Voor het mozaïek van Torcello

Het zal wel door de hittegolf komen, maar ik stel me voor dat het een zinderende zomerdag is als Hans Arp de Italiaanse basiliek Santa Maria Assunta bezoekt op het eiland Torcello in de baai van Venetië. Op het plein voor de kerk hangt een trillende hitte, gierzwaluwen vliegen ‘zie-zie!’-roepend om de oude kerktoren. Arp steekt het plein over en stapt de duistere kerk binnen. Koelte!

In de kerk draait hij zich om. Daar, boven de ingang, hangt het overweldigende twaalfde-eeuwse mozaïek van het Laatste Oordeel. In dit schitterende mozaïek, dat de hele westwand van de kerk beslaat, zijn als in een stripverhaal diverse taferelen uit het laatste oordeel afgebeeld. De bedoeling is duidelijk; bij het verlaten van de kerk zien de gelovigen wat hen na de dood te wachten staat: Christus oordeelt over je levenswandel en dan is het óf linksaf naar de hemel, óf rechtsaf naar de hel.

Mozaïek Het Laatste Oordeel, 11e -12e eeuw, Santa Maria Assunta, Torcello

Maar Hans Arp geeft zijn eigen interpretatie van deze oude christelijke beeldtaal. Hij gelooft namelijk dat uiteindelijk alle mensen in de sfeer van de hemel terechtkomen. Ook de meest verstokte ongelovigen, de meest rabiate atheïsten; iedereen wordt een engel, volgens Arp. Dit religieuze idee stamt van Origenes, een Griekse Bijbelgeleerde uit de derde eeuw na Christus.

Op onnavolgbare wijze weet Arp deze spiritualiteit, die na de dood van zijn vrouw Sophie Taeuber in 1943 steeds vaker in zijn werk opduikt, te mengen met zijn kinderlijke, Dadaïstische humor. In het lange prozagedicht ‘Voor het mozaïek van Torcello’ uit 1955 beschrijft Arp wat hij ziet in de vermanende Byzantijnse afbeeldingen.

Mozaïek Het Laatste Oordeel, detail van de zeven hoofdzonden . Links: wellustigen, rechts: vraatzuchtigen

Ik geef u twee fragmenten uit het gedicht. Het eerste fragment is Arps beschrijving van vier naakte figuren in de hel (eigenlijk vier vraatzuchtigen die in hun hand bijten):

[mk_blockquote style=”line-style” font_family=”none”]

Deze vier naakte figuren lijden zeer.
Hun gebarentaal is al onmiskenbaar, maar af en toe zeggen ze ook iets wezenlijks tegen mij.
Twee houden keurig opgevoed de hand voor de mond, als ze een oprisping hebben.
Het zijn vier arme duivels, die het nog niet lukte, stralende engelen te worden.
Het belangrijkste kenmerk om te benoemen of ze vrouw of man zijn, ontbreekt.
In het algemeen zien ze er eerder als mannen dan als vrouwen uit.
De eerste naakte figuur zei tegen mij:
Ik heb een nakomeling, die nu nog leeft en op mij lijkt als de ene nachtegaal op de andere, alleen zingen wij een ander lied.
Hij is de uitvinder van een goedlopende springplank.
Hij is er uiteindelijk in geslaagd een werkelijk volmaakte springplank te vervaardigen
waarop het zelfs een niet-getalenteerde springer lukt om doodleuk in het niets te springen.
Het wezen van de derde naakte figuur uit deze groep lijkt wel uitgewist.
Hij ziet eruit als een kleine lege la, die je na een hele tijd weer eens opendoet.
De hellepijn die hij moet verdragen, zijn grijze vlammen, die koud noch warm zijn.
De tweede naakte figuur is als een spiegel, die niet meer spiegelt.
De vierde naakte figuur, die zich als een kuise maagd draait en keert en de linkervoet achter het rechterbeen haakt, zegt: wij hadden geen bodem meer onder onze voeten.
De derde naakte figuur zegt: wij hadden geen hemel meer boven ons hoofd.
De tweede naakte figuur zegt: wij groeiden in het luchtledige in een voortdurende angstdroom, in een modderig, kokend, gierig woud van haren, dat we moesten inslikken.
De eerste naakte figuur zegt: wij geloofden niet meer in dromers, dichters en engelen.  

[/mk_blockquote]

Over de drie naakte figuren in “het aanpalende hellevertrek” (eigenlijk wellustigen die door het vuur worden verteerd) dicht Arp:

[mk_blockquote style=”line-style” font_family=”none”] Vlak naast de vier arme naakte duivels,
in het aanpalende hellevertrek,
vertoeven drie godvruchtige wijzen in de vlammenpijn alsof ze in een comfortabel graanveld zijn.
Een hete zomerwind waait.
De zonden van deze drie zijn zeker niet hemeltergend,
ze waren misschien aanhangers van Origenes en hebben met hem tegen de eeuwige hellepijn geprotesteerd.
Ze denken voortdurend aan God en lijden schijnbaar geen erge pijn.
Zonnen dansen als lichte stofjes in elke ademtocht van God.
Zonnen glinsteren als tranen tussen de oogleden van God.
De drie godvruchtige wijzen weten zeker dat God de hel zal oplossen.
[/mk_blockquote]

Met deze prachtige poëzie voelt een hete zomerwind als een comfortabel graanveld dat kietelt aan je blote benen.

NB Over zes weken –  na deze hete zomer – houd ik mijn lezing ‘Hans Jean Arp – dromen beelden gedichten’. Geef u op via hans@manvantaal.com

 

 

 

No comment yet, add your voice below!


Add a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *