trouwe zorg het mogelijk heeft gemaakt dat Panamarenko zich helemaal kon wijden aan zijn tuigen. Sinds 2020 bevindt zich in het hart van de volkswijk Seefhoek in Antwerpen-Noord het Hortensia Sillis-plein, genoemd naar de moeder die de basis vormde waarop Panamarenko kon schitteren.

Het Hortensia Sillis-plein in Antwerpen

Being Panamarenko

Morgen, op 1 mei, geef ik in Den Haag mijn lezing Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko. Opnieuw begin ik mijn verhaal in het Panamarenkohuis in Antwerpen. Ik neem het publiek mee naar dit huis waar de kunstenaar/uitvinder meer dan dertig jaar gewoond heeft en waar hij het grootste deel van zijn ‘tuigen’ bedacht en ontwierp. Hier dompelen wij ons onder in de creatieve chaos waarmee Panamarenko zich omringde.

In het Panamarenkohuis, tussen al die materialen, ontwerpen en modellen, gereedschappen, schetsen en boeken, voel je de geest van Panamarenko. Je loopt als het ware met hem tussen de propellers, de accu’s, de zwemvliezen en duikpakken, de boeken over ufo’s en zeppelins, de opwindbare speelgoedfiguurtjes, de elektronische apparaten en niet te vergeten de vogelkooien van de zes papegaaien waar hij mee samenwoonde.

Proefneming met het vliegtuig U-Kontrol III, 1972

Aan de wanden hangen foto’s en affiches van zijn projecten, zoals de prachtige foto’s van de proefvlucht in 1972 met het vederlichte vliegtuigje U-Kontrol III in een vliegende storm. Of de foto van zijn onderwaterwandeling tussen de koralen op de Malediven, getooid in zijn eigen duikuitrusting Portuguese Man of War. Op een van de overvolle bureaus ligt een verkreukelde foto van een reis die hij in 1990 maakte naar Peru op zoek naar de zeldzame vogel Hoazin, een foto die eruit ziet als een plaatje uit een Kuifjestrip.

In het Panamarenkohuis: Propellers

Overal in het huis zwerven propellers; lichte, houten, handgemaakte voorwerpen die meteen associaties oproepen met zijn vliegmachines. In de werkplaats staat een halfgesloopte motorfiets tegen de muur. De motor gebruikte Panamarenko voor zijn vliegende rugzakje Hazerug. Met 60 pk op je rug ga je er immers als een haas vandoor. Een prachtig piepschuimen model voor zijn onderzeebootje PAHAMA ligt bovenop een stellingkast. Waar je ook kijkt, je ziet Panamarenko ‘aan het werk’.

Naarmate je langer in het huis ronddwaalt – en gelukkig krijg je bij een rondleiding van de gids ruim de tijd – raak je meer in de ban van die gekke uitvinder die ons met zijn machines vrij door de wereld laat bewegen. Hier, tussen de modellen en halffabrikaten van zijn ‘tuigen’, voel je zijn onbegrensde scheppingsdrift en aanstekelijke vrijheidsdrang. Je wordt als het ware zelf Panamarenko.

In het Panamarenkohuis: Piepschuimen model voor de onderzeeboot PAHAMA

Morgen neem ik mijn publiek weer mee op een reis door het hoofd van Panamarenko. We zullen weer even Panamarenko zijn, de man die los komt van alle beperkingen. Of het nu een zeppelin is om de wereld mee rond te reizen, een gemotoriseerd rugzakje waarmee je naar de sterren suist, of gewoon een bewegend ‘kieken’ dat vrij rondscharrelt op een plateautje, in het creatieve brein van Panamarenko is alles mogelijk. Met zijn beelden laat hij ons vrijheid ervaren. Dat is being Panamarenko.

Op zondag 1 mei kunt u even Panamarenko zijn. Ik geef dan twee keer de lezing Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko.
Locatie: De Beeldhouwwerkplaats in Den Haag.
Aanvang: 11.00 uur en 14.00 uur, entree: €15,00
Reserveren via: agnese61@hotmail.com

 

Huis-tuin-en-keuken-verbeelding

Panamarenko hechtte eraan dat zijn ‘tuigen’ er verweerd en gebruikt uitzagen. Soms zette hij een nieuwe uitvinding een week in de regen om het een doorleefd uiterlijk te geven. Het gevolg is dat zijn uitvindingen er altijd uitzien alsof ze veel zijn gebruikt. Ze ogen heel gebruiksvriendelijk. Ze staan als het ware in het schuurtje te wachten tot je weer eens met ze op pad gaat. Ze hebben een hoog huis-tuin-en keukengehalte.

Donderwolk, 1970-1971, Panamarenko

De materialen die Panamarenko gebruikte zijn ook heel erg ‘huis, tuin en keuken’. Plakband, ijzerdraad, fietsonderdelen, zeildoek en superlicht balsahout, dat is waar hij zijn vlieg-, vaar- en voertuigen van maakte. Simpele materialen, die overal verkrijgbaar zijn. Makkelijk bij het repareren. En ook weer een manier om uit te drukken dat zijn machines toegankelijk en gebruiksvriendelijk zijn.

Er is een leuk videofragment van Panamarenko die rondloopt op de expositie Panamarenko Universum die het Museum voor Hedendaagse Kunst in Antwerpen in 2015 aan hem wijdde. Samen met de conservator bekijkt hij zijn kunstwerken waarvan hij er sommige jaren niet heeft gezien. Ze staan even stil bij de Donderwolk, een vliegtuigje uit 1970 met een groot, zwart zeildoek dat als een donderwolk boven de piloot hangt. De conservator wijst Panamarenko bezorgd op een paar stiksels die los zijn gegaan, maar Panamarenko wuift het probleem achteloos weg: ‘Dat is makkelijk te repareren.’

Het zeildoek van dit vliegtuigje is door Panamarenko’s moeder zelf nog op de naaimachine in elkaar gezet. Het heeft dus letterlijk een huis-tuin-en-keukenoorsprong. Tegelijk werkt dit vliegtuigje enorm op de verbeelding; je zou er zó in willen stappen en een vlucht willen maken boven de stad en omstreken. De alledaagsheid van het materiaal en de staat van verwering maken dit kunstwerk nog toegankelijker.

Panamarenko bij de Donderwolk op de expositie ‘Panamarenko Universum’, M HKA, 2015
Aan de wandel met de Ordis Cerebrum van Theo Jansen in het Kunstmuseum, Den Haag, 2021

Dat alledaagse materialen en technieken een kunstwerk toegankelijk maken, zie ik ook terug in de Strandbeesten van Theo Jansen, die op dit moment te bewonderen zijn in het Kunstmuseum in Den Haag. Theo Jansen werkt met pvc-buis. Hiermee maakt hij bewegende wezens, die enorm tot de verbeelding spreken. Als wonderlijke, veelpotige dieren trippelen zijn beesten zelfstandig over het strand, met wuivende zeilen op hun rug.

Alle beesten hebben een skelet van pvc-buizen, die met plakband of tie-wraps aan elkaar zijn gezet. Het gebruik van zulke eenvoudige huis-tuin-en-keukenmaterialen versterkt de verbluffende uitwerking die deze kunstwerken hebben. Je ervaart die staketsels van pvc-buis als goedmoedige, aaibare beesten, zeker als je zelf even met zo’n dier hebt gewandeld, wat in een van de zalen van het museum is toegestaan. Na wat trekken en duwen komt het dier tot leven en loopt hij als een grote lobbes met je mee.

De kunstwerken van Panamarenko en Theo Jansen zijn heel verschillend, maar de zeggingskracht en de toegankelijkheid van hun werk berusten voor een belangrijk deel op het gebruik van gewone materialen. Je voelt bij wijze van spreken hoe je zelf op je naaimachine, of in de schuur met een paar meter pvc-buis een vliegtuig of een wandelend beest kan maken. Een vliegtuig of een beest waar je dol op bent en waar je vaak mee speelt. De verbeelding aan de macht met huis-tuin-en-keukenmateriaal!

Op 1 mei geef ik in Den Haag TWEE KEER mijn lezing ‘Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko’ Zie Agenda

De Arlikoop

Bijna alle projecten die Panamarenko (1940-2019) ondernam hebben hun oorsprong in de zeventiger jaren van de vorige eeuw. In de periode daarvóór, de zestiger jaren, toen hij in Antwerpen op de Academie voor Schone Kunsten zat, had hij zich verdiept in de natuurwetenschappen. Fysica, aerodynamica, chemie, biologie, al die exacte wetenschappen gaven hem meer inspiratie dan de kunstzinnige vorming die hij op de academie kreeg.

Dankzij de kennis die hij had opgedaan door zelfstudie in de natuurwetenschappen borrelden in zijn hoofd allerlei plannen en projecten op voor vliegtuigen, vaartuigen en voertuigen. Zo rond 1970, toen hij zich ging manifesteren als kunstenaar die ‘tuigen’ maakte, ontplofte zijn brein als het ware van de vele ideeën die hij had. Hij maakte allerlei ontwerpschetsen voor uitvindingen, waarvan hij sommige pas tientallen jaren later zou realiseren.

Automaat Alluminaut, tekening van Panamarenko, 1970

Een van de ontwerpen die hij in 1970 op papier zette was voor een robotje; een ‘mannetje’ met een bol hoofd en lange armen en benen. In het hoofd zit één groot oog, waarmee de robot alles registreert. Op het achterhoofd zit een serie relais, die de bewegingen van het robotje aansturen. De vorm van dit mannetje doet denken aan een zogenaamde koppoter, de manier waarop vierjarigen een mens tekenen; een ronde kop met alleen maar armen en benen.

Panamarenko noemt het mannetje Automaat Alluminaut, een verwijzing naar de film Jason and the Argonauts uit 1963. Hij tekent het robotje dat met zijn handen een been beetpakt van een grote versie van zichzelf. Het probleem met dit robotje voor Panamarenko is dat hij geen idee heeft waar het voor zou kunnen dienen. Bij zijn andere uitvindingen is het duidelijk; je kunt ermee vrij over de wereld reizen, maar wat kun je met het robotje? Dit ontwerp blijft dan ook lange tijd op de tekentafel liggen.

De Arlikoop, Panamarenko, 2004

Tot het moment dat Panamarenko, in zijn atelier op de Furkapas hoog in de Zwitserse Alpen, zijn Archaeopterixkes gaat maken, bewegende robots in de vorm van de oervogel Archaeopteryx. Deze ‘kiekskes’ geven hem veel voldoening, terwijl ze niets anders hoeven te doen dan ‘wat rondlopen en gewoon kieken te zijn…’ Hij pakt zijn oude project weer op en bedenkt dat hij ‘dit robotteke wel eens de bergen van de Furkapas zou kunnen laten beklimmen.’ In 2004 is er dan een echte versie van de robot: de Arlikoop.

De Arlikoop op de Noordpool, Panamarenko, 2004

De oorsprong van de naam Arlikoop ligt in Panamarenko’s jeugd. In een interview in plat Antwerps vertelt hij hoe hij als kind op school in ‘algemeen beschaafd karton-Nederlands’ liedjes moest zingen. In één van die liederen kwam de passage voor: ‘Wij zijn jong, de aard’ ligt open’. Panamarenko en zijn klasgenoten verbasterden dat tot: ‘Wij zijn jong, de arlikopen’.

Panamarenko gaat met zijn Arlikoop geen bergen beklimmen, maar hij reist ermee naar de Noordpool, ‘op zoek naar Frankenstein.’ In het felle licht van de eindeloze sneeuwvlaktes maakt hij prachtige foto’s van de robot. En zo heeft de Arlikoop toch een functie: hij voedt de fantasie. Hij geeft je het kinderlijke gevoel van een trouwe kameraad tijdens een avontuur in barre omstandigheden. Een heel belangrijke functie, zou ik denken.

Op 1 mei geef ik in Den Haag mijn lezing Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko. Informatie en reserveren: zie Agenda

Foto boven dit artikel: Panamarenko bij de Arlikoop, Deweer Gallery, 2018

 

Het echte ding

Vorige week bezocht ik de expositie Calder Now in de Kunsthal in Rotterdam. Ik hou erg van het werk van Alexander Calder, de kunstenaar die leefde van 1898 tot 1976. Zijn mobiles en stabiles zijn verrukkelijke, en in mijn ogen speelse objecten, die getuigen van een kinderlijke blik op de werkelijkheid.

Ik verwachtte dan ook veel verwantschappen te ontdekken tussen het werk van Calder en dat van Panamarenko, die zijn leven lang een spelend kind is gebleven. Op de expositie werd ik inderdaad bekoord door de ‘ijle’ mobiles, die qua materiaalkeuze vaak helemaal niet zo ijl en licht zijn. Calder werkt vaak met metalen platen, stenen, zware ijzeren staven, maar het ijle zit hem in de subtiele verhoudingen waardoor de kunstwerken gewichtloos lijken te zweven.

Birthday Cake, Alexander Calder, 1956

Ondanks mijn bewondering voor beide kunstenaars voelde ik geen onderlinge verwantschap. Het meest ‘Panamarenkoëske’ werk van Calder was de Birthday Cake, uit 1956. Van een conservenblik, versierd met ijzerdraad en één dikke kaars, heeft Calder hier een verjaardagstaart gemaakt. Dit kunstwerk heeft de humor en het zelf-geknutselde van Panamarenko’s kunst. De andere werken van Calder, hoe mooi ook, hebben een stuk minder die lichtheid en gewoonheid. Het zijn kunstvoorwerpen.

Panamarenko verzette zich tegen de status die de kunst zich volgens hem had aangemeten: ‘Het zijn altijd afbeeldingen, bewegende of stille met of zonder kleur in steen, metaal of verf. Het is nooit het echte, de echte gebeurtenis of het echte ding, het is niet zodanig schoonheid dat hier gezocht wordt, hier wordt kunst beoefend.’

‘Het echte ding’ was voor Panamarenko heel belangrijk en zijn uitvindingen hebben dan ook een hoog ‘echte ding’-gehalte. Je herkent de onderdelen van de racefiets in veel van zijn lucht-tuigen; een krom stuur, een puntzadel en trappers met toeclips. Zijn zeppelin The Aeromodeller is van aan elkaar geplakte stroken kunststof gemaakt, de cabine die eronder hangt is van gevlochten rotan. De vele Archaeopterixen (bewegende vogelskeletten) die hij maakte, zijn grote stukken speelgoed van triplex en ijzerdraad.

The Aeromodeller, Panamarenko, 1971

Op de expositie Calder Now worden dwarsverbanden gelegd met het werk van eigentijdse kunstenaars, die beïnvloed zouden zijn door Calder. En daar kwam ik wel een echt ding tegen. De installatie Pionier I van Carsten Nicolai uit 2011 bestaat uit een grote parachute, die eens in de twintig minuten met veel geraas door een windmachine wordt opgeblazen. Als een wilde, bewegende, verticale kwal hangt de parachute aan de touwen te rukken die hem verbinden met de windmachine.

Panamarenko maakte het vlieg-‘tuig’ 00.PZ Paradox, dat bestond uit een parachute die werd aangedreven door propellers die onder de parachute op een cabine waren gemonteerd. Hij maakte een prachtige tekening van dit ontwerp en testte de parachute – die hij bij de legerdump had gekocht – ook daadwerkelijk uit in zijn atelier. Dat moet ongeveer gegaan zijn zoals het nu in de Kunsthal toegaat met Pionier I. Het verschil is dat de parachute bij Panamarenko (onderdeel van) een echt díng is waarmee we kunnen vliegen.

links: Pionier I, Carsten Nicolai, 2011 en rechts: OO.PZ Paradox, Panamarenko, tekening, 1975

Omdat het ‘ding-achtige’ van de parachute in de installatie van Carsten Nicolai nog zo herkenbaar was, kwam dit kunstwerk voor mij het dichtst bij de fantastische wereld van Panamarenko, waarin we met speels gemak wegvliegen dankzij zijn échte dingen. Gewoon hangend aan een parachute of op een kekke luchtfiets.

Op 1 mei geef ik in Den Haag de lezing Los! Kunst en vliegwerk van Panamarenko. Zie Agenda.

Afbeelding boven dit artikel: Untitled (Mobile du Garage), Alexander Calder, 1954